De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De belijdenis een open monument

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De belijdenis een open monument

Symposium over de belijdenis in Gouda

19 minuten leestijd

Op zaterdag 30 september ll. werd op De Driestar te Gouda een symposium gehouden over de belijdenis, dit naar aanleiding van wat prof. dr. C. Graafland daarover recent te berde bracht. Er waren twee referaten, t.w. van prof. dr. A. van de Beek en ondergetekende, met daarbij twee coreferaten van resp. ds. C. J. Meeuse, predikant van de Gereformeerde Gemeenten te Nunspeet en ds. P. L. de Jong, hervormd predikant de Rotterdam. Bijgaand treft men de lezing van ondergetekende.v. d. G.

Graaflands korte artikel in Wapenveld was een steen in de vandaag overigens toch al niet rustige vijver. De golven gingen hoog. Maar, zoals altijd, ze worden kleiner als de afstand tot het epicentrum groter wordt. Daarom ben ik blij met deze dag van bezinning, nu we rondom de kwestie, waar het Graafland om gaat, in wat rustiger vaarwater zijn gekomen en we alle reacties ook kunnen overzien, met daarbij ook de nadere verklaring, die Graafland gaf in drie artikelen in het Nederlands Dagblad, in antwoord op zijn critici.
Ik behoor tot degenen, die het eerst en dus primair reageerden. Gevraagd is mijn reactie hier nader uit te werken. Ik reageerde op Graaflands ontboezemingen onder de wat uitdagende titel Graafland opnieuw een bocht om. Graafland, zelf 'uitdagend gereformeerd', kan daar tegen. Het is eigen aan een beweeglijk theoloog, als hij zelf ook is, om telkens bochten te nemen. Graafland zei dat ooit van wijlen H. Berkhof. Welnu, Graafland is uit hetzelfde hout gesneden. Intussen houdt hij ons allen bij de les van gereformeerd zijn vandaag. Dat het dan af en toe botst, moet hem en ons niet verwonderen. Onrust in de vijver kan intussen heilzamer zijn dan stilstaand water, dat aan bederf onderhevig is.

De zaak
Ik vat eerst samen wat ik in mijn eerste reactie schreef. In mijn zoektocht van Graafland om gereformeerd (en) bij de tijd te blijven, zette zich al eerder zijn kritiek in op de gereformeerde belijdenis, met name op de Dordtse Leerregels; het laatste vooral vanwege de dubbele predestinatie en de 'scholastieke' benadering van de verkiezing. Mijn vraag was of Graaflands kritiek niet vooral wordt ingegeven door de 'woekeringen en stollingen', die in de loop van de jaren zijn opgetreden. In de veelvoud van gereformeerde kerkelijke denominaties zijn er korsten van eigen, kleine traditie omheen gekomen. Dat geldt met name de kwestie van verbond en verkiezing. De belijdenis is in de praktijk vervallen tot deelgebieden en bedekt met stof van de traditie.
Als Graafland nu terug wil naar de Schrift is dat puur reformatorisch. De belijdenis wil en doet niet anders (art. 2 t/m 7 NGB). De belijdenis zegt niet alles, wel 'in principe alles', dit vanwege de verwijzing naar de Schrift als norm voor geloof en leven. Ik citeerde G. Boer uit diens (voor mij) veelbetekenende lezing op de conferentie van het COGG in 1964, waarin deze zei, dat alles wat in de belijdenis voorhanden is en 'niet of nog niet of niet meer' in de prediking van nu wordt verkondigd als 'de schat van het Evangelie', kerkelijk bezien 'slapend bezit' wordt, wat zich uitbreidt tot vergeten bezit, bestreden bezit en uiteindelijk geëlimineerd bezit. De belijdenis moet levend bezit zijn, geen dode leer. Maar Boer zei ook, dat de Geest voortgaat om 'het onuitputtelijke Woord aan de gemeente te verklaren' en spreekt daarbij over 'verrijking van het belijden', die niet steeds in schriftelijke vorm behoeft te worden vastgelegd. Hij vindt echter ook, dat de prediking niet kan 'zonder de ruggensteun en de begeleiding van de door de kerk aanvaarde belijdenis'. Zo is, naar het mij voorkomt, de belijdenis inderdaad levend bezit, open naar de toekomst.

                * * * 

Graaflands vraag of er aan het belijden nieuwe elementen kunnen worden toegevoegd beantwoordde ik bevestigend. De belijdenis vraagt in elke tijd, evenals het Woord trouwens, waaraan de belijdenis hangt, eigentijdse actualisering. In elke tijd kunnen uit het Woord specifieke woorden oplichten, die in andere tijden onderbelicht bleven. De vraag is echter of we buiten de verworvenheden van de kerk der eeuwen om, dat wil zeggen buiten het dogma om en zo ook wat gereformeerde christenen betreft buiten de gereformeerde belijdenis om, puur terug kunnen naar het Woord?

Nadere verklaring
Ik verklaar me nu nader, mede op grond van wat Graafland over mijn reactie schreef. 'De woekeringen kunnen me gestolen worden', schreef ik. Of ik er dan eens een paar wilde noemen, vroeg Graafland. Welnu, daar wil ik helder in zijn. Ze raken geheel en al de kwestie van verbond en verkiezing. Van Ruler heeft de leer aangaande de verkiezing het drama in de gereformeerde traditie genoemd. Dat beaam ik. Vaak heeft een verkiezingsleer, een verkiezingsidee zich gesteld in plaats van het heilzame geloof in God, die in Christus een verkiezende God is (Ef. 1 : 4). Een verkiezingsleer werd vaak tot blokkade voor het gelóóf, waardoor het ook ging mankeren aan zekerheid des geloofs, gefundeerd in Gods onvoorwaardelijke beloften.
Het Evangelie wordt verduisterd, wanneer en omdat verkiezing niet meer als Evangelie wordt gepreekt en beleefd. Noodlotsgedachten hebben hier soms zelfs letterlijk mensenlevens geëist. Terug naar de klare bronnen van de Reformatie lukt dan al nauwelijks meer, omdat dat via de woekeringen gebeurt. Prof. dr. J. Blaauwendraad heeft dunkt mij, tot tweemaal toe een te waarderen poging gedaan, om het goud van de Reformatie onder het stof van woekeringen en stollingen vandaan te halen. Wat hij te berde bracht reikt verder dan de kerkelijke kring, waartoe hij behoort. Daartegen werd dan ook van verschillende zijden de kerkleer of een eigen leersfeer in stelling gebracht. In feite wordt opgetornd tegen het beloftekarakter van het Evangelie. Het verbond en de toezeggingen van God staan onder de beheersing van de verkiezing. Ik ben door de kritische reacties op Blaauwendraad telkens mismoedig geworden, omdat er zo weinig hoop voor elke jonge generatie, die aantreedt, in doorstraalde.

               * * *

In de traditie van de Reformatie is er mankgang gekomen, omdat gelopen wordt op het ene been van de verkiezing, en dan ook nog niet eens op het been van verkiezingsgelóóf maar van een verkiezingsleer. Ik realiseer me, dat mankgang ook plaatsvindt als het verbond tot een idee of systeem wordt. Verkiezing en verbond kunnen beide stollen in stelsels en niet meer levend, door de Geest tot leven gewekt bezit zijn. Alleen in de geloofsmatige omgang met de beloften, die zijn gelegen in Gods verbond én in Gods verkiezing, als genadige toewending naar de mens en in de presentie van de Heilige Geest, komen we de woekeringen te boven. Ik hoop dat ik in deze duidelijk ben.

Belijdenis zelf?
Bij Graafland gaat het echter toch om meer dan de vergroeiingen. In zijn nadere verklaring stelt hij, dat zijn critici hem niet hebben begrepen, als ze hem verwijten dat hij de belijdenis terzijde stelt. Ik meen hem goed te hebben begrepen als ik zijn visie samenvat in de door hem zelf aangegeven these: dwars door de belijdenis heenkruipen in een bijbels-kritische dialoog. Zijn nadere verklaring is hier overigens duidelijker dan zijn artikel in Wapenveld, waarin hij toch de indruk wekte de belijdenis (al is het maar voor een poosje) opzij te willen zetten. Ik heb dunkt mij voldoende duidelijk gemaakt, dat ik de artikelen 2 t/m 7 van de NGB volstrekt serieus neem en op grond daarvan zeg, dat het Woord meer is dan de belijdenis. Maar als de belijdenis onder verlichting van de Heilige Geest is ontstaan, mogen we er dan ook niet van uitgaan, dat de Geest staande houdt wat onder Zijn leiding is uitgewerkt in de kerk der eeuwen? Moet Graafland, consequent gedacht, zijn these inzake de gereformeerde belijdenissen dan bovendien ook niet doortrekken naar het dogma van de kerk der eeuwen, vertolkt in de oudchristelijke belijdenissen?

Dordt
Maar wat ik Graafland zou willen vragen is of het hem echt lukt en of het ons lukken zal onbevangen door de belijdenis heen terug te kruipen naar het Woord, in wat hij noemt een tweede naïviteit. Ik zou ook willen dat het kon. Maar begint Graafland toch ook al niet met vooringenomenheid aan die zoektocht? Hij begint die toch ook met een bepaalde visie op de belijdenis?! Ik denk dan met name aan zijn kritiek op Dordt. Omdat die kritiek bij hem zo'n voorname plaats inneemt - meer dan op de NGB en de Heidelbergse Catechismus - ga ik hier even expliciet op in. Laat ik vooropstellen, dat het karakter van de Leerregels anders is dan dat van alle andere belijdenissen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus handelen over een veelvoud van thema's, vatten de herontdekking uit de Schriften van de Reformatie samen. En de oudchristelijke belijdenissen zijn kort, of ze nu inzake meerdere thema's belijden of over slechts één thema (bijv. Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mens). Waarom is het niet gelukt om tegenover de dwaling van de Remonstranten kort en krachtig te belijden, zoals dat in de belijdenis van Nicea is geschied ten aanzien van de twee naturen van Christus? De D.L. hebben meer dan welke andere belijdenis ook het karakter van een uitgebreid verweerschrift inzake één thema.

               * * *

Ik moet bekennen dat ik daarom geneigd ben de D.L. geconcentreerd, gecondenseerd tot op de kern te lezen. Graafland heeft mij wel eens tegengeworpen dat ik de Leerregels altijd citeer in de bevindelijke gedeelten (bijv. inzake de wedergeboorte, III, -IV, 12, 13). Dat is ook zo. Maar liever zeg ik, dat ik de Leerregels lees vanuit haar begin en haar einde: het beloftekarakter van het Evangelie en de waarschuwing om verkiezing en verwerping niet scholastisch en niet op dezelfde wijze te benaderen, omdat dat de twijfel voedt. Het begin: Waar God 'goedertierenlijk' verkondigers van het Evangelie ('zeer blijde boodschap') zendt 'tot wie Hij wil en wanneer Hij wil', daar begint de verkiezing: 'Om mensen te roepen tot bekering en geloof in Christus, de Gekruisigde'. (1, 3). Wie het Evangelie niet gelooft blijft onder de toorn, wie het aanneemt en 'De Zaligmaker Jezus Christus met een waarachtig en levend geloof omhelst' wordt verlost van de toorn (1, 4).
En het einde: de Verkiezing is de oorzaak en de Fontein van het geloof, waarbij wordt beleden, dat het een dwaling is te menen, dat het bloed van Christus, de Doop en het gebed der kerk bij de doop, de kinderen van de gelovigen niet baten kunnen (Besluit). Tussen dit begin en einde belijden de Leerregels de verkiezing als genade. Ik heb daarom nooit zo'n moeite gehad met de Leerregels als Graafland heeft. Ze zijn toch een uitvloeisel van het rotsvaste geloof in de verkiezende God, zoals dat in de Reformatie weer aan het Licht werd gebracht. Van Niftrik zei ooit dat onze vaderen op grond van dit geloof in de verkiezing als pure genade, de tachtigjarige oorlog hebben kunnen winnen. Naar mijn overtuiging kunnen we ook vandaag dit gereformeerde belijdenisgeschrift niet terzijde stellen en toch nog gereformeerd heten. Als Graafland door de belijdenis wil heenkruipen naar het Woord, en hij bedoelt daarmee niet de belijdenis opzij te zetten, dan ook door deze belijdenis heen.
En lukt dat nog puur? Staan we dan niet allen in een vooringenomen positie, want in eigen traditie?

Open
Ik kom nu op een tweede moment in het gesprek met Graafland. Dat betreft de openheid van de belijdenis naar de toekomst. Graafland heeft er zich over beklaagd dat zijn critici hem niet altijd goed hebben begrepen. Ik heb reden dat naar Graafland toe te zeggen inzake mijn eigen visie. Bij mijn terugtreden als algemeen secretaris van de GB, typeerde hij mij als een man van 'de status quo' (RD). Hij grondde dat mede op wat ds. Jan Maasland had gezegd in de briefwisseling, die we voerden in het blad Koers. Hij zei toen de helft van wat Maasland zei, omdat deze eraan toevoegde, dat hij wist dat voor mij de belijdenis geen formeel, afgesloten document was. Maasland zei eerst, dat de belijdenis als zodanig voor mij een status quo was en schreef daarbij: 'Dat ligt vast: we hebben er de historische stukken van op tafel liggen. We zijn, eens en voor altijd, waar een historische gebeurtenis ons heeft gebracht. Ik bedoel: de Reformatie van de zestiende eeuw. En als ik dit zo schrijf, weet ik tegelijk dat ook jouw visie op de belijdenis de nodige nuanceringen kent'.
In mijn laatste brief aan Maasland werkte ik die nuanceringen uit en typeerde ik met ds. C. Blenk de belijdenis als een open monument. In de belijdenis is niet alles gezegd. Er zijn vandaag elementen, die in de belijdenis niet aan de orde zijn, en die vandaag om actueel belijden vragen. Ik noemde Israël, de geestelijke gaven of charismata, gerechtigheid in de verhoudingen tussen mensen, het rentmeesterschap, de machten, de toekomst. Ik heb het diepe verlangen, dat de kerk - maar helaas moet ik zeggen de kerken (meervoud) en daar ligt de blokkade - komen tot eigentijds belijden inzake thema's als deze.
Ik denk, overigens met Graafland, allereerst aan Israël. Van Gods doorgaand handelen met Israël als volk van verbond en belofte was in de tijd van de Reformatie nog geen vermoeden. De kerk was in de plaats van Israël gekomen. De Geest heeft de ogen geopend voor Gods voorgaand handelen met Israël. Zonder Israël is ook de kerk niet volgroeid.
Met betrekking tot de geestelijke gaven openen de evangelicals ons vandaag er de ogen voor dat de Schrift rijker is dan de belijdenis. Wanneer we belijden, dat de Schrift niet tijdgebonden is, moeten we de geestelijke gaven, waarover het Nieuwe Testament veelvuldig spreekt, ten volle honoreren en mogen we deze niet tot tijdgebonden verklaren. Dat zou pas ongereformeerd wezen. G. Boer trok hierin ook heldere lijnen en trad daarmee buiten de paden van wat in de belijdenis voorhanden is.
Ik denk aan het rentmeesterschap, nu we bezig zijn de bronnen van de schepping uit te putten.
Ik denk aan de machten, die zich in elke tijd in andere gedaante voordoen. Kennelijk moet echter, om inzake concrete machten, die zich manifesteren, te belijden, de nood der tijden hoog stijgen. Ik denk aan de tijd van het Nationaal Socialisme toen de Duitse Bekennende Kirche kwam tot een krachtig belijden tegenover de eigentijdse machten in de Barmer Thesen. De Barmer Thesen zijn weliswaar meer dan welke belijdenis ook, gedateerd maar ze zijn exemplarisch voor nu. En daarom hebben ze wat mij betreft een plaats in de kerkorde voor een verenigde kerk.

               * * *

We zijn, zolang Christus vertoeft te komen, met de gereformeerde belijdenis nog niet aan een eind gekomen. Zouden we dit beweren, dan vervallen we in confessionalisme en traditionalisme en miskennen we, dat de Geest wegen schrijft in de tijd (J. P. Versteeg). Intussen - ik duidde er al op - belet de kerkelijke verdeeldheid eigentijds kerkelijk belijden. Ieder heeft daarbij eigen confessionalistische trekken. Het maakt onze machteloosheid uit. Dan moeten we ons er niet over verwonderen, dat de evangelicalen het heft in handen nemen en momenten uit de Schrift, zonder belijdenis, laten oplichten waaraan in deze tijd, bewust of onbewust, behoefte bestaat.

Exclusief
Ik meen mijn positie in de belijdenis zo voldoende te hebben duidelijk gemaakt. Een belijdende kerk kan niet zonder belijdenis. Dat brengt me nog eenmaal tot de verhouding van de Schrift en de belijdenis. Graafland zegt in zijn nadere verantwoording, dat alleen het Woord exclusief is. Wie zou dat durven ontkennen? Het is ook de grond van de gereformeerde belijdenis: Sola Scriptura. Het Schriftberoep in de belijdenis is sterk. Het lijkt een simplificatie dat zo nog eens te zeggen. Graafland grijpt terug op Luther en Calvijn, die de claritas en perspicuitas van de Schrift hebben beleden. De opstellers van de belijdenisgeschriften deden niet anders. Als dat de tweede naïviteit is, die Graafland bedoelt, kan hij bij ieder, die voluit gereformeerd wil zijn, op instemming rekenen. W. J. Ouweneel ging overigens op het symposium, dat enkele weken geleden hier in Gouda werd gehouden, nog een stap verder en zei, dat we vandaag de Schrift nog weer van de grond af aan zouden moeten lezen. Kan dat en moet dat? Mogen we niet ook op de schouders van het voorgeslacht staan? Zouden we echt alles moeten overdoen wat de kerk der eeuwen uit het Woord heeft opgediept? Is er toch niet naar de Schriften 'de heilige leer', die onder illuminatie van de Geest uit de Schriften is opgediept? Ooit vroeg L. Praamsma in zijn Met de kerk van alle tijden aan de Gereformeerde Kerken, toen deze wat de belijdenis betreft op drift raakten, om dan aan te geven op welke punten de belijdenis afweek van de Schrift. Ik zou het vandaag met hem willen vragen.

               * * *

Het kan en mag echter lijden om de belijdenis voortdurend tegen het licht van de Schriften te houden, om te speuren of het Woord in concreto meer geeft dan de belijdenis en om haar in het heden te actualiseren. Dat geldt met name toch ook in de prediking van de Heidelberger? Graafland geeft eigenlijk op dit punt ook al aan, dat hij de belijdenis niet wil afschaffen. Want als ik hem goed begrepen heb, waardeert hij het wanneer in de prediking van de Heidelberger deze tegen het licht van de Schrift wordt gehouden, om haar zo ook vandaag te toetsen maar vooral ook doorzichtig te maken tot óp de Schriften. Actuele prediking van de Heidelberger is geen herhaling van leerzetten maar 'de enige troost' bieden in de Sitz im Leben van mensen. Maar intussen is de belijdenis naar haar aard ook leesregel voor de Schrift. De belijdenis houdt zichzelf ook de norm voor. Dat moet, gezien het feit dat altijd weer andere bronnen voor geloof en leven dan de Schrift worden aangeboord, bij herhaling worden gezegd.
Geen enkele belijdenis kan dan ook ooit exclusief zijn. Elke belijdenis is in een concrete context ontstaan. Exclusiviteit van een belijdenis zou betekenen miskenning van wat onder verlichting met de Heilige Geest in andere tradities naar het Woord is beleden. Het Woord alleen is exclusief. Maar wie voluit gereformeerd wil zijn - de onderscheiding tussen exclusief en voluit gereformeerd is van mijn coreferent ds. P. L. de Jong - kan naar mijn oordeel niet zonder de ruggensteun van de belijdenis.

Spiritualiteit
Ik kom nu tot het laatste van wat ik zeggen wil in het korte tijdsbestek, dat elk van de sprekers is toebedeeld. Ik duid dat grofweg aan met het in onze tijd beladen woord spiritualiteit. Een louter juridisch-leerstellige hantering van de belijdenis heeft niet zelden schade aangericht in de kerk. De belijdenis louter als stok om te slaan. Ze is echter ook staf om te gaan, samenvatting van de heilige leer in de Schriften, en niet minder lied om te zingen.
De belijdenis wil toch vooral geloofsbelijdenis en niet léérbelijdenis zijn?! Maar heeft dan ook niet de gereformeerde belijdenis als geloofsbelijdenis een eigen, in de Reformatie ontdekte, herontdekte, diep bijbelse spiritualiteit? Wie in de traditie van de gereformeerde belijdenis is opgegroeid en zich deze innerlijk heeft eigen gemaakt, komt daarvan niet meer los, het stempelt het geloofsleven op eigen wijze. Daar ontkom ik niet aan, daar ontkomt Graafland niet aan. Maar ik wil er ook niet aan ontkomen. Ik zou niet gereformeerd zijn zoals ik het ben als ik niet door de belijdenis heen op het Woord geworpen was. En Graafland is zijn leven lang ook zo met de gereformeerde traditie, en daarin met de gereformeerde belijdenis bezig geweest, dat het hem in het bloed zit. Vandaar misschien ook zijn gevecht of worsteling ermee. Als ik eerlijk ben moet ik overigens zeggen, dat ik Graafland zelf meer in gevecht zie met wat de belijdenis inzake geloofsthematiek belijdt dan dat hij bezig is met thema's, die niet beleden worden. Dat is jammer.

               * * *

Weer moet ik echter zeggen, dat de geloofsinhoud van de belijdenis onder aanvechting van woekeringen in de traditie staat. De prediking van de Heidelberger bijvoorbeeld kan de geloofsinhoud achter een Vorstufe doen schuil gaan, zodat het maar de vraag is of de inhoud ervan wel echt voor de hoorders bedoeld is of slechts voor een kleine selectie. En dat terwijl de Heidelberger ooit in de traditie van de Reformatie geloofsleer was voor kinderen.

Lied
Gereformeerd zijn is het telkens opnieuw worden. Dat houdt ook in de aha-erlebnis bij de ervaring van de genade, die in de gereformeerde belijdenis centraal staat en ook haar spiritualiteit uitmaakt. De prediking moet, zo heet het, bevindelijk zijn. Alsof het om moeten gaat. Nog nooit heeft iemand een deugdelijke definitie van bevinding kunnen geven. Hoe zou het ook kunnen? De Geest waait waarheen Hij wil, zo is het met ieder die uit de Geest geboren is. Bevinding is echter wel doorleefd geloof. Zo is de belijdenis in mijn beleving Geestdoorademd, voluit spiritueel. De belijdenis is bevindelijk en bevindelijk genoeg. 'Dat zit hier' zei ooit prof. dr. J. Severijn in de Nieuwe Kerk in Amsterdam ten aanhoren van de kerkelijke upperten net na de Tweede Wereldoorlog, en hij bonsde met de vuist op zijn hart. De belijdenis is niet alleen gestempeld door het Sola Scriptura maar ook door het Sola Gratia en het Sola Fide. Daarin heeft gereformeerde spiritualiteit een eigen karakter. Het gaat dan om het 'geloven met het hart'. Dat maakt de religie van de belijdenis uit. Naar mijn waarneming is de gereformeerde orthodoxie in ons land orthodoxer geworden, leerstelliger ten koste van het bevindelijke als we die tenminste duiden als religie van de belijdenis. De belijdenis moet niet worden gepreekt, al mag het leerelement in de prediking niet ontbreken. Maar als naar de Schrift en de belijdenis wordt gepreekt zal de belijdenis ook een spirituele leesregel voor de Schrift zijn, omdat de Schrift in haar spirituele inhoud ook zozeer de belijdenis zelf heeft gestempeld. En dan zeg ik met L. Kievit, door Graafland met instemming geciteerd, dat het niet gaat om het schema maar om het thema.

               * * *

Het dogma is lied van de kerk der eeuwen. Wanneer in de omgang met de belijdenis en in de prediking naar de belijdenis het lied verstomt, dan moeten we er rekening mee houden, dat elders zonder belijdenis het lied wordt gezongen en dat dit z'n eigen aantrekking op mensen in de kerk zal hebben. Dat lied mag dan intussen best een eigen wijs, een eigentijdse toon hebben. Maar toch is het ook altijd weer hetzelfde liedje: de enige troost in leven en in sterven.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De belijdenis een open monument

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's