De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Johann Sebastian Bach als vertolker van het evangelie (2)

Bekijk het origineel

Johann Sebastian Bach als vertolker van het evangelie (2)

9 minuten leestijd

Luther
Veel van Bachs composities kunnen we plaatsen in het raam van de lutherse eredienst. Daarin nam de muziek een belangrijke plaats in. Van Luther zelf is bekend dat hij vocale en instrumentale muziek zeer hoogachtte. 'Fraue Musica' was voor hem de zuster van de theologie, maar die moest dan ook wel in ere gehouden worden. Van hem is de uitspraak overgeleverd: 'Een schoolmeester die niet zingen kan, zie ik niet aan en jonge mensen mogen geen predikant worden als ze zich niet flink in de Musica geoefend hebben'.
Luther heeft uit de middeleeuwse mis de misstanden en misbruiken uitgesneden en haar hersteld in haar twee-eenheid van prediking en avondmaalsviering. Qua structuur hield hij overigens vast aan de opbouw van de mis. Evenals Calvijn heeft Luther aan het lied van de gemeente grote waarde toegekend in de eredienst. In de kerkdiensten vormde het geestelijk lied, het koraal, eenstemmig door de gemeente gezongen, een belangrijk onderdeel. De samenkomst van de gemeente is te zien als een ontmoeting tussen God en zijn volk. De Heere komt daarin tot ons met zijn Woord en de gemeente reageert daarop met gebed en lofzang. Het lied is dus te zien als het belijdend antwoord van de gemeente op de verkondiging van Gods heil, de prediking van zijn beloften. Die nadruk op de gemeentezang hing samen met wat voor Luther zo wezenlijk was: het priesterschap van de gedoopten en de gelovigen.
Daarnaast kreeg anders dan bij Zwingli en Calvijn ook de meerstemmige muziek, zowel instrumentaal als vocaal, een plaats. Muziek en evangelie leggen, aldus J.T. Bakker (Luther in de spiegel van zijn liederen, blz. 23) voor Luther elkaar uit. In de muziek wordt de werkelijkheid van het evangelie hoorbaar en omgekeerd verwoordt het evangelie de waarheid van de muziek. Muziek in de vorm van een gezongen evangeliemotet of een cantate is in deze traditie een vorm van verkondiging.

Calov-bijbel
Bach heeft dat alles voluit beaamd. In de jaren '30 van de vorige eeuw is in de Verenigde Staten Bachs Calov-bijbel gevonden, een bijbel in drie delen, die geen volledige tekst van de Schrift bevat, maar een bloemlezing die door de samensteller voorzien is van commentaar uit de werken van Luther. Bach moet die bijbel omstreeks 1733 in zijn bezit gekregen hebben. Ze geeft een goed inzicht in de omgang van Bach met het Woord van God.
Tal van passages zijn door hem onderstreept. Opmerkelijk zijn een viertal kanttekeningen van zijn hand. Bij de woorden uit Exodus 15 : 20 over Mirjam en de vrouwen die met tamboerijnen en reidansen en liederen God prijzen om de uittocht, tekent Bach aan: 'NB. Eerste voorspel met twee koren ter ere van God uitvoeren'.
Bij 1 Kronieken 25 over de muziek en zang in de tempel, 'het spel van citers, harpen en cimbalen' geeft Bach als commentaar: 'NB. Dit hoofdstuk is het ware fundament van alle godgevallige kerkmuziek'. Bij 1 Kronieken 28 en 29 waarin Davids lofzang wordt weergegeven, noteerde hij: 'NB. Een schitterend bewijs, dat naast de andere instellingen van de eredienst in het bijzonder ook de 'musica' van Godswege mede door David is opgedragen'. Ten slotte lezen we bij vers 13 van 2 Kronieken 5, het hoofdstuk dat over de inwijding van de tempel gaat als Bachs commentaar: 'N.B. Bij een aandachtige muziek is God altijd met zijn genade aanwezig'.
Terecht voegt Klaus Eidam hieraan toe, dat dit commentaar laat zien hoezeer Bachs werk als musicus in zijn geloof gegrond was, maar ook hoe hoog hij muziek en zang waardeerde. Voor Bach vormde de muziek geen geringer onderdeel van de kerkdienst dan de preek. De positie van de musicus in de kerkdienst was voor hem evenwaardig aan die van de theoloog, overigens weten we dat Bach de theologie hoogachtte. Hij beschikte zelf over een royale theologische bibliotheek, waaronder ook de werken van Luther.

Orthodoxie en piëtisme
Tussen Luther en Bach ligt een tijdsafstand van zo'n kleine twee eeuwen. Het lutheranisme heeft in die periode een ontwikkeling doorgemaakt. Die ontwikkeling was niet altijd positief. Polemiek en leerstelligheid brachten met zich mee dat de orthodoxe lutherse theologie in menig opzicht ten prooi viel aan verstarring. De leer kwam los te staan van het leven. Dat riep dan weer een reactie op die grote nadruk legde op de mystieke kanten van het geloofsleven, op het werk van Christus in het mensenhart en de heiliging van het leven. Mensen als Johann Gerhard en Johann Arndt legden in hun geschriften nadruk op de praktische vroomheid, de piëtas van het ware christendom. Philipp Jakob Spener sloot zich bij Arndt aan en schreef in 1675 zijn 'Pia Desideria', dat wil zeggen: vrome verlangens. Onder hun invloed werd het piëtisme een herkenbare richting binnen de lutherse kerk.
Piëtistische predikanten waren voor de gemeente herkenbaar in hun afkeer van een verplicht perikopensysteem, het vermijden van formuliergebeden, een voorkeur voor liederen die meer nadruk legden op de ervaringen van het vrome gemoed, terwijl men doorgaans weinig op had met muziek in de eredienst. In menige gemeente stonden orthodoxe en piëtistische predikanten fel tegenover elkaar.
Hoe stond Bach daar nu in? We weten dat hij deze mystieke en bevindelijke stromingen gekend heeft. De boeken van Arndt stonden in zijn boekenkast. Van de orthodoxe leerstellige verstarring was hij bepaald niet gediend. H. van der Linde typeert het geestelijk klimaat waarin Bach zich thuisvoelde als 'Reformorthodoxie'. Kenmerkend voor dit klimaat was, dat men voluit de eigen lutherse traditie met haar brede aandacht voor liturgie en muziek aanvaardde, maar tegelijk een open oog had voor de betekenis van de praktijk der godzaligheid en de innerlijke vroomheid. Het geloofsleven cirkelde rond de drieslag rechtvaardiging, heiliging en de unio mystica, de mystieke geloofsband met Christus.
We gaan dus niet te ver als we zeggen dat Bach menig piëtistisch element heeft opgenomen. Waar hij zich tegen verzette was de puriteinse afkeer van deze beweging van alle 'kunst' muziek in de eredienst. We weten dat hij in Mühlhausen verzeild raakte in een fel conflict tussen de orthodoxe lutheraan Eilmar en de piëtistische pastor Frohne. Hoewel Bach persoonlijk met Frohne goed kon opschieten voelde hij in kerkmuzikaal opzicht meer verwantschap met diens collega Eilmar. Zijn kerkmuzikale ambities zouden op den duur onder Frohne weinig ruimte krijgen. Bach is dan ook na een jaar uit Mühlhausen vertrokken.
In dat opzicht bood Leipzig waar we hem 15 jaar later aantreffen betere perspectieven. Dr. A. C. Honders wijst erop, dat er in Bachs tijd in die stad een bloeiend en krachtig kerkelijk leven was, vooral in de beide hoofdkerken de Nicolaïkerk en de Thomaskerk. Twee cantorijen, samengesteld uit de beste zangers van de Thomasschool zongen bij toerbeurt in deze beide kerken en verzorgden de muziek. Met name op de eerste cantorij was Bach aangewezen voor het uitvoeren van zijn cantates. Ik kom op de betekenis van Bachs cantates in een van de volgende artikelen nog terug.

Het orgelkoraal
De dienst van Bach aan de liturgie en de eredienst bestaat niet alleen uit de vele cantates die hij schreef, als uitleg bij de lezing van het evangelie en/of de brieven. Bach heeft ook veel voor orgel gecomponeerd. Hij moet een geweldig organist geweest zijn, blijkens getuigenissen uit die tijd. En dat niet alleen. Hij werd ook veel gevraagd als adviseur bij de bouw van nieuwe orgels.
Het orgel had als zelfstandig instrument een belangrijk aandeel in de eredienst. Het is dan ook niet vreemd, dat de orgelbouw in Midden en Noord-Duitsland een hoge vlucht genomen had. Hamburg, Lübeck, Halle en Leipzig waren de grote centra van de Noordduitse orgelschool. Die school heeft tal van belangrijke componisten voortgebracht zoals Scheidt, Schein, Reinken, Buxtehude, Böhm en Weckmann. Maar Bach vormt onbetwist het hoogtepunt van deze rijke orgelcultuur. Of zijn grote orgelwerken, de toccata's en fuga's, de preludia en de sonates voor de eredienst zijn gecomponeerd wordt wel betwijfeld - het orgel had ook buiten de eredienst betekenis - , maar anders is dat met vele koraalbewerkingen over lutherse kerkliederen die Bach gecomponeerd heeft. We komen bij Bach het orgelkoraal tegen in een rijke variatie van vormen: van eenvoudige bewerkingen tot uitvoerige composities waarin het koraal in een rijk versierde vorm omspeeld wordt. En niet te vergeten de zgn. koraalpartita's, een serie variaties over een koraal, evenveel als het lied coupletten telde. Ik geef geen opsomming van Bachs orgelwerk. We verkeren in de gelukkige omstandigheid dat er verschillende complete uitgaven van bestaan op cd (o.m. Bram Beekman, Ton Koopman).
Van een aantal koralen, zoals het bekende 'God in den hoog alleen zij d' eer' of het 'Vater unser' zijn een aantal bewerkingen bewaard gebleven. Beroemd en bekend is het Orgelbüchlein, een boek met 45 koraalvoorspelen, liever nog koraalfantasieën, geschreven als instructie voor de aankomende organist. De 45 koralen zijn verdeeld over vier kringen, rondom de drie feestdagen (Kerstmis, Pasen en Pinksteren) en rondom Oud en Nieuw. Men late zich niet op een dwaalspoor brengen door het woord 'instructie'. Het zijn stuk voor stuk juweeltjes, die de gang van het kerkelijk jaar op een prachtige manier doorlichten.

Catechismusliederen
In Bachs tijd waren liturgie en catechese met elkaar verbonden. Deze catechese was bedoeld voor kinderen en volwassenen, en vond plaats zowel op de zondag als in de week. In de diensten werden dan Luthers kleine en grote catechismus aan de orde gesteld. In 1723 waren er volgens Honders in Leipzig maar liefst elf catechismusleerdiensten.
Bach was met Luthers catechismusuitleg vertrouwd. Hij schreef in Leipzig ook een serie orgelkoralen die gebruikt konden worden voor de uitleg van de catechismus. Ze zijn verzameld in de zgn 'Clavierübung III', ook wel genoemd de 'Orgelmesse'., Het werk bevat bewerkingen van enkele Kyriëliederen, het Glorialied, 'God in den hoog alleen zij eer' en voorts liederen over de onderdelen van de catechismus: geloof, gebod, gebed, doop, biecht en avondmaal. Elk onderdeel wordt, parallel aan Luthers kleine en grote catechismus, in twee versies gegeven. Vier duetten completeren dit werk, dat omraamd wordt door een indrukwekkend preludium en afgesloten met een driedelige fuga. Er is door onderzoekers vaak gewezen op de symbooltaal die dit werk eigen is. Bach speelt voortdurend met het getal drie, een verwijzing naar het geheim van de Triniteit.
Het is niet onjuist als men de musicus en componist Bach tegelijk architect noemt. Je wordt al tijd weer getroffen door de strakke opbouw, de architectuur van zijn werk naast de melodische rijkdom en de vormenpracht. De veelheid van koraalbewerkingen die bewaard gebleven zijn van Bach bevestigen de waarheid van het oordeel van H. van der Linde: 'Het totaal overziende mag men wel zeggen dat hij in het koraal geleefd heeft'.

Ede                 A. Noordegraaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 2000

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Johann Sebastian Bach als vertolker van het evangelie (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 2000

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's