Verlegenheid - uitgangspunt of aanknopingspunt?
'Twijfel is de hoogste vorm van zekerheid.' Dit gezegde is al vele jaren in zwang om aan te geven dat ook in de kerk achter zaken, die altijd vast en zeker waren, vraagtekens worden geplaatst. Niets is meer echt zeker. Twijfel wordt ook gezááid, door theologen, die het belijden van de kerk der eeuwen in twijfel trékken. Op die weg gaat men soms steeds verder, er is geen stilstand. Het ene na het andere dogma komt onder het spervuur van twijfelvragen te liggen. Men neme H. M. Kuitert. Wat zijn theologisch werk betreft mag bij zijn lezers de laatste twijfel wel zijn weggevallen, nu hij in zijn laatste boek Over religie zelfs het bestaan van een persoonlijk God in twijfel trekt, liever nog ermee afrekent, zodat bij hem de bodem onder wat christelijke religie mag heten nu wel helemaal is weggehaald. Zulke boeken behoeft een christenmens niet meer te lezen. Ze zaaien twijfel, voeden deze of bevestigen die daar, waar allang getwijfeld wordt aan wat God (van Bovenaf) in Zijn Woord heeft geopenbaard. De al in het paradijs gestelde vraag 'Is het ook dat God gezegd heeft?' wordt nu uitvergroot tot de vraag of er überhaupt wel een God is, die ooit iets gezegd (geopenbaard) heeft, laat staan dat Hij ook vandaag nog spreekt. De mens is op zichzelf aangewezen. Hoogstens zoekt hij nog samen met anderen naar 'Zin', waarbij het dan vooral gaat om de menselijkheid van het leven. Religie (ver)wordt tot louter humaniteit.
Postmodern
Vandaag is twijfel een grondtrek van wat heet het postmoderne levensgevoel. Niets staat bij voorbaat vast. Er bestaat geen (absolute) waarheid. Ieder heeft zo zijn eigen deelwaarheid, als het woord waarheid nog wordt gebruikt. Twijfel is normaal. Dat gevoel heeft ook meer en meer grip op de kerken gekregen. Zelfs tijdens conferenties en in geschriften over 'De Boodschap en de kloof' kan men van tijd tot tijd waarnemen, dat dit postmoderne denken ook in zekere zin voet krijgt, hoe kritisch ook dit moderne tijdsdenken tegemoet wordt getreden.
Wie met pek omgaat raakt er al spoedig mee besmet. De vragen oppakken kan betekenen door de vraagstelling zelf min of meer beheerst gaan worden. Het postmoderne denken kan zich zo langzaam maar zeker ook diep in de kerk en in het hart van mensen gaan nestelen. Wie zal overigens de tijdgeest buiten de deur kunnen houden? We ademen die in.
Verlegenheid
Vandaag duikt echter allerwegen een ander woord op, het woord verlegenheid. Als ik mij niet vergis, wordt dit woord nu met name ook gebezigd in de kring van kerken en bewegingen van gereformeerde confessie. Het houdt in, dat we vandaag, ook als gereformeerde belijders, bij veel vragen, die zich aandienen, met de mond vol tanden staan. Dat werd in de brede kring van de kerken al eerder gesteld. 'De tijd van de grote woorden of verhalen is voorbij' heet het dan.
Abraham Kuyper had het devies, dat christenen present zouden zijn 'op alle terreinen des levens', omdat er geen terrein was waarvan Christus niet zei 'dat is Mijn'. De hervormde apostolaatsbeweging van na de Tweede Wereldoorlog paste dezelfde gedachte toe, maar dan op de kerk als zodanig in plaats van op christenen en christelijke organisaties. De kerk zou op alle levensterreinen in de wereld present zijn en handelen naar het 'Gebot der Stunde' (het gebod van het uur). Voor 'altijd durende beginselen' was daarbij geen plaats meer. Met pretentieuze boodschappen richtte de kerk zich tot volk en overheid. En aangaande alle wereldvragen had de kerk, zo niet een antwoord dan wel een mening.
* * *
Die tijd is (kennelijk) voorbij. De kerk zelf raakte gesmaldeeld en sprak (spreekt) zulke grote woorden niet meer. Bovendien werd de wereld kleiner en de problematiek complexer. De mensen in de derde wereld werden onze buren, de brandhaarden in de wereld werden direct waarneembaar, wetenschap en techniek maakten een ongekende ontwikkeling door. Het blijkt dan te kort door de bocht te zijn om zomaar 'even' vanuit het Evangelie antwoorden te hebben op de problemen inzake de wereldeconomie, de communicatietechnieken, de biotechnologie, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Terwijl hier toch diep ingrijpende (ethische) vragen liggen. Allerwegen is er begrijpelijke verlegenheid met betrekking tot de grote wereldvragen. Intussen kan men er ook niet de ogen voor sluiten. Deze zaken raken de moderniteit van het leven, bepalen het mens-zijn, de dagelijkse levenssituatie en levenservaring van mensen. Dat alles heeft gevolgen voor de wijze, waarop mensen zich in het leven bevinden en vooral of ze zich wél-bevinden. In de grote wereldvragen kan de vertwijfelde vraag opkomen óf en hóé God in deze wereld nog werkt. Mensen bevinden zich dagelijks in een omgeving, die niet christelijk of christelijk geinspireerd is. En het leven valt nu eenmaal niet op te delen in partjes; het gaat om de totaliteit van leven, 's zondags en door de week, op het werk en in de kerk. Het bepaalt alles samen hun religieuze leven. Verlegenheid dus, vanwege het complexe bestaan.
Daar komt nog bij, dat velen vandaag, in alle kerken, verlegenheid kennen met betrekking tot de vraag of de (kleine) traditie, zoals ze die in hun eigen kerken kennen, nog wel altijd valide is om te staan in het leven van vandaag. Die vraag is op zich niet verkeerd. De traditie kan het laatste woord niet hebben. Het zoeken naar zodanige vormgeving en taal, dat ieder vandaag ook in eigen taal de grote werken van God kan horen, is van wezenlijk belang.
Dieper
Ik kom echter nu tot een dieper liggende vraag. Is niet het gevaar aanwezig, dat verlegenheid een duiding gaat krijgen inzake het geloof als zodanig en aangaande (alle) stukken van de heilige leer, die handelen over het geloof? En dat zo ook verlegenheid tot postmoderne twijfel kan voeren? Wat wordt bijvoorbeeld bedoeld als vandaag spirituele verlegenheid wordt genoemd? Raakt die het geloof naar zijn wezen, in de diepste kern?
* * *
In Woord en dienst - om een voorbeeld te noemen - voerde ds. A. J. Zoutendijk het punt van de verlegenheid op. Letterlijk schreef hij:
'De echte vragen zijn die, die je jezelf stelt, die je in verlegenheid brengen, die je opnieuw doen zoeken. Borende vragen roepen woorden op die prikkelen. Een taal die ademt en die het erfgoed verrassend actualiseert. Een spiritualiteit die de kaalslag in draagt en deemoed ademt. Een vroomheid die geleerd heeft te wachten op God en die daarin niet beschaamd werd.'
Dat is een fraaie volzin, met momenten (deemoed en wachten op God), die ter harte genomen mogen worden. Maar de zin laat evenzovele vragen onbeantwoord als ze oproept. Want waar moeten de mensen het zoeken als ze niet meer weten, waar ze het zoeken moeten? En hoe (zo ja) raken die vragen het geloof zelf? Ik permitteer me de vraag of het echt waar is, dat het 'de echte vragen zijn, die je jezelf stelt'? Of zijn het de echte vragen, die God ons stelt, vanuit Zijn Woord? Heeft de prediking niet de taak om vragen wakker te roepen, die mensen uit zichzelf niet stellen? Anders gevraagd: mag verlegenheid uitgangspunt zijn of aanknopingspunt?
Leert de (recente) kerkgeschiedenis ook niet, dat vanwege 'verlegenheid' in veel verkondiging centrale bijbelse noties niet meer aan de orde komen en dat men ging zwijgen over zaken, waarover de Schrift nadrukkelijk spreekt? De prediking kan ook een bepaald soort verlegenheid voeden. Is het echter niet zo dat, wanneer de echte vragen van God uit worden gesteld, zoals die vanuit het Woord opkomen, er een eigensoortige geestelijke verlegenheid wordt gewekt? Ik bedoel de ontdekking, dat de mens een vreemdeling voor God en van het eigen hart is en zo ook een verlegene wordt.
Aanknopingspunt
Mij dunkt dat in de verlegenheid, die vandaag in het algemeen mensen kenmerkt, een aanknopingspunt ligt voor de prediking. Daarbij kan men in de leer bij de bijbelschrijvers en de bijbelheiligen, die hun verlegenheid soms in een schreeuw naar God naar voren hebben gebracht. Als verlegenheid dan ook betekent het uitbannen van alle triomfantelijkheid, kunnen we dat helemaal meebeleven. Maar de beleving van Gods afwezigheid mag toch niet betekenen het belijden van Gods afwezigheid! Ook de profeten en de psalmisten hebben al gezucht over Gods afwezigheid maar juist dan hebben ze gekermd om Zijn aanwezigheid, omdat ze Zijn bestaan niet in twijfel trokken. Behoort het niet tot de Bijbelse spiritualiteit om Gods nabijheid in te wachten, juist ook als Hij ver schijnt te zijn? De gelovige van alle tijden heeft aanvechtingen gekend. Die waren ook verbonden met de tijd, waarin hij leefde en de tijdgeest, die werd ervaren. Maar twijfel is toch niet eigen aan het geloof?
Vastheid
Moet daarom dan toch het eindpunt van alle verkondiging niet zijn de vastheid van Gods Woord en van Zijn beloften, ook in de meest aangevochten situaties? We hebben het profetische Woord dat zeer vast is. Het profetische Woord ontmaskert toch ook elk tijdsdenken? En het geloof is (toch) een vaste grond van dingen die men hoopt en een bewijs van zaken, die men niet ziet? (Hebr. 11 : 1) En het geloof belijden we toch, met de Heidelberger, als 'een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft'? (Zondag 7) Dat is het niet alleen, want het is ook 'een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil?' Ligt hier niet de kern van alle bijbelse spiritualiteit, de eeuwen door? In de vastheid van het Woord en de belofte? Verlegenheid kan niet betekenen, dat vragen worden gesteld bij Gods (heils)handelen, over Zijn Openbaring in Jezus Christus? Want dan kan verlegenheid immers overgaan in twijfel; en twijfel kan tenslotte de Godsopenbaring en Gods verzoenend handelen gaan verduisteren.
Nochtans
Onze verlegenheid mag het nochtans van het geloof niet verduisteren Misschien moeten we dit woord, dat zo'n centrale rol heeft gespeeld in de Reformatie, opnieuw leren spellen. Niet om onszelf in menselijke triomfantelijkheid te overschreeuwen. Maar in de zin van: Nochtans God (zondag 23). Tegen al onze verlegenheid in! Het is alle eeuwen door een Godswonder geweest, dat de Eeuwige, de Heilige met mensen van doen wilde hebben. Dat is toch vandaag niet anders? Ik ben daarom geneigd om het woord verlegenheid alleen dan positief te waarderen als daarachter ligt de gedachte, dat onze verlegenheden Gods gelegenheden zijn; als daarachter zit een inwachten van de Geest, die Heere is en levend maakt. Want levendmaking en 'de enige troost' heeft de mens van alle tijden nodig. En als het daarom gaat - met name in grenssituaties - verbleken toch ook nog een keer grote vragen, die ons in de wereld om ons heen nu in verlegenheid brengen?
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's