De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De dochter van Jefta (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De dochter van Jefta (1)

10 minuten leestijd

De Geest des HEEREN kwam over Jefta. Deze handeling houdt een belofte in. We lezen daarover in Richteren 11 (vs. 29). Op deze wijze gaf God hem de volmacht én de kracht Gilead te bevrijden van de onderdrukking door de Ammonieten. De verlossing van Gilead was nu Gods zaak. Maar Jefta had aan die toezegging niet genoeg. Hij wilde zekerheid buiten Gods belofte om. Dat is altijd fout. Dan gaat het ook fout. Hij stelde de HEERE een voorwaarde in de vorm van een gelofte: Geeft U de Ammonieten in mijn hand, dan geef ik aan U als brandoffer het eerste dat uit de deur van mijn huis naar buiten komt mij tegemoet.
Jefta zal gedacht hebben aan een dier, maar het was zijn dochter... Wat nu? Beloofd is beloofd. Hij kon niet terug. Maar hoe heeft hij deze gelofte ingelost? Heeft hij nu werkelijk zijn dochter als brandoffer de HEERE geofferd of heeft hij haar verplicht tot het celibaat? Ook dat laatste gaat heel ver. Want daardoor blijft Jefta ook zelf verstoken van nageslacht. Zal hij nu geen deel meer hebben aan de messiaanse toekomst van Israël? Dat is de eerste vraag waarvoor dit bijbelverhaal ons stelt.
Maar daar is behalve de vader ook de dochter! Hoe staat zij in deze geschiedenis? Moeten we hier spreken van de 'tragiek van een vrouwenleven'? Beide vragen komen aan de orde in het nieuwe boek van prof. C. Houtman en dr. K. Spronk*.

Een mens als brandoffer
In de moderne bijbelwetenschap overheerst de opvatting dat in het geval van de dochter van Jefta sprake is van een mensenoffer. Ook de hierboven genoemde auteurs zijn deze mening toegedaan. De tekst laat zich niet anders lezen, vinden zij: 'Jefta volbracht aan haar zijn belofte die hij beloofd had' (vs. 39). Dat was trouwens altijd al de gangbare interpretatie geweest tot in de vroege Middeleeuwen toe. Ook Luther dacht nog zo. Het riep bij de mensen toen niet zulke gevoelens van afschuw op als bij ons. Ergens paste het wel in hun belevingswereld. Brandstapels en heksenprocessen waren hun niet vreemd. Toch komt daar een kentering in. Het offer van de dochter van Jefta wordt steeds meer in verband gebracht met het celibaat. In die context spreek Calvijn daarover: 'Zo heeft Jefta de straf voor zijn dwaasheid ontvangen (Richt. 11 : 30), toen hij in blinde ijver een onberaden gelofte deed. In dit soort van geloften staat het celibaat bovenaan wat betreft dolzinnige vermetelheid' (Institutie IV.xiii.3; vertaling Sizoo).
De conclusie dat de dochter van Jefta in werkelijkheid als offer is verbrand, zou nog enige grond hebben, wanneer we de drie zinsdelen die daarop betrekking hebben, uit hun verband zouden lichten en op zichzelf beschouwen. De eerste twee vinden we in vers 31: 'dat (namelijk wat uit de deur van mijn huis mij tegemoet komt) zal des HEEREN zijn', en 'ik zal het offeren ten brandoffer'. Het derde hebben we hierboven al genoemd: het citaat uit vs. 39. Toch levert de combinatie van het eerste met het tweede zinsdeel al een probleem op. Want inderdaad, een dier dat 'des HEEREN' is wordt geofferd, maar een mens die 'des HEEREN' is, wordt gelost. Onder die bepaling vallen alle eerstgeboren jongetjes (Ex. 13 : 11-13). Subjectief heeft Jefta daar niet aan gedacht maar objectief is hij wel aan deze regel gebonden. Doordat hij onvoldoende vertrouwen had in de beloften van God en in de kracht van Zijn Geest heeft hij zich nodeloos in de problemen gewerkt. Hij heeft Ammon overwonnen maar zijn dochter verloren. Zij zal voortaan 'des HEEREN' zijn.

Bezwaren op grond van het tekstverband
Na afloop van het offerritueel blijkt de dochter van Jefta niet dood te zijn. Want de tekst vervolgt: 'zij heeft geen man bekend' (vs. 39). Het is niet tot een huwelijk gekomen. Dat vloeide voort uit het feit dat zij van nu voortaan 'des HEEREN' was. Haar status zal te vergelijken zijn geweest met het Nazireeërschap maar dan inclusief het celibaat. Die verplichting tot en acceptatie van een onvrijwillig celibaat verklaart ook haar verzoek aan Jefta om zich met haar vriendinnen twee maanden terug te trekken in de bergen om haar maagdom te bewenen.
Het laatste vers van dit hoofdstuk levert een moeilijkheid op. De Statenvertaling leest: '[dat] de dochteren Israëls van jaar tot jaar heengingen om de dochter van Jefta, de Gileadiet, aan te spreken, vier dag in het jaar'. Dat aanspreken wordt dan in de Kanttekeningen uitgelegd als 'haar vergezelschappen en in haar maagdelijke stand te troosten en te verkwikken'. In de Griekse vertaling, de Septuaginta, staat: 'om haar te bewenen', blijkbaar in aansluiting op het verzoek van de dochter van Jefta of zij twee maanden haar maagdom mag 'bewenen'. Maar in het Hebreeuws staat precies het tegenovergestelde: de meisjes van Israël bezingen haar in beurtzang. Van een jaarlijks terugkerend rouwritueel is hier geen sprake. Zulke rituelen kende men wél. Zo was het een inzetting in Israël om jaarlijks de dood van Josia te herdenken. Jeremia schreef daar een klaaglied voor. Alle zangers en zangeressen pasten hun klaagliederen toe op de dood van Josia (2 Kron. 35 : 25). Maar de dochter van Jefta is geen zielige of tragische figuur. Ze wordt niet beweend maar bezongen. Dit is de instelling van een féést in Israël. Wat Jefta ten kwade had gedacht, heeft God ten goede gedacht.

Een inzetting in Israël
De uitdrukking 'een inzetting in Israël' komt niet voor in de Thora, de vijf boeken van Mozes, dat wil zeggen de boeken Genesis tot en met Deuteronomium. We vinden haar wel in de latere geschriften van het Oude Testament. De toevoeging 'in Israël' geeft aan: dit is wel nieuwe regelgeving maar zij vloeit voort uit het bestaande verbond. Behalve in Richt. 11 en 2 Kron. 35 treffen we haar ook nog aan in 1 Sam. 30. Dan bepaalt David dat na een overwinning de bewakingstroepen van de legerplaats hetzelfde aandeel krijgen in de oorlogsbuit als de gevechtssoldaten (vs. 25). Ook de jaarlijkse herdenking van het offer van de dochter van Jefta is zo'n 'inzetting in Israël'. Als nu de herdenking van het offer van de dochter van Jefta is opgenomen in de regelgeving van een leven náár Gods verbond, dan is het uitgesloten dat die herdenking gebaseerd is op een mensenoffer, een handeling die in flagrante strijd is met een ander gebod van datzelfde verbond. Want in de Thora staat geschreven: Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van die volken. Onder u zal niet gevonden worden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan (Deut. 18 : 9v.; zie ook Lev. 18 : 21).

Jefta in de rij van richters en getuigen
Bij zijn afscheid blikt Samuël terug op de jongste geschiedenis van Israël. Hij noemt dan in één adem Jerubbaäl, Bedan, Jefta en Samuël. Zij allen zijn door God gezonden om Zijn volk te redden uit de macht van de vijanden rondom zodat zij veilig konden wonen in het land van belofte (1 Sam. 12 : 11). Wanneer Jefta door het daadwerkelijk offeren van zijn dochter zou zijn teruggevallen in het Kanaanitisch heidendom, dan had hij ingedeeld moeten worden bij die andere categorie die Samuël noemt: degenen die de HEERE, hun God, vergáten (vs. 12).
In de brief aan de Hebreeën krijgt Jefta zelfs een plaats in de wolk der getuigen. Gideon en Barak, Simson en Jefta - door het gelóóf hebben zij koninkrijken overwonnen en gerechtigheid geoefend. Er is veel op hen aan te merken - hoe erg dat ook is - maar géén terugval in het Kanaänitisch heidendom. Daarom kunnen en mogen zij ons nu aanvuren om alle last en de zonde die ons nog lichtelijk omringt, af te leggen en met volharding de loopbaan te lopen die ons voorgesteld is, het oog gericht op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus (Hebr. 11 : 32 en 12 : 1v.).

Verschil in traditie?
Uit de vroegjoodse teksten die Houtman en Spronk opvoeren krijgen we van Jefta een vrij negatief beeld: hij is de man die zijn dochter heeft geofferd als een brandoffer. Had Jefta zijn Thora maar gekend! In de Talmoed (een verzameling traktaten van vele duizenden bladzijden) vond ik een wat anders gekleurd verhaal. Rabbi Jonathan, een joods geleerde, merkte op dat in de Bijbel driemaal een niet correcte vraag wordt gesteld. Twee keer loopt het goed af, de derde keer niet. Bij Eliëzer loopt het goed af, want het meisje dat hem bij de waterbron te drinken geeft is niet lam of blind, maar Rebekka. Ook bij Saul loopt het goed af. Hij belooft aan de man die Goliath zal verslaan, zijn dochter Michal als vrouw. Gelukkig is dat David. Maar het had net zo goed een slaaf of een bastaard geweest kunnen zijn. In het geval van Jefta is dat niet het geval. Toch had het allemaal nog veel erger kunnen zijn. Want stel je eens voor dat het eerste wat uit zijn huis was gekomen een onrein ding zou zijn geweest. Het is een geluk bij een ongeluk dat het zijn dochter was! Dat voorval had de profeet in gedachten toen hij sprak tot Israël: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester in Israël? (Jer. 8 : 22) Die 'balsem' was er wél, want Jefta had zich kunnen beroepen op Pinehas, de zoon van Aäron. Deze hogepriester legde het aan de Heere voor of een gelofte al of niet moest worden ingelost (Richt. 20 : 28). Ten slotte wordt in dit gesprek nog verwezen naar een andere profetie van Jeremia. Het gaat dan over het bouwen van hoogten voor Baäl met de bedoeling om daar kinderoffers te brengen. In dat verband zegt de Heere: Dat heb Ik niet geboden, noch gesproken, noch is het in Mijn hart opgekomen (Jer. 19 : 5). Dat wordt dan door rabbi Jonathan zo uitgelegd: 'Wat Ik niet heb geboden' slaat op het offer van Mesa, de koning van Moab, die inderdaad zijn oudste zoon, die in zijn plaats koning zou worden, als een brandoffer heeft geofferd, om een nederlaag af te wenden (2 Kon. 3 : 27), 'wat Ik niet gesproken heb' slaat op de dochter van Jefta, en 'wat niet in Mijn hart is opgekomen' slaat op het offer van Izak, de zoon van Abraham.
De kroonprins van Moab is werkelijk als brandoffer verbrand. Het maakte Israël tegelijk woest én machteloos. Izak is niet als brandoffer verbrand. De dochter van Jefta staat tussen hen in. Wat is volgens rabbi Jonathan nu precies "met haar gebeurd? Hij laat het letterlijk in het midden. God heeft dit offer in elk geval niet geboden! Of suggereert rabbi Jonathan dat Jefta op dezelfde lijn zit als Abraham? Dan komt hij in de buurt van Hebreeën 11.
Het is een interessante parallel. Maar of hier werkelijk sprake is van een historisch verband, is zeer de vraag. Hier past een grote mate van terughoudendheid. Zeker is dat Jefta in de brief aan de Hebreeën een voorbeeldfunctie heeft. Door het geloof heeft hij de Ammonieten overwonnen en door het geloof heeft hij als richter over Israël gerechtigheid geoefend (Hebr. 11 : 33). Dat positieve beeld wordt door het offer van zijn dochter niet onherstelbaar verstoord.
Waarschijnlijk gaan deze verschillen in beoordeling van het optreden van Jefta terug op verschillende tradities in de uitleg van dit bijbelverhaal.

Huizen               H. J. de Bie

*) Cees Houtman en Klaas Spronk, Jefta's dochter, Tragiek van een vrouwenleven in theologie en kunst, 192 blz., ƒ 35, -, uitgeverij Meinema, Zoetermeer 1999, ISBN 9021137739.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De dochter van Jefta (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's