Boekbespreking
Dick G. A. Koelega en Willem B. Drees (red.), God& co? Geloven in een technologische cultuur, uitgave Kok, Kampen, 240 pag., ƒ34,90.
Dit is een uitgave van het Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving (MCSK). Sinds begin 1999 maakt dit Centrum een geïntegreerd onderdeel uit van het Instituut Kerk en Wereld in Driebergen. Het MCSK houdt zich al jaren intensief bezig met bezinning op moderne technologie. Er is door de jaren heen een eigen visie ontwikkeld op technologie die wel genoemd is: technologie als levenskunst. Ik ontleen dit aan het woord vooraf van deze bundel studies. Centraal is de notie dat technologie mensenwerk is en dat mensen veel concrete mogelijkheden hebben de ontwikkeling van de technologie bij te sturen in een verantwoorde richting. Er is geen reden haar te demoniseren al zijn er best wel negatieve neveneffecten te noemen. Technologie maakt het leven voor veel mensen beter, het is te beschouwen als een 'kunst voor het leven'.
Deze bundel vindt haar ontstaan in de roep om een publiek debat terzake de vele vragen die de moderne technologie oproept: kloneren, internet, genetisch gemodicifeerd voedsel, xenotransplantatie om een aantal nieuwe ontwikkelingen te noemen. Technologie roept ethische vragen op, maar niet minder ook levensbeschouwelijke vragen: visie op leven en dood, omgang met grenzen en tragiek en verlangens naar perfectie en heelheid.
Tot nog toe, aldus het voorwoord van de samenstellers, zijn christenen nog weinig echt betrokken bij deze vragen. Door hun zwijgen hebben ze de idee opgeroepen dat christenen tegen moderne technologie zouden zijn. Dit blijkt in het algemeen op een vooroordeel te rusten. Het resultaat van deze bundel is geworden: een verzameling nieuwe invalshoeken op het fascinerende fenomeen technologie vanuit verschillende oriëntaties die de christelijke traditie rijk is. Ik noem enkele bijdragen: Otto Sondorp schrijft onder de titel 'Grace in Cyperspace?' over religie en religieuze beleving op en rond het Internet. Frits de Lange heeft het over 'De "dood van God" en de techniek' waarbij hij Mülisch en Bonhoeffer betrekt in een theologische reflectie op technologie. Egbert Schroten schrijft een theologisch essay over wegen en grenzen in de (bio)technologie. Evert Jonker sluit aan bij zijn recente dissertatie over het laatste bijbelboek als hij aandacht vraagt voor 'Het visioen van het nieuwe Jeruzalem in de omgang met technologie'. Jan Hoogland stelt zich de vraag 'Wat heeft technologie met heil te maken?' Anton Houtepen zoekt naar een positieve verhouding tussen geloof en technologie in zijn bijdrage 'Een met God gedeelde zorgplicht'. Over 'Het kloneren van mensen' geeft Theo A. Boer een theologisch-ethisch commentaar en Koo van der Wal schrijft over de beschermwaardigheid van de natuur.
Aan deze inhoudsopgave is te zien hoe vol en boeiend deze bundel essays er uit ziet. Lezers van deze aankondiging die geïnteresseerd zijn in de hier aangeroerde probleemstelling, miskopen zich niet bij aanschaf van dit boek.
J. Maasland
Herman Wiersinga, Op ooghoogte - Portret van een postmodern geloof, uitg. Meinema, 272 pag., ƒ39,50.
Na 'Postmodern bestaan' van dr. Coert H. Lindijer (Boekencentrum, 1998) verscheen nu van dr. Herman Wiersinga een soortgelijke studie. De opzet van beide boeken lijkt ook enigszins op elkaar. Eerst wordt het verschijnsel 'postmoderniteit' geschetst met aandacht voor de kunsten en de filosofie.
In een tweede deel confronteert Wiersinga het christelijk geloof met de postmoderne cultuur. Zijn voornaamste conclusies vat hij samen in twee stellingen die hij vervolgens grondig uitwerkt. Deze tijd vraagt om beeldende taal en deze tijd vraagt om relationele waarheid. Wat hij daar onder andere mee bedoelt, schrijft hij in het eerste hoofdstuk. Het postmoderne denken laat ons geen enkele illusie: we kunnen de waarheid van de werkelijkheid niet achterhalen. Dat hebben we altijd wel gedacht en duchtig geprobeerd. Maar we zijn er achter gekomen dat dat een onhaalbare zaak is. De waarheid die we nog in handen hebben is verbrokkeld, gerafeld, niet sluitend. De metafysische dampkring, de hogere wereld waarin mensen eeuwenlang ademden, is leeg geworden. Wij kunnen de waarheid niet meer afdoende funderen en formuleren. Wat waar is, dient gekoppeld te worden aan de relatie die schrijver/verteller of lezer/hoorder met de tekst heeft. Er zijn geen geloofswaarheden die kant en klaar beschikbaar zijn voor iedereen. Het zijn ook weer geen hyperpersoonlijke waarheden. Geloofswaarheid zit verweven in relaties met anderen om ons heen. Wiersinga laat het gezag van de Bijbel, zoals die in de klassieke gereformeerde belijdenissen verwoord staat, helemaal verdampen als het ware. Bijbeltaal is in hoofdzaak poëtische taal. Het is in ieder geval geen begrippentaal, veelmeer omgangstaal. De metaforen zijn niet te herleiden tot informatieve beschrijvingen. Het vertelde en het gezongene is waar voor die mensen die daar en toen ervaring opdeden met het heilige. Hetzelfde geldt ook voor de waarheid van kerkelijke teksten als bijvoorbeeld de belijdenissen.
Er bestaat alleen maar waarheid op onze ooghoogte. Wij kunnen niet doordringen in de hoogte van een andere wereld, de hemel. We zijn aangewezen op wat onze eigen ogen zien, kortzichtig en selectief.
Wiersinga vindt dat we in een postmoderne cultuur alle vertrouwen in een objectieve waarheid verloren hebben. Hij is zelf allergisch geraakt voor dogmatische constructies en systemen van geloofsleer. Dat heeft hij vooral geleerd onder invloed van het jodendom. Daarom is hij een verklaard tegenstander van exclusieve waarheid. Die is altijd hard met uitsluiting van anderen. Inclusieve waarheid, zó moet het. Je neemt het gedachtegoed van anderen dan altijd mee en je onderstreept ermee dat je samen met anderen op zoektocht bent in het leven.
Hier haalt Wiersinga dan uit naar wat hij noemt de 'geweld-voortbrengende' factor die in een exclusieve waarheidsopvatting schuilgaat. Met 'geweld' bedoelt hij: agressief gedrag dat anderen schade aanbrengt omdat het de morele, psychische en vooral fysieke integriteit van mensen en groepen van mensen aantast. Wat hij bedoelt, is: de gewelddadige bekering van heidense volken, kruistochten tegen de islam, de verovering van de beide Amerika's met massale uitroeiing van de oorspronkelijke bewoners, de Shoah. Altijd werd dit geweld gelegitimeerd met een beroep op het kruis en de wil van God, aldus Wiersinga. Exclusieve waarheid heiligt altijd alle middelen. Inclusieve waarheid bewerkt tolerantie en dialoog, zonder kramp en zonder al te veel illusies. Het boek wordt besloten met een schets van een postmodern geloof waarbij ingegaan wordt op vier onderdelen: Godsbeeld, Jezusbeeld, mensbeeld en toekomstbeeld. Uiteraard speelt hier Wiersinga's visie op de verzoening een doorslaggevende rol. De klassieke visie op de verzoening wordt gewelddadigheid verweten. Ook de uniciteit van Jezus is te veel van het goede: louter exclusief denken wat maar al te veel geweld heeft opgeroepen en nog oproept.
Wiersinga roept veel tegenstand op bij iemand die nog altijd de Bijbel leest als gezaghebbend spreken van God. Duidelijk is hij in ieder geval wel. Postmodernen weten niet zoveel meer zeker, zegt hij zelf. Maar Wiersinga weet tamelijk veel wel zeker: het is bijna allemaal verkeerd geweest wat de eeuwen door in de christelijke kerk verkondigd en beleden is. Zijn boek heeft iets gedrevens. Er zit veel emotie in. Ik kwam het woord 'opwinding' een paar keer tegen. Wiersinga windt zich er over op dat de kerken zoveel laten liggen. Hij bedoelt: in de hervertaling van de boodschap. Dat de kerken nauwelijks bereid zijn afscheid te nemen van een geërodeerd verleden. Dat het kwaad dat de traditionele geloofsvoorstellingen hebben aangericht en nog steeds aanrichten niet wordt weggenomen. Hij noemt dan: de pretentie van exclusieve waarheid, de alle mensenrechten te boven gaande souvereiniteit en almacht van God, de heilsnoodzaak van Christus' kruisdood, de van tevoren vaststaande doemwaardigheid van mensen.
Het boek heeft een nogal heftige toon. Dat hoeft op zich niet verkeerd te zijn. Het raakt de schrijver diep waar hij over schrijft. En dat siert hem in zekere zin. Je moet dan wel oppassen voor 'drammerigheid' en ongemerkt schuilt daar ook een dosis agressie achter, die anderen verweten wordt. Wiersinga is een mens van déze tijd. Hij voelt er zich wel bij. Pas was er een symposium (bij het afscheid van ir. Van der Graaf) over onze relatie tot de cultuur. Wiersinga is er een duidelijk voorbeeld van hoe complete aanpassing aan het eigentijds denken er concreet en in al zijn gevolgen uitziet.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's