De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

Uit de inleiding van Honderd jaar Nobelprijspoëzie (uitgave Meulenhoff, Amsterdam), het volgende over de oorsprong van de Nobelprijs:

'(...) we schrijven 2 januari 1897. Het Zweedse dagblad Nya Dagligt Allehanda brengt als eerste het sensationele bericht dat er in de nalatenschap van de bekende dynamietfabrikant en pacifist Alfred Nobel (die op 29 december 1896 is overleden) een velletje papier is aangetroffen met daarop de mededeling dat het grootste gedeelte van zijn immense vermogen in een beleggingsfonds moet worden gestort. De rente hiervan zal jaarlijks worden bestemd als prijzengeld voor hen die in het voorafgaande jaar op het gebied van de natuurkunde, de scheikunde, de geneeskunst, de vrede en de letterkunde "de mensheid het meest tot nut" zijn geweest. Voor de letterkunde wordt daarmee bedoeld: "de persoon die in de literatuur het voortreffelijkste werk in idealistische richting heeft voortgebracht". De eerbiedwaardige Zweedse Academie in Stockholm zal de literatuurprijs jaarlijks toekennen.
Het duurde vijf jaar voor de uitvoerders van dit testament alle rechtszaken met Nobels verbijsterde nabestaanden achter de rug hadden en de moeizaam tot stand gebrachte statuten van de Nobelstichting van koningswege waren goedgekeurd. Maar in 1901 konden de prijzen dan toch daadwerkelijk uitgereikt worden. Voor de literaire bekroning was bepaald dat de eerste winnaar een Fransman moest zijn - dit om Frankrijk te eren, aangezien Alfred Nobel zijn testament in Parijs had opgesteld. En omdat Nobel het naturalistische werk van de bekendste Franse schrijver van dat moment, Emile Zola, ooit "smoezelig" had genoemd, werd A. Sully Prudhomme (1839-1907) "uit waardering voor zijn dichterschap, dat van verheven idealisme en artistieke volmaaktheid blijkt geeft" de eerste schrijver op de "lijst van gekozenen voor de roem".'

               * * *

Dezer dagen bestond het Delftse dispuut Johannes Calvijn, het eerste dispuut van de reformatorische studentenvereniging CSFR, 50 jaar. Drs. A. van der Schans, leraar aan De Driestar, nam de lustrum vierenden even 50 jaar mee terug in de tijd. Zijn verhaal is opgenomen in de gedenkbundel 'Zoals wij zijn, zo zullen de tijden zijn'. Hier volgt het fragment:

'Misschien kunnen enkele voorbeelden "uit het leven gegrepen", ons het beeld van de tijd(geest) van de eerste generatie dispuutsstudenten nog beter doen oplichten dan het (weer)geven van de zoveelste schets van de "wording van de moderne samenleving".
Ze, de eerste dispuutsstudenten, hadden nog geen auto, parkeerproblemen, tv, allochtone buren, collegevrije zaterdag of aardgas. Ze gingen nooit buiten de deur eten, dachten niet aan het milieu en gingen niet of nauwelijks onder de douche. Hun opa's kenden geen AOW, één op de vijf vaders werkte in de landbouw. Ze lazen in de Libelle en de Margriet dat het kijken naar een andere man op een verjaardag als een vorm van overspel beschouwd werd en hoorden dat in 1954 de eerste autosnelweg in gebruik genomen werd. Ze vergaapten zich aan het verschijnen van de Russische Spoetnik in 1957 en de eerste DAF in 1959. Ze hoorden dat een aantal SGP-ers tegen de invoering van de vrije zaterdag in 1962 was. Ze keken er nauwelijks van op dat elke vrouw in Nederland voor de wet nog handelingsonbekwaam was.
Enkele studenten reden voor het eerst van hun leven op een bromfiets naar een pas geopende automatiek, om aldaar een "bal des gehakts" te nuttigen. Chips en borrelhapjes bestonden nog niet, limonade werd alleen bij zeer speciale gelegenheden gedronken. Misschien maakten sommigen mee dat in 1952 in Schiedam door Albert Heijn de eerste zelfbedieningszaak opengesteld werd. Toen een student vertelde dat er op de markt iets nieuws te koop was, namelijk een handvol gebakken aardappelschijfjes voor een kwartje, werd dat door anderen niet geloofd. Een hoogst zeldzame en uitzonderlijke student keek in 1952 met de halve straat naar een tvprogramma op één van de duizend tv-toestellen die er toen in Nederland waren. Het arriveren van de eerste gastarbeiders in de jaren zestig en de verschijning van een plastic broodtrommeltje enkele jaren daarvoor, baarden opzien. Nagenoeg alle huishoudens waaruit de dispuutsstudenten kwamen, spaarden nijver zegels, merkjes en doppen voor koppen en schotels, theelepels en handdoeken. De Blue Bandencyclopedie was een zeer begerenswaardig bezit. Wie van de eerste generatie studenten zou zich nog weten te herinneren dat in het jaar van de oprichting van het dispuut, de politie een inval deed bij het bureau van de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming om voorbehoedsmiddelen in beslag te nemen? Zullen er studenten uit die tijd zijn die nog weten dat in 1952 in Zuid-Nederlandse dorpen tegen meisjes en vrouwen die in het openbaar iets anders droegen dan een rok of een jurk die tot op de enkels reikte, een proces-verbaal opgemaakt werd? In 1954 moest de VARA het woord "kontje" uit een programma schrappen en was gemengd kamperen in heel Nederland onmogelijk.'

Vreemde (vrouwelijke) kostgangers heetten vroeger al gauw heksen. Heksenvervolging was aan de orde van de dag. Bij uitgeverij (Kok) Agora te Kampen verscheen een uit het Engels vertaalde studie van Robiri Briggs, Heksenwaan - De sociale en culturele geschiedenis van hekserij.
De schrijver zegt:

'Wilde beweringen dat er negen miljoen heksen werden terechtgesteld kunnen het juiste beeld vervormen, maar het is niet moeilijk om te zien waarom zulke cijfers gangbaar zijn, aangezien de logica van recente interpretaties een veel indrukwekkender aantal impliceert dan de magere 40.000 of daaromtrent die door gedegen onderzoek kan worden waargemaakt. Ik wil de onaangename kanten van het hele gebeuren absoluut niet bagatelliseren: iedereen die net als ik de verslagen van honderden ondervragingen onder marteling heeft gelezen, kan alleen maar vervuld worden van afgrijzen vanwege de gruwelen die ze bevatten. Niettemin waren de vervolgingen numeriek beschouwd in ten minste drie kwart van Europa minimaal. Een aanzienlijke meerderheid van de steden en dorpen maakte gedurende de hele periode geen enkele rechtszaak mee. We moeten er niet van uitgaan dat deze gemeenschappen zich niet bewust waren van het gebeuren of dat het ze niet interesseerde. Het was bijna zeker zo dat hun inwoners geloofden dat sommige van hun buren heksen waren en stappen ondernamen om zich te weren. Ze gingen er alleen niet toe over om door middel van het strafrecht andermans dood te bewerkstelligen.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's