Wie zal het zeggen als het om de toekomst gaat?
Terugblik op een discussie
Aanleiding tot deze serie artikelen, die de laatste tijd in de Waarheidsvriend heeft gestaan over ons zicht op Israël, zijn enkele vragen die ik geruime tijd geleden aan prof. dr. W. J. Ouweneel en dr. J. Hoek heb voorgelegd. De kern van de vraagstelling was: Hoe lezen we de Heilige Schrift als het gaat om zaken die samenhangen met de Komst van onze Here Jezus Christus en in het bijzonder voor het verstaan van het boek Openbaring?
Terugblik
Eerlijk gezegd ben ik niet zo erg gelukkig met de wijze waarop tot nu toe het gesprek is gevoerd.
M.i. was niet echt sprake van een gesprek als een rustige, weloverwogen bezinning op de theologische uitgangspunten. Willen we er werkelijk moeite voor doen om elkaar beter te kunnen begrijpen dan zullen we ons in de discussie meer moeten concentreren op de wezenlijke uitgangspunten en slechts op de concrete onderwerpen voorzover zij nodig zijn onze keuzes toe te lichten. Calvinisme, vervangingstheologie en de landsbelofte voor Israël zijn boeiende zaken, maar in deze fase niet opportuun. Bovendien, omdat het om een open gesprek gaat, zullen we ons ook aan de daarvoor geldende spelregels dienen te houden.
Met Ouweneel verheug ik mij in elk teken van groei, met betrekking tot het Koninkrijk van God.
Maar dat er ca. 600 miljoen evangelicalen zijn, waarvan de meesten pre-chiliasten, is voor mij niet bepalend in het gesprek dat we nu voeren. Evenmin als het feit dat er ca 1 miljard rooms-katholieke christenen zijn voor mij het bewijs vormt van de juistheid van de mariologie.
De gezonde leer, als ik deze uitdrukking nog even mag gebruiken, wordt niet bepaald door het aantal en ook niet door de ernst van de gelovigen. Ik licht dit punt er even uit om te kunnen benadrukken dat ik de laatste zal zijn om mijn medechristenen die met de onderhavige punten zijn opgevoed, lastig te vallen. Kortom, om verder te komen zullen we dieper door moeten dringen tot de kernvragen. Gelukkig zijn ook mijn gesprekspartners tot deze conclusie gekomen. Reeds hier wil ik zeggen dat ik er blij mee ben dat het hoognodige gesprek in ieder geval op gang is gekomen en daar wil ik beide broeders hartelijk voor bedanken. Ter afsluiting reageer ik nog op enkele vragen en plaats enkele opmerkingen bij de voorgestelde agenda.
Noodzaak van een systematische bijbelse theologie
Niemand van ons ontkomt eraan dat bij het lezen en interpreteren van de Schrift zijn opvoeding, kerkelijke traditie en theologisch denkkader mee spelen. Tot op zekere hoogte is dat ook niet erg, omdat daardoor ook de rijkdom van de inhoud van de Schrift beter tot openbaring komt. Maar er zijn natuurlijk grenzen. Het is mij opgevallen dat Ouweneel die het punt van de leesbril in zijn reactie wel zeer sterk accentueert, verder niet een weg wijst om op een goede manier met dit gegeven om te gaan. Het mag toch niet de bedoeling zijn om ons achter onze leesbril te verschuilen en de ander van ons af te schermen en monddood te verklaren.
Er zijn toch best wel wat mogelijkheden om de brillen wat meer op elkaar af te stemmen?
Voorwaarde lijkt mij in ieder geval dat ons exegetiseren veel meer een breed systematisch bijbels karakter gaat dragen. Veel werken uit evangelisch/adventistische kringen dragen het kenmerk van wat ik een teksten-theologie noem. Alleen als we 'van binnenuit' zoeken naar een totaalconcept van de bijbelse boodschap omtrent de toekomst, zullen we oog krijgen voor de grondstructuren, de specifieke denkpatronen en de daarbij behorende eigen taal, de samenhang en eenheid.
Alleen op basis hiervan is een goede communicatie mogelijk. Anders leert de ervaring dat we gemakkelijk langs elkaar heen blijven praten.
Het boekje Israël en de Kerk
Is Van Wingerden zich voldoende bewust van zijn eigen theologisch model? Is het verbondsmatig denken minder een 'schema' dan b.v. de bedelingenleer? Vragen die Ouweneel in zijn reactie aan mij stelt. Nu moet ik zeggen dat ik inderdaad geloof dat de figuur van het verbond als gemeenschapsrelatie tussen God en mens diep verankerd ligt in zowel Oud als Nieuw Testament, maar ook dat ik beslist geen behoefte heb aan het principe van een verbondssysteem.
Met de manier waarop Ouweneel dit uitwerkt heb ik grote moeite.
Eigenlijk zouden we bovengenoemd boekje van Ouweneel eens goed met elkaar moeten doorpraten. Als ik het goed zie, komt zijn visie verwoord in deze artikelen nog goeddeels met die in het boekje overeen.
Aan de hand van dit boekje heb ik geprobeerd mij dieper in te leven in zijn manier van theologiseren.
Waar liggen nu de wezenlijke verschillen in het benaderen van de Schrift en in het daarop voortbouwen met een zekere 'geloofslogica'? Soms denk ik dat het voornamelijk een taalkwestie is. Als Ouweneel de aanhangers van de verbondsleer wil kenmerken dan schrijft hij bijvoorbeeld (ik citeer)
'De aanhangers van de verbondsleer redeneren: elke gelovige heiden is een Israëliet geworden' (34)
'Volgens hen is het nieuwe Israël voor God wezenlijk hetzelfde Israël als vanouds' (35)
'Maar als de gelovigen uit de volken geen joden zijn geworden en ook niet als joden hoeven te leven, hoe kan men dan zeggen dat zij bij Israël zijn "ingelijfd"? Hoe kan men bij Israël zijn ingelijfd zonder Israëliet te zijn? Dat is taalkundig finaal onmogelijk' (44)
In deze uitspraken herken ik mijn manier van verbondsdenken niet. Ouweneel hanteert m.i. de verschillende begrippen veel te massief en te rechtlijnig.
Als er Israël staat is dat maar op één manier te interpreteren: het nationale Israël. Ingelijfd worden in Israël kan niet anders betekenen dan jood worden.
Dat Paulus hierbij geheel andere zaken tot uitdrukking wil brengen b.v. het delen in de levenssappen - zegeningen - van de gemeenschap tussen God en Israël of het door Gods genade tot één gemeenschap, één volk van God gemaakt zijn, past niet in Ouweneels uitleg.
Een ander punt is dat Ouweneel het hele leerstellige 'raamwerk' als een van te voren vaststaande theorie poneert en dan een groot aantal teksten in dit 'denkkader' moet persen. Het boekje heeft ook deze structuur. Een paar voorbeelden:
* In Efeze 2 en 3 gaat het volgens Ouweneel niet om de joden en de heidenen, maar de Messiasgelovige joden en de Messiasgelovige heidenen. Hij kan mij er echter niet van overtuigen dat deze inperking recht doet aan de bedoeling van wat Paulus hier schrijft.
* In Romeinen 11 vers 11 e.v. waarschuwt Paulus de heidenen dat er geen enkele reden is zich tegen Israël te beroemen. Men is als heiden geënt op de edele olijfboom. Deze edele olijfboom is Israël. Voor Ouweneel is de olijfboom niet Israël, maar met zijn 'vettigheid' het hele bestel van Gods beloften en zegeningen, zoals Hij die in het O.T. aan Israël geschonken heeft. Met de wortel worden volgens hem waarschijnlijk de beloften aan de aartsvaders bedoeld. M.i. wel een hele omweg in uitleg om het 'geënt zijn in Israël' maar te vermijden.
Jeruzalem is de kerk?
Het is mijn overtuiging dat in Openbaring namen als Israël, Jeruzalem, BabyIon en Egypte een theologische of zo men wil eschatologische betekenis hebben. Ouweneel kan het niet laten de lezers direct te waarschuwen: pas op, de schrijver gebruikt mooie woorden, maar hij bedoelt gewoon de kerkelijke betekenis. Toch deze interpretatie van Ouweneel niet juist. Eerlijk gezegd maakt het mij niet zoveel uit of deze interpretatie kerkelijk is of niet. Het opplakken van etiketten heeft meestal niet zoveel zin. We hebben hier te maken met het feit dat deze namen, afhankelijk van de bedoeling van de schrijver, meer dan één betekenis kunnen hebben. Heel duidelijk wordt in het boek Openbaring voor de eindstrijd de uittocht van het volk Israël uit Egypte als referentiekader gebruikt. Egypte wordt als voorbeeld, als metafoor, gebruikt voor de vijandige macht die tegen God en de bevrijding van zijn volk strijdt. Eenzelfde functie vervullen Babylon en Jeruzalem. Ik geef hier een citaat van prof. Van Genderen 'Jeruzalem behoeft in de taal van dit bijbelboek niet het aardse Jeruzalem te betekenen. 'Jeruzalem en Babel zijn elkaars tegenbeeld. En bij de tegenstelling tussen de grote stad Babylon en de heilige stad Jeruzalem, is Babylon ook niet het historische Babel, maar staat het voor de wereld die van God vervreemd is en door de zonde beheerst wordt' (De Bijbel en de Toekomst, 100).
In het N.T. heeft Jeruzalem nog meer symboolfuncties. Men denke aan het hemelse Jeruzalem van Gal. 4 en Hebr. 12, en aan het nieuwe Jeruzalem van Op. 22. In geen van de genoemde symboolfuncties wordt Jeruzalem met de Kerk geïdentificeerd, als Ouweneel dat zou bedoelen.
Letterlijk of geestelijk? Is er een derde weg?
Of weten zij een derde weg? Deze uitroep van Ouweneel doet hij na het opsommen van een aantal profetieën van het O.T. In vele publicaties over dit onderwerp is er een roep om goed bruikbare hermeneutische regels. De vaak gemaakte tegenstelling tussen of letterlijk nemen of vergeestelijken werkt eerder verduisterend dan dat zij ons echt verder helpt. Ouweneel wijdt hfdst. 5 van zijn boekje Israël en de Kerk aan dit onderwerp. Dr. Hoek gaat kort op enkele concrete teksten in en in zijn benadering kan ik mij goed vinden. Toch wil ik aandacht vragen voor een aantal meer fundamentele beslissingspunten. Dit tevens als bijdrage aan de toekomstige agenda.
1. In het schema 'letterlijk nemen' of 'vergeestelijken' moeten we ons niet laten opsluiten. Het gaat er toch werkelijk om dat de bedoeling en boodschap van de bijbelschrijver wordt verstaan. Als dat een letterlijke interpretatie vereist, dan moet dat ook een letterlijke invulling worden. Maar het punt is dat de toekomstprofetie overwegend gebruik maakt van een eigen taal en dat is beeldtaal. En als we deze beeldtaal letterlijk gaan interpreteren volgens onze westerse abstracte manier van denken, dan krijgen we wartaal. Ik stel dit zo omdat het vaak zo wordt voorgesteld alsof het letterlijk nemen het teken van bijbelgetrouwheid is. Maar n.b. praktisch de gehele openbaringstaal is symbolisch. We spreken over God als over een rots en burcht En wat te denken van de taal van de apostelen. Als er gesproken wordt van Christus die aan de rechterhand van God zit, en een uitdrukking 'tóen we in het vlees waren' en 'onze wandel is in de hemel' enz., dan nemen we dat toch ook niet letterlijk. Of wel soms?
De profeten kunnen niet anders dan gebruik maken van beelden en literaire vormen uit hun eigen tijd en belevingswereld.
2. Dat er met de komst, dood en opstanding van Christus een nieuwe situatie is aangebroken zullen we voldoende in ons denken moeten verdisconteren. Met Hem is niets minder dan 'die Stunde aller Stunden' aangebroken, de dag van heil in de vervullende, eschatologische zin van het woord.
'Toen de volheid des tijds was gekome heeft God zijn Zoon uitgezonden' en 'Zo is dan wie in Christus is nieuwe schepping; de oude dingen zijn voorbijgegaan, zie de nieuwe zijn gekomen'.
Dat dit ingrijpende consequenties heeft voor het verstaan van de profetieën kan niemand ontkennen. Er vindt onmiskenbaar een overgang, verandering en verdieping plaats.
Ik wil hier slechts wijzen op:
1. De wijze waarop in het N.T. de profetieën worden toegepast.
2. De centrale thema's van de brief aan de Hebreeën:
* Het Levitische priesterschap is vervallen
* Een nieuw en beter verbond is van kracht geworden. Het oude wordt obsoleet verklaard.
* De gehele offerdienst is voorgoed afgeschaft vanwege het voldoende offer van Jezus.
Bijzonder is dat de schrijver aantoont dat deze vaak als anti-joods bestempelde gedachten volledig passen binnen de interpretatie van de profetieën. (Ps. 110 : 4, Jer. 31 : 31-34 en Ps. 40: 6-8).
3. Ten slotte nog dit; laten we alstublieft niet méér willen zeggen dan datgene wat de Schrift zegt. Ik mag best zeggen veel over het 1000-jarig rijk gelezen te hebben en dat, in reactie daarop, mijn beeld hierover alleen maar eenvoudiger geworden is. In mijn beleving echter niet minder rijk. Er is toch bijna niemand meer in staat te lezen wat er werkelijk staat? Bijna iedere exegeet begint direct 'te zenden' met wat er zou moeten staan. Wat staat er nu werkelijk over Israël in Rom. 11? Toch 'niet meer' dan dat 'hun aanneming zal zijn als leven uit de doden'. Dat is toch geweldig genoeg. Er is toekomst voor Israël. Maar op welke verrassende wijze God dit gaat invullen, laten we dat aan Hem overlaten.
Ambivalent met betrekking tot de voortgang
Hoek, en in zijn laatste artikel ook Ouweneel, geeft aan dat er behoefte is aan een diepgaande (dogmatische) studie. Toch sta ik hier enigszins ambivalent tegenover. Dat komt omdat ik niet geloof dat de verschillen via een dogmatiek worden opgelost. De problematiek is zowel eenvoudig als uiterst complex, omdat ten diepste de beslissingen niet vallen op het vlak van de verbonds- of de bedelingenleer, maar op onze 'invoelbaarheid' bij het interpreteren van de Schrift. Bovendien, wat zal het resultaat hiervan zijn? Meer duidelijkheid die de ander moet overtuigen? Maar stel dat of Hoek of Ouweneel om zo te zeggen 'omgaan'. Verwachten we dan dat de hele rooms-katholieke, gereformeerde, luthersche en orthodoxe traditie enerzijds of adventistisch/evangelische traditie anderzijds zich daaraan iets gelegen zullen laten liggen? Mijn insteek is dan ook een andere. Het is tegenover mijn eigen geloofsgenoten, die denken in de hier aan de orde zijnde leringen de waarheid gevonden te hebben, dat ik wil zeggen: Wacht even broeders en zusters, jullie hebben veel uit te leggen. Misschien dat mijn eigen geloofsgenoten deze attitude te open vinden, maar het is mij veel waard de gehele christenheid dicht bij Christus te houden.
Hendril-Ido-Ambacht A. van Wingerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's