Eenheid in verscheidenheid (10)
Het vorige artikel sloot ik af met de zin dat wij niet mogen denken dat het vroeger allemaal zoveel beter was dan nu. Soms wordt ons voorgehouden alsof het in het verleden alles goed was en in het heden alles verkeerd.
In de tijd van Calvijn waren er inzake de viering van de zondag dezelfde misstanden als nu.
Het zal duidelijk zijn dat die misstanden in de context van zijn tijd gezien moeten worden, maar zij waren er dan toch maar.
Hij deelt ondermeer mee dat er in Genève christenen zijn die uitzien naar de zondag. Zij brengen deze dag echter niet door zoals dit behoort. Hun eigen zaken staan die dag centraal en krijgen alle aandacht. Ironisch merkt Calvijn op dat deze christenen blijkbaar geen andere dag hebben om hun eigen zaken te behartigen. Zij horen de kerkklok luiden. Zij worden geroepen naar de kerk te komen en zich onder het Woord Gods te zetten, maar zij blijven thuis. In plaats van in de kerk te zijn, brengen zij de dag door in hun huis. Daar zijn ze bezig met timmeren, schilderen, visite ontvangen, enz.
Ook zijn er die zich op zondag in huis ophouden om er hun tijd te verdoen met lekker eten. Zij zijn daarmee zo druk dat zij niet naar de kerk kunnen gaan om het Woord van God te horen.
Let wel: Calvijn verzet zich niet tegen een goede maaltijd. Hoe sober hij wellicht geweest is, maar een goede maaltijd kon hij waarderen.
Zijn bezwaar tegen het eten en drinken op de zondag is dat men de kerkgang liet schieten, omdat men de gehele dag bezig was met zich te goed te doen.
De ontheiliging van Gods dag lag Calvijn - om zo te zeggen — zwaar op de maag. Hij zegt van de rustdag dat deze is ingesteld, opdat wij uit alle aardse beslommeringen, uit alle bezigheden zouden worden gehaald om ons helemaal aan God te geven. De kerkgang op zondag is voor hem een belangrijke zaak. Dat wil niet zeggen dat wij de rest van de dag dan kunnen doorbrengen naar ons eigen goeddunken. Meer dan eens verzet Calvijn zich daartegen als hij het over de zondag heeft. Naast de kerkgang op zondag moet de Heere alle overige tijd geloofd en geprezen worden. Concrete aanwijzingen worden wat dit laatste betreft door hem niet gegeven. Blijkbaar laat hij de mensen daarin enige vrijheid, omdat het loven en prijzen van God door een alleenstaande anders ingevuld kan worden dan wanneer er nog sprake van een gezin is. De christelijke vrijheid beweegt zich binnen de kaders van de Schrift. Ook wat de zondagsviering aangaat laat zij een eenheid in verscheidenheid zien. Wat is dan die eenheid? Het loven en prijzen van de Heere!
Naar de mening van Calvijn hebben wij de zondag nodig! Wij zijn zes dagen van de week (in onze tijd vijf dagen) zo druk bezig met ons dagelijks werk, dat wij niet veel tijd kunnen besteden aan het overdenken van God en Zijn Woord. Daarvoor heeft de Heere de zondag ingesteld met het doel dat wij dan tijd zullen hebben om Gods weldaden bijzonder te overdenken.
Tot besluit geef ik het volgende citaat van Calvijn door: 'Het is waar, dat het een armelijk ding zou zijn als wij alleen des zondags aan de weldaden van God dachten; maar omdat wij andere dagen al te veel bezet zijn met onze zaken, zijn wij niet zo overgegeven aan de dienst van God als op de dag die daar helemaal aan gewijd is'.
Intermezzo
Opnieuw ontving ik een schrijven naar aanleiding van deze artikelen. Een lezer vraagt of met de 'dag des Heeren' ook niet iets anders bedoeld kan worden dan de opstandingsdag van de Heere Jezus Christus? Mijn antwoord kan kort zijn: dit is zeer wel mogelijk.
Ik denk in dit geval aan de 'kleine profeten'. Meer dan eens wordt door hen deze uitdrukking gebezigd. Onder de dag des Heeren verstaan zij de dag waarop God ten gerichte komt. Zijn volk zal Hij op die dag redden, terwijl Hij Zijn vijanden voor altijd zal verdelgen. Meer dan eens wordt gesproken over de 'dies irae', de dag van Gods toorn die bevrijding inhoudt voor Zijn volk.
Echter... dat is wel een andere dag dan waarover in Openbaring 1 wordt gesproken. Hoewel in het boek Openbaring meer dan eens wordt gesproken over de dag waarop het eindgericht van God zal plaatsvinden, alzo niet in het zojuist genoemde hoofdstuk. Wanneer Johannes zegt dat hij in de geest op de dag des Heeren op Patmos was, moeten wij niet zozeer denken aan de dag waarover in de 'kleine profeten' gesproken wordt als wel aan de zondag, de dag waarop de Kurios is opgestaan. In de grondtekst, het Grieks, is dit duidelijk te lezen. Het lijdt geen twijfel dat het gaat om de dag waarop de Koning der koningen en de Heere der heren verrezen is.
Hoe de ontwikkeling van sabbat naar zondag in z'n werk is gegaan, behoef ik niet verder uit te leggen, omdat dit in een vorig artikel gebeurd is. Ook heb ik toen geschreven dankbaar te zijn met deze ontwikkeling, omdat Jezus Christus en al Zijn werk daarin zo geëerd wordt. Persoonlijk zie ik in die ontwikkeling een werk van de Heilige Geest. Zonder direct over een voortgaande Openbaring te spreken, meen ik oprecht dat er meer aan openbaring is dan ons op Schrift gesteld is. Hoe het ook zij: de zondag is en blijft een bijzondere dag voor mij.
Uit de sympathieke brief die ik ontving wil ik nog iets aanhalen. De schrijver is van mening dat Calvijn en andere reformatoren zich vooral hebben beziggehouden met de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof. Ook over de heiliging van het leven hebben zij nagedacht. Rechtvaardigmaking en heiligmaking hadden alle aandacht, maar aan nog zoveel andere vraagstukken om te behandelen, daaraan zijn ze nooit toegekomen.
De briefschrijver is van mening dat bijv. Calvijn nooit iets heeft gezegd over het afschaffen van de zaterdag als rustdag en hoe de zondag daarvoor in de plaats gekomen is.
Op dit laatste behoef ik niet meer uitvoerig in te gaan. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken dat Calvijn evenals Thomas van Aquino van mening was dat wij door de komst van Christus, voorzover de sabbat een ceremonieel karakter had en in beslag genomen werd door schaduwachtige plechtigheden, daarvan ontslagen zijn.
Wat blijft is dat de rustdag (d.i. de zondag) verordineerd is om ons in de dienst van God te oefenen.
Voorts rond ik dit gedeelte af door te schrijven dat ik het betreur dat niet alleen nu, maar ook in het verleden, zelfs de eeuwen door, er een verschil in opvatting is over de rustdag. Moet die op zaterdag óf op zondag gevierd worden? Ik houd het - zoals geschreven - bij de zondag. Maar als ik dit zo schrijf, weet ik maar al te goed dat 'eenheid in verscheidenheid' niet altijd opgaat. Zeker niet als het gaat om de zondag of om de zaterdag. In de opvatting voor de ene dag of voor de andere zit een groot verschil, een theologisch verschil. Maar let wel: al is dit verschil er, daarmee oordeel ik niet over 'de staat' van iemand die een andere opvatting heeft. Soms voel ik mij soms heel verwant aan mensen die een andere opvatting over iets hebben.
Ik geef een voorbeeld. De kinderdoop heb ik zeer hoog staan. God is daarin de Eerste. Hij kiest voor mij. Hij verbindt mijn naam met Zijn Naam. Een keuze van mij speelt daarin geen rol. Wat houdt bovendien 'mijn keuze' in. Het gaat ten diepste om Gods handslag, niet om die van mij.
Het zal bekend zijn dat over dit alles door de baptisten heel anders wordt gedacht. Toch voel ik mij bijzonder verwant met Spurgeon. Met zijn doopopvatting kan ik het niet zo eens zijn, maar als hij mij in de prediking laat horen welk een volkomen Zaligmaker Jezus Christus is en hoe Hij aan eenieder welmenend, vriendelijk en ernstig aangeboden wordt, zegt mijn ziel daarop van harte 'amen'. Dat doet zij niet minder als hij zegt dat alle beloften van Godswege welgemeend zijn. U komt de belofte toe! Wat wil dat zeggen? Dat Jezus Christus eenieder toegezegd wordt die onder de prediking van het Evangelie komt. Dat hield Spurgeon mij voor, maar vooral de Bijbel houdt mij dat voor. En met dit laatste is alles gezegd! Eenheid in verscheidenheid. Niet altijd, maar toch wel heel vaak. Wie wat betreft Calvijn nog iets meer over de rustdag wil lezen, neme z'n 'Institutie' en leze met name in boek II daarover.
Coccejus
Na het bovenstaande intermezzo gaan wij rustig door. Ik schreef dat reeds vele eeuwen onenigheid bestaat over de dag waarop er gerust moet worden: zaterdag óf zondag.
Voetius had duidelijk laten horen dat hij de zondag als rustdag prefereerde. Hij gaf er de voorkeur aan omdat op die dag de Zoon van God verrezen was. Hij volgde in deze opvatting Thomas van Aquino en Calvijn.
Coccejus daarentegen had een geheel andere opvatting. Het gevolg was dat de voetianen en coccejanen tegenover elkaar kwamen te staan.
Wat was er aan de hand? Voetius had met nadruk laten vastleggen dat hij niet afweek van de regels van de Dordtse synode (1618/'19). Coccejus hield zich echter niet zo aan die afspraken. In zijn opvatting week hij zeker af van wat er op die synode gezegd en behandeld was.
Maar wat leerde deze niet onvermaarde hoogleraar? Hij leerde dat het vierde gebod enkel ceremonieel was en dat er dus geen verplichting van Godswege bestond om het te onderhouden. Eenvoudig gezegd: voor een christen was het niet nodig om te rusten en om zich in 't bijzonder op de rustdag met God en Zijn Woord bezig te houden.
Coccejus legde met deze opvatting een tijdbom onder de zondag als rustdag. Van de zondag bleef op die manier niets over. Dat het met de zondag gedaan was, sprak hij echter niet uit. Maar wat dan wel? Daarover graag een volgend keer. (Wordt vervolgd.)
B. G. S. A. de Knegt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's