Belofte en aanbod van genade (1)
Vrees
'Wie uit vrees voor de honden het brood aan de kinderen onthoudt, is een slechte huisbezorger', zo las ik ooit bij de Erskines. Het was nog in mijn prille studententijd, lang voordat ik in het ambt van 'huisbezorger' werd bevestigd. Het is me altijd bijgebleven. Recent diende het kritische gehalte van dit achttiende-eeuwse zinnetje zich weer aan, toen ik het jongste geschrift van professor Blaauwendraad las: De leer tegen het licht. Belofte en verbond in Woord en Reformatie. Je zou zijn boek kunnen typeren als een vurig pleidooi, om uit vrees voor misbruik en zelfbedrog toch nooit op de royale uitdeling van de beloften af te dingen. Zijn pleidooi is gedreven. Wat hem daarbij drijft, is bezorgdheid. Ook hijzelf koestert een vrees, maar dan vanuit een precies tegenovergestelde motivatie. Hij is juist bang dat de ruif van de Evangeliebelofte zó hoog wordt gehangen, dat ze niet alleen voor de brutalen onbereikbaar is, maar dat ook de 'kinderen' en behoeftigen er niet bij kunnen en van gebrek verhongeren.
Hij is er trouwens niet alleen bang voor, maar ziet dat om zich heen gebeuren, met name ook in de kerk waartoe hij behoort. Drie jaar geleden al sprak hij daarover zijn bezorgdheid uit, toen hij in Het is ingewikkeld geworden pleitte voor een heroriëntatie aan het gedachtegoed van de Reformatie en de vroege Nadere Reformatie. Daarop kwamen talrijke reacties, van zeer uiteenlopende aard. Maar als hij al verwacht had dat zijn appèl zou resulteren in een diepgaande bezinning bij de leiding van zijn eigen kerkelijke kring, dan blijkt die hoop tot op heden vergeefs. De officiële reacties noemt hij althans 'niet echt welwillend'.
Keuze
Nu zou men vanwege dat ongunstige onthaal ervoor kunnen kiezen om het dan maar op te geven, een goed heenkomen te zoeken en te gaan waar het gras groen is. Maar die keuze maakte Blaauwendraad niet. Hij schreef, na driejarig rijp beraad en voortgaand onderzoek, een tweede boek. Het is beslister, directer, en leerstellig ook ingrijpender dan het eerste, in die zin dat ditmaal niet slechts homiletische ontsporingen worden gesignaleerd, maar dat het in 1931 kerkelijk gewaarmerkte standpunt van de Gereformeerde Gemeenten zelf in onverholen kritische zin tegen het licht wordt gehouden. Waarom maakte de auteur deze confronterende keuze? Had hij niet beter de kerkordelijke weg via kerkenraad, classis en synode kunnen bewandelen dan voor deze publieke aanval te kiezen?
Als buitenstaander kun je naar zijn motief alleen gissen. Zou je mogen concluderen dat hij die reguliere route geblokkeerd zag en daarom naar de 'noodmaatregel' greep om zijn kritische geluid niet binnensmonds, maar ook niet binnenskamers te houden, maar om het te 'democratiseren' en met het kerkvolk te delen? In ieder geval zie ik geen reden om Blaauwendraads methode te brandmerken als ón-kerkelijk. De kerk, ook de zijne, bestaat niet primair uit kerkelijke vergaderingen, maar uit gemeenten en gemeenteleden. De publieke weg die Blaauwendraad kiest, zou ik willen waarderen als een teken van zijn gehechtheid aan de gemeenten die hem lief zijn. Ten dele weet hij zich daarvan de tolk, ten dele ook een kritische corrector. Maar in beide gevallen weet hij zich met hen in hoge mate verbonden. Dat blijkt uit de teneur van zijn oproep. Blaauwendraad schrijft in liefde tot zijn kerk, in bewogenheid met zijn 'volk'. Dat deze liefde kritisch van aard is, onderstreept de echtheid ervan.
Hervormde inmenging
Men kan zich afvragen of de problematiek die de auteur aansnijdt en uitdiept, niet dermate 'binnenkerkgenootschappelijk' is, dat buitenstaanders zich daar gewoon buiten moeten houden. De kwestie werd in mijn geval nog dringender, toen ik mezelf de vraag stelde of iemand met een (weliswaar kortstondig, maar toch intensief) Gereformeerde Gemeenten-verleden zoals ik, nu de aangewezen persoon is om zich daarmee te bemoeien. Om twee redenen heb ik me over die aanvankelijke aarzeling heengezet.
De eerste is deze. Wat mij persoonlijk aangaat, meen ik me zonder rancune in het gesprek te kunnen mengen. Al ben ik dan een buitenstaander (geworden), nog altijd ervaar ik naast momenten van vervreemding een onmiskenbare verwantschap met de genoemde kerk. Dat komt niet alleen doordat ik er zegenrijke preken heb gehoord, waarin de Heere Jezus als de Schoonste der Mensenkinderen kosteloos werd uitgestald en weggeschonken, maar ook doordat ik bij diverse gelegenheden broeders en zusters uit die kring ontmoet die 'een even dierbaar geloof met ons verkregen hebben' (2 Petr. 1). Dat geeft een band. Al ben ik dan naar kerkelijke maatstaf een bijwoner, geestelijk voel ik me naaste familie.
De tweede reden is van meer belang. Wordt het ons, met name in dit bedreigend tijdsgewricht, niet meer en meer duidelijk hoezeer we elkaar nodig hebben en hoe schandelijk voor God en schadelijk voor onszelf de verdeeldheid van de kerken is? Kunnen we het ons vandaag niet minder dan ooit permitteren om langs elkaar heen te schuiven als schepen in de nacht? Drijft de nood van de tijd - die de nood van de kerk is - ons niet tot elkaar? Gaan we niet allemaal heen door hetzelfde uur van oordeel en zifting? Naar mijn diepe overtuiging is de malaise in de ene kerk meteen de malaise van de andere kerk. De gestalte van zo'n crisis kan variëren, maar de ernst en het gehalte ervan zijn gemeenschappelijk. Evenmin als de Gereformeerde Gemeenten naar waarheid kunnen beweren dat zij aan de crisis binnen de Hervormde Kerk geen boodschap hebben, zo min kan de laatste betuigen aan de zorgen in de Gereformeerden Gemeenten part noch deel te hebben.
De ogenschijnlijk binnenkerkelijke thematiek die Blaauwendraad op tafel legt, is bij nadere beschouwing dan ook allerminst een privé-aangelegenheid van de Gereformeerde Gemeenten. Wat de auteur aan de orde stelt, is op die kring wel toegespitst, maar er niet toe beperkt. Het gaat alle gemeenten en predikanten aan die in de gereformeerde traditie willen staan, maar die er geen van allen te goed voor zijn om wettisch water bij de wijn van het Evangelie te doen. Ik heb althans als hervormde bonder de publicatie van Blaauwendraad óók gelezen als een toetssteen voor mezelf. Bevatten ook mijn eigen prediking en geloofsbeleving wellicht elementen die niet stroken met het radicale genadekarakter, zoals de Reformatie dat uit de Schrift heeft verstaan en vertolkt? Het luistert hier nauw. Blaauwendraads geschrift herinnert ons allen er onontwijkbaar aan, dat elke vorm van marchanderen met wettische voorwaarden - of ze nu bevindelijk dan wel moralistisch worden ingekleurd - verraad aan de onvoorwaardelijkheid van het Evangelie betekent. Zijn boek kan dienen als een scherp maar heilzaam vermaan om de volstrekte gratuïteit van het Evangelie tot geen prijs te relativeren en te verzaken. Ik deel de bezorgdheid van de auteur voluit, maar verbreed de richting van zijn verontrusting naar de hele gereformeerde gezindte, inclusief de Bond en mezelf. Want men kan theoretisch met verve en deskundigheid de contra-remonstrantse positie verdedigen, maar er in de praktijk een remonstrants-voorwaardelijk 'evangelie' op na houden. Niet alleen de Gereformeerde Gemeenten lopen dit risico, maar ook bonders. Daarom meen ik dat het geen bemoeizucht is om ook in deze kolommen aandacht voor Blaauwendraads pennenvrucht te vragen, maar veeleer een daad van solidariteit, een teken van bereidheid om te kijken in een spiegel die ons allen voorgehouden wordt.
Actualiteit
Met het voorgaande heb ik impliciet de actualiteit en de relevantie van Blaauwendraads thematiek aangegeven. Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar in eerste instantie nog niet zo zeker van was. Mijn aanvankelijke reactie was: is Blaauwendraads problematiek niet gedateerd? Levert men op dit terrein geen achterhoedegevechten, terwijl het eigenlijke geding zich in de voorhoede afspeelt? Gaat het wel aan om zoveel passie en energie te investeren in een kwestie als de toe-eigening van het heil, terwijl (ten eerste) de Schrift zelf overduidelijk veel meer aandacht besteedt aan de volharding in het geloof dan aan het kómen tot geloof, en terwijl (ten tweede) in het huidige culturele klimaat - ook in gemeenten van gereformeerde signatuur - de vragen rond ontkerstening en ontkerkelijking, de vragen rond Gods paradoxale verborgenheid en de aanvechting die zij oproept, aanzienlijk urgenter zijn dan het thema van het aanbod der genade? Bij nader inzien ben ik van deze gedachtegang teruggekomen. Mijn overwegingen waren de volgende.
Punt een: er is sprake van een onmiskenbare 'ongelijktijdigheid' in de gemeente(n). Ik wil hiermee zeggen, dat velen vandaag grondig zijn aangevreten door het hedendaagse op drift geslagen levensgevoel, waarin het Godsbestuur en zelfs het Godsbestaan een benauwende kwestie is, terwijl anderen mentaal meer in de luwte van eertijds lijken te verkeren en voor wie de vraag naar de toe-eigening van het heil van beslissend belang is. Toen ik Blaauwendraads boek ging lezen, merkte ik alras dat hij met dit verschijnsel van de ongelijktijdigheid feilloos bekend is. Bijna schaamt hij zich om in de spanningsvolle situatie waarin de christenheid zich bevindt, te moeten schrijven wat hij schrijft. Hij beseft dat zich vragen opdringen die actueler zijn. Hoe zou een ingenieur die een hoogleraarspost bezet aan een hypermoderne technische universiteit met mondiale uitstraling, zich dat ook niet bewust zijn! Toch beperkt hij zich nagenoeg tot de toe-eigeningsvraag. Ik denk, niet ten onrechte. Vanwege genoemde ongelijktijdigheid. Al zou zijn pleidooi maar een tanende minderheid raken, dan nog is het daarom niet minder functioneel.
Maar ik maak een tweede kanttekening. Die vind ik eigenlijk van meer gewicht. Het is namelijk nog maar de vraag of die twee categorieën - globaal: de (post-) modernen en de traditionelen - als het er echt op aankomt, zo ongelijktijdig zijn. Ik bedoel niet alleen dat ook een traditioneel gelovige de lucht van het jaar 2000 inademt, maar nu vooral, dat ook een 'modern' christenmens vroeg of laat de onontkoombare vraag naar zich toe krijgt: 'Is God de mijne en ben ik de Zijne? En hoe weet ik dat?' Op dat cruciale moment zijn beide categorieën even arm en op dezelfde genade aangewezen. Waarmee ik maar zeggen wil, dat heel de thematiek van Gods betrouwbare belofte en het vertrouwen daarop dan van onmiddellijke relevantie wordt. Het gaat hier om een actualiteit die zich voorrang verschaft! Nee, Blaauwendraad hoeft zich voor zijn beperking niet te schamen. Ze is geen reductie, maar concentratie. Ik zeg niet: concentratie op het énige dat van belang is, maar wel: concentratie op de ultieme vraag waar geen christenziel om heen kan. Het is de vraag naar een genadige God. Geen cultuur waarin ze achterhaald is. Geen cultuur kan zo godvergeten zijn, of de Heere Zelf legt ons in Zijn zoekende liefde ooit de vraag aan het hart. En Hij Die de vraag leert stellen, reikt ook Zelf het antwoord aan.
A. de Reuver
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's