Van clerus minor tot kerkelijk werkers
In de serie over de opleiding tot en het werk van kerkelijk werker volgt nu een artikel waarin een beknopt historisch overzicht staat van de 'status' van de kerkelijk werker.
Er zijn vele mensen die in de kerk werken. De term kerkelijk werker wordt echter specifiek gebruikt voor een categorie beroepskrachten met een lagere opleiding dan predikanten. Al vanaf de Reformatie is er naast het ambt van predikant een 'clerus minor' (lagere geestelijkheid) geweest: minder opgeleid en lager betaald. In vogelvlucht wil ik de ontwikkeling van het beroep van kerkelijk werker beschrijven. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen drie hoofdtypen.
De kleine zelfstandige
Een eerste type kerkelijk werker lijkt sterk op de predikant. Het is een kleine zelfstandige, die min of meer functioneert als voorganger van een gemeente. Dit is binnen de kerken van de Reformatie niet de normale situatie. Daar is vanaf het begin veel aandacht gegeven aan de wetenschappelijke opleiding van predikanten, de dienaren des Woords. Overigens is er enige ruimte gebleven om predikant te worden op grond van 'bijzondere gaven' (artikel 8 van de Dordtse kerkorde). Later, na de Afscheiding van 1834, werd dit in bepaalde kring zelfs regel: scholing was niet zo nodig; het gaat om de roeping tot predikant en de erkenning hiervan.
Predikanten echter kunnen niet al het werk alleen doen. Al in de zeventiende eeuw is er sprake van mensen die predikanten ondersteunen bij hun werk of zelfs geheel vervangen. De bekendste hiervan is de ziekentrooster, die met de zeelieden meegaat op hun maandenlange wereldreizen. In de negentiende eeuw begint de bevolking in ons land sterk te groeien. Veel dorpjes waren tot die tijd te klein voor een eigen predikant. Nu krijgen zij een evangelist of hulpprediker, die veelal gewoon het werk van de predikant doet, maar geen sacramenten mag bedienen. In onkerkelijke streken van ons land worden in de eerste helft van de twintigste eeuw evangelisatieposten gesticht (hier lag ook het begin van de IZB). Pas later zijn deze evangelisatieposten omgezet in zelfstandige gemeenten, met eigen predikant. Veel hulppredikers zijn na verloop van tijd via overgangsregelingen toegelaten tot het predikantschap: op grond van hun jarenlange ervaring waren deze 'eerwaarde heren' op weinig punten meer te onderscheiden van de predikanten. De (Nederlandse Hervormde) kerk heeft deze overgangsregelingen inmiddels definitief geblokkeerd, maar ook nu blijft er vraag naar kleine zelfstandigen, met name vanuit kleine gemeenten en diverse zorginstellingen. Recente SoW-besluitvorming over 'vicariaat' en 'geestelijke verzorging' heeft hiervoor weer ruimte geboden. De uitwerking komt op de triosynode van november a.s. aan de orde.
De assistent
Een tweede type kerkelijk werker is de assistent van de predikant. Wij spreken hier meestal over de bijstand in het pastoraat, de pastoraal werker en de catecheet. Zij worden ingeschakeld als de gemeente groeit, om de predikant te ondersteunen. Helaas komt het tegenwoordig ook voor bij krimpsituaties: een parttime kerkelijk werker neemt dan soms de plaats in van een fulltime predikant.
Al ruim voor de Tweede Wereldoorlog werden beroepskrachten aangesteld als assistent in de gemeente. Een veelgebruikte benaming was godsdienstleraar. Hoofdtaken waren het verzorgen van catechese en pastoraat. In sommige gemeenten zat hier zelfs een richtingenstrijd achter: een aantal dissidente gemeenteleden zocht een eigen godsdienstleraar, los van de kerkenraad. Maar in veel gevallen ging het gewoon om een assistent voor de predikant, die het vele werk alleen niet aankon. Vaak is er sprake van parttime banen. Deze kerkelijk werkers doen hun werk veelal in nauw overleg met de plaatselijke predikant, die de eindverantwoordelijkheid voor het pastoraat blijft dragen.
In een aantal gemeenten is de pastoraal werker een overgangsfunctie, in afwachting van verdere groei van de gemeente. Op den duur hoopt men een nieuwe predikantsplaats te kunnen stichten. Regelmatig wordt deze verlegenheidsoplossing permanent, of omdat een predikantsplaats niet haalbaar is, of omdat men ontdekt dat een combinatie van predikant en kerkelijk werker zelfs meer voor- dan nadelen heeft. De groei van het aantal assistenten heeft waarschijnlijk ook te maken met de veranderingen in onze samenlevingen de daaruit voortvloeiende toenemende werkdruk van predikanten (mondiger catechisanten, complexer wordend pastoraat, meer pastorale vragen). Niet alleen voor zakelijke dienstverlening, ook voor geestelijke zorg wordt een professionele opleiding gevraagd.
De specialist
Toenemende onkerkelijkheid, sociale problemen en een herlevend zendingsbewustzijn (het Reveil) doet in de negentiende eeiiw een nieuw soort werkers in de kerk Ontstaan: de evangelist. In de grote steden lag een nieuw werkterrein voor de kerk onder mensen die van het evangelie vervreemd waren. Al snel kwam ook de zending in het vizier: evangelisatie buiten de eigen landsgrenzen. Dit specialistische werk werd niet op de universiteit geleerd. Dit type kerkelijk werkers had een geheel eigen gezicht. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden nog meer specialismen in het kerkelijk werk. De welvaart in ons land en de daaraan gekoppelde uitbouw van activiteiten (de verzorgingsstaat) leidde tot de komst van de jeugdwerker, de diaconaal consulent, de missionair-diaconaal werker etc. Omdat hun werkzaamheden direct of indirect met de kerk verbonden zijn, gaat het hier ook voluit om kerkelijk werkers. Hun specialisatie vraagt zowel theologische als praktische kennis. Veel gemeenteleden doen eerst ervaring op als vrijwilliger in dit werk, waarna zij besluiten hiervoor een speciale beroepsopleiding te gaan volgen.
Drie soorten opleidingen hebben hiervoor hun diensten aangeleverd. Uniek was de WIKA-opleiding (werkers in kerkelijke arbeid, 1945-1966). Vanuit de apostolaatstheologie wilde de Nederlandse Hervormde Kerk haar roeping vervullen in de samenleving; De behoeften op het terrein van vrijetijdsbesteding, arbeidspastoraat en recreatie en het probleem van de ontkerkelijking vroegen om specialisten. Specifiek voor WIKA's waren hun (te) hoge verwachtingen en was ook het feit dat de kerk zelf (via het instituut Kerk en Wereld) als werkgever optrad. Daarna kwamen (eind jaren '60) de bijbelscholen op. Kenmerkend was de opleiding in internaatsverband, de praktijkgerichtheid, maar ook de evangelische inslag. Vanuit onze kring hebben velen via De Wittenberg (voorheen Reformatorische Bijbelschool) in Zeist de weg gevonden naar evangelisatie, zending, jeugdwerk, godsdienstleraarschap of werk in de gemeente. Vanaf de jaren '80 kunnen kerkelijk werkers opgeleid worden aan hbo-opleidingen in de richting Godsdienst Pastoraal Werk (afgekort: GPW). De SoW-kerken erkennen op dit moment vijf hbo-opleidingen, waaronder onze opleiding in Ede; waarvan de afgestudeerden zich mogen inschrijven in het register van kerkelijk werkers. Binnen de GPW-opleidingen wordt een basisopleiding theologie geboden, waarnaast enige specialisatie mogelijk is (momenteel in Ede: gemeentewerk, missionair-diaconaal werk of jongerenwerk).
Evaluatie
De geschiedenis van het kerkelijk werk laat een aantal accentverschuivingen zien. Naast de kleine zelfstandige is de assistent gekomen. Gezichtsbepalender is echter de tendens naar eigen specialisaties: de kerkelijk werker krijgt meer en meer een eigen gezicht. Het takenpakket wordt steeds breder. In de toekomst zal ongetwijfeld 'gemeente-opbouw' hier ook een onderdeel van worden.
Met de toename van het algemene opleidingsniveau in Nederland is ook de opleiding Kerkelijk Werk geprofessionaliseerd. GPW is een beroepsopleiding op theologisch terrein, de ook door de overheid erkende hbo-variant van de bijbelschool.
Tegelijk is het imago van de kerkelijk werker veranderd: geen eerwaarde heer, maar een gewoon gemeentelid met scholing. Een jeugdiger imago, soms zelfs een vrolijke Frans. Minder verandering is er te vinden in de motivatie: het verlangen om God en de gemeente te dienen met eigen talenten. De akker is groot en vele gemeenten weten hierbij kerkelijk werkers in te schakelen.
Veenendaal T. van de Lagemaat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's