Johann Sebastian Bach als vertolker van het evangelie (3)
De cantate
In mijn vorige bijdrage wees ik erop dat in de lutherse eredienst naast het eenstemmig gezongen koraal ook de meerstemmige muziek zijn plaats had in de vorm van een cantate, of een passiemuziek. Ook in dit opzicht heeft Bach voorlopers gehad en is hij tegelijk het hoogtepunt in de ontwikkeling van deze vorm van kerkmuziek. Wat de voorlopers betreft, de cantate is gegroeid uit het motet, een meerstemmig werk voor koor met instrumentale begeleiding over een bijbelgedeelte. We kunnen met name denken aan het werk van die andere grote lutherse componist Heinrich Schütz (1585-1627). Ik noem ook de cantates van Bachs oudere tijdgenoot Dietrich Buxtehude; ze zijn ten onrechte vaak vergeten, maar komen gelukkig de laatste jaren weer meer in de belangstelling.
Bach schreef zijn eerste cantates in Mühlhausen. Een klein aantal componeerde hij in Weimar, maar verreweg het grootste deel is in Leipzig ontstaan. We kennen verschillende vormen. Aanvankelijk bestond zij uit bijbelgedeelten aangevuld met een of twee koralen. Later ontstond een uitgebreider vorm, waarbij er meer ruimte kwam voor lyrische elementen in de vorm van aria's en recitatieven waarin de gelovige beschouwer reageert op de bijbelse boodschap. Dit subjectieve element werd in die tijd waarin het gevoel zijn rechten opeiste zeer gewaardeerd.
Kerkelijk jaar
Bachs cantates zijn nauw verbonden met het kerkelijk jaar. Soms beginnen ze met een bijbelwoord dat op die betreffende zondag centraal staat. Of ze behandelen het evangelie dat op die zondag aan de orde was volgens de lutherse perikopenindeling. Of ze gaan uit van het koraal van de zondag. In doorsnee had ze een lengte van 15 tot 20 minuten. In een aantal gevallen bestaan ze uit twee delen, waarbij deel 1 voor de preek en deel 2 na de preek werd uitgevoerd.
Voor de meeste zondagen van het kerkelijk jaar moest de cantor zorgen voor een cantate. Alleen in de adventsweken en in de weken voorafgaande aan Pasen de tijd van boete en inkeer werden er geen cantates uitgevoerd. Op Palmzondag en Goede Vrijdag klonk evenwel de passiemuziek, volgens het evangelie naar Mattheüs en Johannes.
Bachs zoon Carl Philipp Emanuel vermeldt ergens dat zijn vader vijf jaargangen cantates heeft geschreven. Dat komt neer op ongeveer driehonderd cantates voor het kerkelijk jaar. Er is volgens Alfred Dürr, een van de grootste kenners van de cantates, geen reden aan dit getuigenis te twijfelen. Als we bedenken dat er in totaal zo'n kleine 200 bewaard gebleven zijn, dan betekent dit dat een aanzienlijk deel verloren is gegaan. Dat is uiteraard te betreuren, maar wij mogen dankbaar zijn dat er zoveel moois toch bewaard is gebleven. Niet elk onderdeel is evenzeer een hoogtepunt. Maar stuk voor stuk zijn het werken van niveau. Onder de maat is het nergens. In elke cantate vind je fragmenten van een grote schoonheid. Vervelen doen ze nooit. Ze staat meer dan ooit in de belangstelling. Albert Schweitzer schreef zo'n kleine eeuw geleden, dat in tegenstelling tot de vele passie-uitvoeringen de cantates een verwaarloosd gebied vormden. Veel dirigenten die Bach hoog in het vaandel hebben, aldus Schweitzer, achten het niet zinvol cantates op hun programma's te zetten. Dat is in onze tijd wel heel anders. Dirigenten als Helmuth Rilling en Nikolaus Harnoncourt hebben het complete cantatewerk op cd uitgebracht. In ons land zijn Ton Koopman en Pieter Jan Leusink bezig met een dergelijk project. Daarnaast worden er in tal van plaatsen regelmatig cantatediensten gehouden en klinkt deze muziek in het kader waarin ze ook thuishoort: de liturgie, de kerkdienst.
De vijfde evangelist
Want de betekenis van de cantates gaat niet op in hun muzikale schoonheid. Ze zijn een vorm van muzikale verkondiging, waarbij woord en toon een hechte eenheid vormen. Je kunt zeggen: het evangelie draagt in veel opzichten de muziek van Bach. Omgekeerd is veel van zijn muziek vertolking van het evangelie, met name zijn cantates, missen en passionen. De Zweedse bisschop Söderblom noemde Bach dan ook de vijfde evangelist. Hij schreef: 'Zou men naar een vijfde evangelist vragen, dan zou ik niet aarzelen de vertolking te noemen van de heilsgeschiedenis zoals die haar hoogtepunt bereikte in Johann Sebastian Bach'.
Anderen onder wie professor Ouweneel hebben soortgelijke uitspraken gedaan en hebben de stelling geponeerd dat alleen een gelovig christen werkelijk kan doordringen in de grootsheid van bijvoorbeeld Bachs Mattheüspassion, omdat alleen wie gelooft zo diep kan doordringen in de tekst zoals Bach dat gedaan heeft. Zulke uitspraken gaan velen te ver. Onder andere Maarten 't Hart spreekt van orthodoxe betweterij en zet vraagtekens bij de diepe gelovigheid van Bach. Er valt zijns inziens weinig over Bachs vroomheid en geloof te zeggen vanuit de ons ter beschikking staande bronnen. Maar ook hij kan niet ontkennen dat Bach in de bijbel een rechtvaardiging gevonden heeft voor zijn musiceerpraktijk. Kan alleen een gelovige Bach verstaan? Het is een bekende vraag. Ze ligt op hetzelfde vlak als de vraag of een niet-christen bijvoorbeeld de passionen kan zingen. Ik zou hier genuanceerd over willen spreken.
Vooreerst moeten we oppassen te oordelen over wat voor ons verborgen is. De oude stelregel 'over het innerlijk oordeelt de kerk niet' gaat in zekere zin ook hier op. Wij moeten als christenen de bescheidenheid opbrengen niet te willen oordelen over wat anderen innerlijk beleven bij het uitvoeren of beluisteren van Bachs passiemuziek. Bovendien moeten we het vermogen van kunstenaars zich in te leven in wat zij zingen niet onderschatten.
Iets anders is dat deze teksten zozeer verweven zijn met de Schrift en met de bijbeluitleg in Bachs tijd dat het voor de interpretatie van de teksten en het verstaan ervan wel wat uitmaakt of je de geloofstraditie van Bach kent of niet.
Bachs geloof
Al moet je met de benaming 'vijfde evangelist' wat voorzichtig zijn, onmiskenbaar is dat zijn geestelijk werk vertolking van het evangelie is ten dienste van de kerk en de eredienst. Bach heeft, schrijft H. van der Linde ergens, aan het bijbels geloof zoals hij dat van huisuit heeft leren kennen in de lutherse traditie, persoonlijk deelgehad en dat geloof ook willen dienen. Andere onderzoekers bevestigen dat oordeel. Ik meen dan ook, dat we naast andere benaderingen ook vanuit de theologie mogen vragen naar de wijze waarop Bachs geloof doorklinkt in zijn composities.
Dat is een wezenlijk element dat door Klaus Eidam helaas schromelijk verwaarloosd wordt. Ook Maarten 't Hart verzet zich ertegen om uit Bachs muziek zijn geloofsopvattingen en theologische keuzes af te leiden.
Maarten 't Hart wijst in dat verband op wat in Duitsland Bachs 'Parodieverfahren' genoemd wordt. Kort gezegd komt dat hierop neer, dat Bach als hij op een wereldlijke tekst een stuk muziek gecomponeerd had (b.v. voor een bruiloft of een verjaardag van een vorst) diezelfde muziek gebruikte voor een geestelijk werk. Zo is bijvoorbeeld een heel deel van de muziek van de cantates van Bachs kerstoratorium terug te vinden in zijn wereldlijke cantates. Dat alles zou een bewijs zijn dat we Bachs geloof en de kerkelijke praktijk niet zouden mogen beschouwen als inspiratiebron voor zijn geestelijke muziek. Letterlijk schrijft 't Hart: 'Wie diepgelovig is kan daarom waarschijnlijk juist tamelijk weinig begrijpen van de wonderlijke wijze waarop Bach met zijn aardse en hemelse teksten omsprong, laat staan dat hij via die zo gemakkelijk vervangbare teksten dieper in de muziek zou kunnen doordringen dan een heiden'.
Er is op deze visie heel wat af te dingen. Het feit dat Bach muziek uit wereldlijke cantates gebruikte voor zijn kerkelijke muziek laat zich niet loochenen. Het is ook wel te begrijpen. Bach moest haast elke zondag zorgen voor een nieuwe cantate en die dan ook nog in enkele dagen instuderen met zangers die lang niet allemaal even bekwaam waren. Het blijft een wonder dat niemand verklaren kan, hoe het mogelijk is dat je dan toch zo'n overweldigende veelheid aan geniale muziek kunt componeren.
Eenheid van het leven
Mijn bezwaar tegen het oordeel van Maarten 't Hart over deze werkwijze van Bach is, dat hij redeneert vanuit het gezichtspunt van onze geseculariseerde cultuur, voor wie de wereld van geloof en kerk en het gewone leven twee werelden geworden zijn die elkaar niet raken. Het is het standpunt dat met de Verlichting opgekomen is en sindsdien diep is doorgedrongen in de westerse cultuur.
Dat was voor Bach en zijn tijdgenoten anders. Of liever gezegd: de Thomascantor heeft zich verzet tegen de tendensen van de Verlichting en de nadruk op het gezag van de rede. Bach wees als orthodox lutheraan het denken van de Verlichting met zijh rationalistische tendensen af. Voor de gelovige Bach bestond er geen scheiding tussen een geestelijke en een seculiere wereld. Beide waren schepping van God en in beide gebieden was men geroepen te leven tot eer van God en tot heil van de naaste.
Typerend voor de geest waarin Bach werkte zijn de woorden op het titelblad van het Orgelbüchlein: 'De hoogste God alleen ter ere, de naaste tot onderrichting' (Dem höchsten Gott allein zu Ehren, dem Nachsten draus sich zu belehren). De eerste regel vertolkt het S.D.G. (Soli Deo Gloria) waarmee hij zoveel van zijn handschriften ondertekende, terwijl bovenaan niet zelden geschreven stond: J.J., dat wil zeggen: Jesu juva, Jezus, help. Dat was meër dan een stijlfiguur. Het geeft iets aan van de eenheid van het leven voor Gods aangezicht, waar onze tijd vaak helemaal niets van begrijpt.
Bachs levenswerk mag zich dan afspelen op twee terreinen, het geestelijke en het wereldlijke, maar op beide terreinen wist hij zich een dienaar van God, de Schepper en Gever van het totale leven.
Mens van zijn tijd
Zeker, hij heeft uit dat geloof geleefd als mens van zijn tijd, die zich anders uitdrukte dan wij, mensen van een postmoderne eeuw. De barokke teksten van zijn cantates, overigens doorgaans niet van Bach zelf, komen op ons vaak vreemd over. De extreem onderdanige wijze waarop Bach zich richtte tot hogergeplaatsten, vorsten, raadsleden, verraadt een gezagscultuur die de onze niet meer is.
Volgens sommigen was Bach ook geen makkelijk mens om mee om te gaan. Hij zou een heethoofd zijn geweest, een stijfkop en opvliegend man. Het is niet onmogelijk. Wij doen niet aan heiligenverering. Bach was een mens met fouten en gebreken. Dat er in zijn leven tal van conflicten zijn geweest met zijn opdrachtgevers is waar. Maar de oorzaak lag lang niet altijd bij Bach. Je moet erbij zeggen dat men vaak weinig begreep van wat Bach bewoog en vooral in Leipzig weinig oog had voor de moeilijke omstandigheden waaronder Bach zijn zware taak moest uitvoeren. Sterker nog: Men had er ook weinig voor over en gaf niet zelden 'niet thuis' als de Thomascantor zijn nood klaagde.
Verdriet en zorg zijn hem ook in zijn gezinsleven niet bespaard gebleven. Ik denk dat H. van der Linde gelijk heeft als hij in dit verband verwijst naar de spreuk van een luthers theoloog 'Door leed heen groeit de kracht' en dan eraan toevoegt: 'Misschien is dat ook waar geweest van Bachs leven. Wellicht zou zonder deze levensgang zijn leven niet die rijke oogst opgeleverd hebben die ze in feite opgeleverd heeft.
Ede A. Noordegraaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's