Belofte en aanbod van genade (2)
Evenwichtig?
Een van Noordmans' talloze pittige spreuken luidt, dat men in de preek gerust de dogmatiek eens scheef mag trekken. Als een prediker zich constant beijvert om de spits van zijn preektekst met dogmatische precisie bij te schaven, door de sterkstroom die er op staat om te zetten in zwakstroom, kan zijn boodschap wel waarheidsgetrouw en evenwichtig zijn, maar verliest ze haar spankracht en treft ze geen doel. Het lijkt beveiliging, maar het is vergrendeling van de tekst. Ze wordt gemuilkorfd. Een (helaas) klassieke illustratie van dit verschijnsel is een uitleg van Johannes 3 : 16, waarbij de wereld die God heeft liefgehad, zonder veel omhaal wordt vereenzelvigd met het getal der uitverkorenen. Dan is de zaak leerstellig in balans, maar de boodschap van haar zeggingskracht beroofd. Behalve degenen die toch al wisten tot de uitverkorenen te behoren, heeft geen sterveling er een boodschap aan. Zo'n maatregel lijkt omwille van het evenwicht misschien geboden, maar is omwille van het tekstgewicht verboden. In de preek mag het evenwicht eerder zoek zijn dan overheersend. Uit eerbied voor de tekst, die door geen enkele schematiek het zwijgen op te leggen is.
Dogmatische bezinning als reflectie op het geheel van de canon is broodnodig, maar haar resultaten zullen de Schrift nooit mogen overheersen. Ze zijn ondergeschikt aan de Schrift. Die alleen is de bron van de prediking. Ze is er evenzeer de maatstaf van, ook wanneer zij het dogmatische evenwicht verstoort.
Wat heeft dit uitstapje met Blaauwendraads geschrift te maken? Niet weinig. Men kan de auteur zonder veel moeite van gebrek aan evenwicht betichten, door vast te stellen dat zijn aandacht steeds weer cirkelt om het aanbod van genade en het gebod om te geloven, terwijl de vrijmacht van de genade en de schenking van het geloof slechts marginaal aan bod schijnen te komen. Maar dit is dan wel een verwijt dat geen hout snijdt. Men doet er niet alleen de schrijver onrecht mee, maar miskent ook de portee van de zaak zelf. Die zaak is nu juist de aanbieding van het heil en de reikwijdte van de belofte. En als hij nu uitgerekend op dat punt scheefgroei signaleert, dan kan men hem toch bezwaarlijk voor de voeten werpen dat hij uitgerekend op dat aambeeld hamert? Het zou toch al te dwaas zijn om, wanneer een scheepje slagzij maakt, in het midden te gaan staan. Juist omwille van het gezochte evenwicht neemt iemand met gezond verstand en verantwoordelijkheidsgevoel in zo'n geval plaats tegenover het punt waar de boot overhelt. Daar is hij op zijn post.
Blaauwendraad wil op zijn post staan. Hij neemt die positie doelbewust in. Heel zijn 'eenzijdigheid' wil ertoe dienen dat het lek boven water komt en dat het schip weer in balans raakt. Maar weet hij ook wat dat evenwicht eigenlijk inhoudt? Met andere woorden, is hij niet dermate gefixeerd op het bevél tot geloof, dat hij de goddelijke herkomst ervan vergeet? De lectuur van zijn boek laat over die vraag voor ieder die wil lezen wat er staat (en wat er niet staat), geen enkele twijfel bestaan. Het valt met die vermeende marginaliteit op zijn zachtst gesproken nogal mee. Laat ik deze beoordeling met enkele passages onderbouwen.
Zwart op wit schrijft Blaauwendraad dat hij het genadekarakter van het geloof op geen enkele wijze ter discussie stelt. De doodstaat van de mens en zijn volstrekte afhankelijkheid van de Heilige Geest worden volledig onderschreven (20). Christus krijgt voor ons waarde wanneer wij eigen verloren staat erkennen. 'De woorden Redder en Verlosser lijken me inhoudsloos voor iemand die er geen besef van heeft, buiten Christus vervloekt te zijn'. Over de functie van de Wet: 'Het is als het ware het eerste deel van het oprechte geloof dat ik mijn ellende ken en gevoel. Tot geloof komen is vluchten naar de vrijstad' (36v). De gelovige gelooft immers dat alles wat God in Zijn Woord over ons zegt, waar is. Daartoe behoren Wet en Evangelie, bedreiging en belofte. 'De ware gelovige 'mijnt' zowel het oordeel over zijn leven als de verlossing uit dat oordeel door Jezus Christus, zijn Heere' (43). De Schrift leert dat wij dood zijn in zonden en misdaden. 'Daarom stelt de geloofseis mij schuldig. Te moeten en niet te kunnen. Waarom is het dan tóch niet hopeloos? Omdat de Schrift zegt dat doden zullen horen. Het is een eenzijdig levendmakend werk van God. Maar de Heere gebruikt daartoe een middel. Hij laat het Woord prediken en wil Zijn Geest paren aan dat Woord' (51).
Het beleven van de verbondsweldaden is geen automatisme. 'De vervulling van Gods beloften kan door de onmogelijkheid heengaan. Het wordt verwondering dat de God van het verbond met zo'n onwillig en ongehoorzaam mens te doen wil hebben. De belofte van de Zoon en de Heilige Geest gaat betekenis krijgen bij de realiteit van onze zonde en schuld, en daarom (is er) de noodzaak van reiniging, schuldvergeving en verzoening. Er is ook de realiteit van onze onbekeerlijkheid en van ons ongeloof en daarom de noodzaak van wedergeboorte, geestelijke levendmaking, bekering' (87). Het is de trekkende liefde als een mens onder de bearbeiding van Gods Geest komt en hij genade ontvangt. 'Het is dankzij eeuwige verkiezing, eeuwig welbehagen, dat er mensen worden gered. Er ligt geen vermogen in de mens' (121).
Het lijkt me ongerijmd en eigenlijk ondenkbaar, dat iemand wiens geloofsvertolking zo uitgesproken overeenstemt met de geloofskernen van zijn eigen kring en die tot in zijn woordgebruik de verworteling daarin verraadt, geen volwaardige, zij het kritische, gesprekspartner zou kunnen zijn.
Onvoorwaardelijk
De klassieke noties van de reformatorische heilsorde hebben Blaauwendraads hartgrondige instemming. Met Luther en Calvijn onderstreept hij krachtig de noodzaak van zondekennis en het inwerk van de Heilige Geest. Maar even hartgrondig protesteert hij wanneer deze noties de onvoorwaardelijke beloftenprediking (dreigen te) blokkeren. Dat kan hij niet verenigen met de geest van de reformatoren. Of in bedoelde ontsporingen de geest van middeleeuwse devoten als Bernardus en A Kempis rondwaart, zoals een briefschrijver de auteur suggereerde, betwijfel ik overigens ten zeerste. Geheel in het spoor van Augustinus beschouwden zij de verootmoediging onder de zonde niet als een voorwaarde die de weg naar Christus effent, maar veeleer als een gestalte die op de weg achter Hem wordt geboren. Maar dit terzijde.
Waar het de auteur om gaat, is dat de verlorenheid buiten Christus in alle toonaarden moet worden geschetst, maar dan 'niet met het doel om eerst een verslagen toestand te bewerkstelligen die ons het recht zou geven om tot Christus te gaan' (42). Dat recht is exclusief in de belofte gelegen. De zondekennis is geen conditie waaraan men voldoen moet. Ze is uitsluitend een vrucht van de Heilige Geest en markeert de ontdekkende weg die Hij in de prediking met ons gaat, om ons het heil in Christus op waarde te doen schatten. Ze heeft dus geen zelfstandige waarde, maar is doel-gericht. Ze drijft tot Christus uit. Maar is ze zo tóch weer niet een conditie? Mijns inziens zou Blaauwendraad tegen deze term niet echt bezwaar maken, zolang maar werd beseft en gezegd, dat het een conditie betreft die niet onzerzijds aan Gods genade moet voorafgaan, maar die Zijnerzijds door genade wordt vervuld. Ze is geen betaalmiddel voor de genade, maar geneesmiddel van de genade, teneinde onze hoogmoed en zelfgenoegzaamheid te slechten.
Ieder mag en moet dan ook tot Christus gaan zoals hij is. Geen enkele waardige gestalte hoeft men als voorwaarde mee te brengen, ook niet de gestalte van onwaardigheid. Werkelijk met alles wat is benodigd, wordt een zondaar begenadigd. Ons wordt geen genade bewezen voor enige kwaliteit, maar bij gebrek aan elke kwaliteit. Getuige de Evangeliën zijn bij Jezus welkom mensen die Hem hoegenaamd niets van waarde hebben te bieden, en is Hij volledig berekend op alle ongestalten. We komen zoals we zijn, we gaan heen zoals Hij ons begiftigt. We hebben in onze Heiland geen God Die zegt hoe het moet, maar een God Die het doet. Dit is, naar mijn waarneming, de strekking van Blaauwendraads betoog. Niemand kan zich voor Christus kwalificeren, maar Christus is gekwalificeerd voor zondaren, merkt hij trefzeker op.
Dezelfde beweging volgt de auteur als het over de wedergeboorte gaat. Geen ogenblik wil hij ontkennen dat het de Geest is Die levend maakt. Eigener beweging brengt niemand het geloof op. De schenking van het geloof is Gods privilege. Dat de gereformeerde orthodoxie voor dit heilgeheim de scholastieke term habitus (hebbelijkheid) in bruikleen nam en dat zij van 'ingestorte genade' sprak, valt gezien de controverse met het remonstrantisme goed te verstaan. Maar men moet van deze dogmatische hulpconstructies geen ervaringscategorieën maken, alsof een mens eerst verzekerd zou moeten zijn dat het geloof hem ingestort is, alvorens hij tot Christus vluchten mag. Dan wordt men, buiten het Woord om, hopeloos naar zichzelf verwezen. Wat de Geest aan de binnenkant doet, is Zijn geheimenis. Maar wat Hij hoorbaar in het Evangelie roept, daar maakt Hij geen geheim van: 'Hoor, en uw ziel zal leven'. Dat is de regel van het geloof.
Ook over de plaats van de kenmerken in het christenleven is de auteur helder. Ze mogen nooit fungeren als grond om tot Christus te gaan. Ze spannen evenmin schrikdraad rond het Evangelie om de weg naar Hem te versperren, maar vormen het criterium om achteraf de echtheid van het geloof te toetsen en de wankelmoedige te troosten. Daarbij gaat het - zegt Blaauwendraad de Belijdenis (art.29) na - om deze kentekenen: dat we de enige Zaligmaker Jezus Christus aangenomen hebben, de zonde vaarwel zeggen en de gerechtigheid najagen. Ze betreffen geen voorwaarden, maar vormen de daad en de vruchten van het geloof zelf.
Belofte
Stellig klopt het hart van Blaauwendraads boek in zijn visie op de belofte. Van de reformatoren en onze confessies heeft hij geleerd dat het een woord is met een rijk gevulde lading. Zij gebruiken het doorlopend als de samenvatting van het hele Evangelie. Het is op de wijze van de belofte dat het God behaagd heeft om verloren mensen te zoeken en zalig te maken. Daarmee bedoelen zij dat de Heilige Geest in de toepassing van het heil Woordgewijs te werk gaat. Niets verricht Hij mechanisch, achter onze rug om, maar alles via de roep van het Evangelie in onze oren. Die roep is gegarandeerd betrouwbaar, maar allesbehalve een rekensom. Ze vraagt om geloof. Ze kan in ongeloof worden afgewezen. Men moet dan ook niet stellen: 'Als God iets belooft, dan doet Hij het ook; derhalve zijn er alleen beloften voor de uitverkorenen, want bij hen komt uit, wat is voorzegd'. Dit is een strakke, starre redenatie, die geen recht doet aan de de wervende aard van Gods belofte. Alsof Zijn toezeggingen, 'wiskundige' voorzeggingen waren! Blaauwendraad vraagt zich af of men op die manier niet veeleer 'theologica' bedrijft dan theologie. De betrouwbaarheid van Gods belofte moet men niet verwarren met de rekenkundige zekerheid dat de uitkomst van de optelsom 'een plus een' altijd 'twee' zal zijn. De belofte is geen voorspelling die vanzelfsprekend uitkomt. Ze is een toezegging met de aard van een liefdesaanzoek, dat het hart wil veroveren en in ootmoedige verwondering biddenderwijs geloofd wil zijn. Het 'Woordgewijs' van Gods kant gaat genadig gepaard met het 'biddender- en gelovenderwijs' van onze kant.
Al legt men degene die dit belijdt nu keer op keer ten laste, dat men op deze manier het remonstrantisme in het gevlij komt, dit is en blijft evenwel de weg die de Heilige Geest verkiest om het zondaarshart te winnen. Dordt heeft dit goed begrepen en ronduit beleden. De onwederstandelijkheid waarmee de Geest dit wonder verricht moet men nooit verslijten voor dwangmatigheid. Ze onderstreept veeleer de genadige overmacht van de belofte. Zo onweerstaanbaar is de Geest in Zijn aanzoek, dat Hij niet maar een dringend advies aanreikt (de 'zachte aanrading' van de remonstranten, waarbij het amen van het geloof zou afhangen van onze gewilligheid en vermogens), maar dat Hij zelf dit amen oproept door Zijn hartveroverende genade die alle weerstanden breekt.
Nu kan men stellen: dan is de belofte dus alleen heilzaam effectief, wanneer ze in geloof wordt omhelsd. Dat is correct. Maar de gevolgtrekking die hieraan menigkeer verbonden wordt, gaat een stap verder - een misstap - : aangezien het geloof een gave van God is, komt de belofte uiteindelijk tóch enkel de uitverkorenen toe. Bij oppervlakkige beschouwing lijkt die conclusie onweerlegbaar. Maar bij nader toezien wringt ze faliekant. De denkfout die men op die manier maakt, is deze, dat het efféct (de vrucht) van de belofte wordt vereenzelvigd met het adres en de géldigheid van de belofte. Dat gaat natuurlijk niet aan. En daarom gaat de redenatie ook niet op. Dat alleen de gelovigen en uitverkorenen delen in de zaligmakende vrucht en vervulling van de belofte, is in de Schrift helder. Maar even helder is het dat de belofte geadresseerd is aan mensen die van hun verkorenheid niet het geringste besef hebben, maar slechts één ding vernemen, en dat is de geldigheid en geloofwaardigheid van Jezus' belofte: 'Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen'. De bewering dat er geen beloften in de Bijbel staan voor onbekeerden, acht ik met Blaauwendraad een pertinente dwaling. Ik reken haar tot de ketterijen van de meest troosteloze soort. Hoe zou een onbekeerde ooit tot bekering komen - voor 't eerst en levenslang - als God dit niet beloofde? In de belofte van het Evangelie - men leze dit als: in het Evangelie als belofte! - komt Gods heilsaanbod tot iedere hoorder van het Evangelie, en de toegang is gratis. Wie gelooft, die heeft het, zei Luther naar waarheid. En wie zijn geloof niet voor geloof durft te houden, maar de Heere nochtans aan het Woord van Zijn belofte houdt, die is verrassend goed af. Dan zegt Hij het Zelf wel, hoe het er met dit allerbehoeftigste geloof voorstaat: 'Groot is uw geloof! De grootte ervan bestaat uit vijf letters: Jezus. Want deze Naam is betrouwbaarder dan alle hinderaars, geloofwaardiger dan alle twijfels en machtiger dan alle verlorenheid. Zijn naam is een en al belofte: 'Hij zal Zijn (onzalige) volk zaligmaken van hun zonden'. In deze belofte ligt mijn hele geloof.
Ten slotte. Ik ben de auteur dankbaar dat hij het verschil in verbondsvisie dat de gereformeerde traditie te zien geeft, niet verabsoluteert, maar relativeert. Hij spreekt van een 'smalstroom', waarbij het verbond in wezen alleen de uitverkorenen omvat, en van een 'breedstroom', waarbij het verbond de hele gemeente beslaat. Dat maakt dogmatisch een fors verschil uit, en kan ook voor de praktijk enorme gevolgen hebben. Maar het hoeft niet. Want - zegt Blaauwendraad - juist in de praktijk van de prediking blijken vertegenwoordigers van de smalstroom toch ongedacht ruim het Evangelie te kunnen bedienen. Als voorbeelden van deze laatste categorie vermeldt hij de Schotse gebroeders Erskine.
Op hun prediking - voornamelijk die van Ralph - wilde ik nu in een aantal volgende afleveringen breder ingaan. Nog niet lang geleden heb ik me verdiept in de manier waarop zij met de belofte omgaan. Misschien kan het voor de discussie rond Blaauwendraads publicatie dienstig zijn om het resultaat van die verkenningen ook hier te presenteren. Temeer, omdat de Erskiniaanse verbondsbeschouwing aansluit bij die van de Westminster Confession, waarop men zich in Blaauwendraads kring graag beroept. Zo zouden de Erskines een verbindende schakel kunnen vormen tussen Blaauwendraad en zijn gespreksgenoten. Maar mijn verlangen reikt verder. Ik hoop dat de Erskiniaanse prediking als spoorslag zal dienen om de weg tot Christus werkelijk vrij te geven voor de grootste zondaar, zonder prijs en zonder reserve.
A. de Reuver
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's