Gereformeerde bagage voor jongeren* (1)
In een drietal artikelen wil ik enkele kanttekeningen plaatsen bij het onder ruim 500 meelevende jongeren (catechisanten) uit hervormd - gereformeerde kring gehouden onderzoek naar hun beleving van een aantal 'gereformeerde kernnotities'. Ik wil eerst iets zeggen over de resultaten van het onderzoek. Vervolgens wordt kort ingegaan op de theologische en pastorale reacties op die resultaten, zoals deze in het boek Bagage of ballast zijn gebundeld. Ten slotte proberen we een tussenbalans op te maken en zien we de vraag onder ogen: hoe gaan we nu verder met geloofsopvoeding? Vragen die mij vanuit de HGJB zijn voorgelegd, luiden: Is het goed om jongeren in deze tijd nog 'lastig' te vallen met gereformeerde kernnoties als Gods voorzienigheid, Zijn majesteit, verkiezing, zonde en genade? Kunnen jongeren daar nog wat mee? Hoe kun je als predikant (in prediking en catechese) of als catecheet dergelijke leerstellingen zo presenteren dat jongeren ze inderdaad als bagage en niet als overbodige ballast ervaren? Kun je dan herhalen wat er in de belijdenisgeschriften over geschreven staat of is er meer (en zelfs iets anders) voor nodig?
Het nut van zo'n onderzoek
Om te beginnen: het nut van de enquête. Het is een heel goede zaak dat de enquête 'Bagage of ballast' gehouden is. Dergelijke onderzoeken zouden met een zekere regelmaat moeten worden uitgevoerd, ook in de plaatselijke gemeenten. Waarom? Omdat het bij communicatie behalve over de boodschap - die uiteraard centraal staat - , en over de zender - die geen ruis mag vertonen -, ook over de ontvanger gaat. Dat lijkt het intrappen van een open deur, maar het moet toch iedere keer weer bedacht worden. Als ik terugdenk aan mijn eerste preken als 'kandidaat tot de heilige dienst', dan herinner ik mij dat ik bevlogen en bewogen de boodschap bracht. Ik deed in de preekvoorbereiding mijn best om zoveel mogelijk commentaren en preken over een bepaald tekstgedeelte te lezen, verwerkte dat in persoonlijke meditatie en schreef daarna de preek uit. Daarbij dacht ik niet aan de verscheidenheid van de hoorders van de preek, evenmin aan de situaties waarin het Woord door middel van de prediking gehoord zou worden. Eigenlijk preekte ik voor kerkgangers die verondersteld werden de dienst net zo te beleven als ik zelf in die tijd kerkdiensten beleefde: theologisch geïnteresseerd, open voor het 'bevindelijke', vertrouwd met de traditionele terminologie. Pas later, niet zozeer vanuit homiletische boeken en artikelen, maar veelmeer vanuit het werken in de gemeente, met bijvoorbeeld de nodige schokervaringen tijdens catechisatielessen, kwam de nadrukkelijke aandacht voor de pool van de ontvanger in het communicatieproces. En nog steeds moet ik mijzelf erop betrappen dat ik geneigd ben in mijn preekvoorbereiding het aspect van de overdracht, de vertolking, te onderschatten. Toch hebben we met elkaar de laatste tijd meer en meer geleerd dat het er bij prediking en catechese niet alleen om gaat de boodschap zo zuiver mogelijk te formuleren, maar evenzeer om deze zo effectief mogelijk over te dragen, te 'transponeren' in de werkelijkheid van de hoorder. Dat vraagt echte aandacht voor de hoorder of de catechisant in zijn of haar situatie. Dat betekent ook dat bij elk leerproces de beginsituatie nadrukkelijk verkend moet worden. Wie gaat spreken over 'verkiezing' of 'verbond' of ' zonde' of 'genade', zal eerst het 'subjectieve concept' van de mensen in de groep die hij voor zich heeft, willen doen openen. Die term uit de onderwijskunde wil zeggen: hij zal willen weten welke primaire associaties men heeft bij zo'n woord, welke voorkennis, maar ook welke misverstanden een rol spelen.
Inductief of deductief
Een van de interessantste discussies die tijdens de periode dat ik bij de HGJB werkte, gevoerd werden, was volgens mij die over de vraag of we nu voornamelijk inductief of deductief te werk moesten gaan in het jeugdwerk. Deze termen zijn slechts gebrekkige hulpmiddelen om in de bezinning verder te komen, maar als zodanig toch niet zonder nut. Vuistregel voor jongerenwerk, voor catechese, voor prediking is dat gezocht moet worden naar een evenwichtige mix van inductieve en deductieve aspecten in de benadering van doelgroepen. Deductief wil volgens Van Dale zeggen dat je inzet bij het algemene en van daaruit afdaalt naar het bijzondere. Er zijn algemene waarheden en die worden zonder nader onderscheid op allen en eenieder toegepast. Wie dit standpunt consequent doorvoert, heeft geen enkele behoefte aan jeugdwerk. De ene bijbelse boodschap is voor een meisje van 8 precies gelijk als voor een man van 80. In de kerkdienst wordt de waarheid gebracht zonder aanzien des persoons. Het gaat er maar om dat de waarheid zuiver en zo volledig mogelijk gepredikt wordt. Verder ligt de verantwoordelijkheid bij de hoorders. Als de boodschap onverkort is geponeerd, heeft de brenger van de boodschap zich vrijgemaakt van de zielen van de hoorders. Het is verder aan hen wat ze ermee doen.
Inductief te werk gaan is daarentegen opklimmen vanuit het bijzondere naar het algemene. In feite benader ik de ander zonder enige voorgegeven waarheid. In de ontmoeting stel ik mij open voor de waarheid van die ander. Ik probeer hem te helpen bij de verheldering van zijn eigen waarheid. Vervolgens kan ik hem, indien hij dat zelf wil, laten kennismaken met mijn subjectieve waarheid. Misschien komen we zo samen verder, misschien wordt er waarheid geboren uit de ontmoeting, eventueel de botsing der opinies. Dit is een typisch 'postmodernistische' benadering. Ervaring heeft hier in elk geval het hoogste en laatste gezag.
De ons vanuit onze traditie vertrouwde denkrichting en methodiek zijn voornamelijk deductief van aard. Wij hebben de Bijbel, de geopenbaarde Waarheid. Wij hebben een Woord voor de wereld, ook voor de kinderwereld en jongerenwereld. Met die gegeven waarheid zoeken we hen op. Wij willen met de bijbelse boodschap bij hen aan boord komen. Dat is een bij uitstek deductief beeld. Die boodschap hebben we kennelijk al kant en klaar bij ons, de kunst is alleen om de scheepjes, in dit geval de jongeren, te bereiken en vervolgens die boodschap aan hen te communiceren. Een ander beeld: de kinderen en jongeren zijn vaten die gevuld moeten worden. Dat doe je niet door er een emmer water overheen te plenzen, dus door ze met allerlei grote woorden en zware termen te bestoken, maar door met een pipetje uiterst zorgvuldig de kostbare waarheid bij hen in te druppelen. Ook al is er zorg voor de methode, letterlijk: de toegangsweg, het blijft in principe eenrichtingsverkeer. Naar mijn overtuiging zullen we ons sterker dan vroeger gebeurd is moeten richten op de aansluiting bij de leefwereld van jongeren. Inzetten dus bij de jongeren zelf, bij hun staan in de wereld en de samenleving en bij de vragen die zij als relevant ervaren. In de ontmoeting met jongeren is het ons dan echt om die jongeren zelf begonnen. Wij komen niet alleen maar bij hen aan boord om onze boodschap aan hen kwijt te kunnen. We komen naar hen toe om ze werkelijk te ontmoeten vanuit het geloof dat ze unieke schepselen van God zijn en dat de ontmoeting met hen wederkerig verrijkend kan zijn. Misschien is die ontmoeting zo indringend dat ons zicht op de boodschap daardoor wordt bijgesteld of in elk geval verrijkt en verdiept. Vanuit deze openheid leggen we jongeren vragen voor zoals die in de gehouden enquête zijn gesteld en in diezelfde openheid willen we vervolgens op die vragen ingaan en met de jongeren onderweg zijn.
Resultaten van de enquête
Drs. P. Vergunst heeft in zijn verslag van de studiedag al het een en ander doorgegeven van de resultaten van de enquête. Terecht is er op gewezen dat we met deze resultaten voorzichtig moeten omgaan en dat we moeten oppassen voor te snelle gevolgtrekkingen. Er zijn intussen toch op terughoudende wijze wel conclusies te trekken ten aanzien van de geloofsbeleving onder 'onze' jongeren. Daarbij moet uiteraard bedacht worden dat het om een momentopname gaat, dat vragen verkeerd geïnterpreteerd kunnen zijn en dat de gemiddelde jongere niet bestaat.
Het eerste blokje vragen cirkelt om het zicht op God. De antwoorden op deze vragen laten zien dat de jongeren over het algemeen klassiek-gereformeerde opvattingen over God huldigen. Je hoort vandaag de dag wel spreken over een sympathieke, met ons solidaire, maar bepaald niet almachtige God. In het geloofsontwerp van veel mensen in onze tijd is de leidende God vervangen door de idee van een lijdende God. Van invloeden van deze moderne ideeën is in de antwoorden van de jongeren nauwelijks sprake. Op de stelling 'Onze God is huiveringwekkend heilig' reageert 52.6% met 'eens' en 47.4% met 'oneens'. Dat laatste cijfer vind ik vrij hoog, maar is volgens mij vooral te wijten aan de term 'huiveringwekkend'. Had de stelling geluid: 'Onze God is ontzagwekkend heilig', dan zou het percentage 'eens' ongetwijfeld aanzienlijk hoger zijn uitgevallen. 65% vindt dat 'Gods majesteit iets is waarvan je kunt schrikken'. Dat acht ik een hoog percentage gezien de wat negatieve formulering. Een stelling als 'Gods majesteit is iets waarvoor je ontzag moet hebben' zou nog hoger hebben gescoord. Dat laatste wordt bewezen door de score van 86.9% 'eens' op de stelling: 'Dat God groot en heilig is, ervaar ik eerder als troost dan als bedreigend.' Dit vind ik een buitengewoon bemoedigende score. Hier blijkt overdracht van gereformeerd erfgoed te lukken! Dat mag dan ook wel eens hardop en met dankbaarheid (zeker niet met zelfvoldaanheid!), gezegd worden. Het moderne denkklimaat kent vage en gehumaniseerde godsbeelden en veel preken bevestigen die beelden alleen maar. Dat klimaat gaat zeker de hervormd- gereformeerde gemeenten en de jongeren daarin niet voorbij. Des te belangrijker dat er een tegenwicht is in het geloofsgoed waarin God voluit als de Almachtige, de Heilige en de Soevereine wordt gekend en beleden. Temeer omdat deze overtuiging van Gods grootheid niet zo wordt verstaan dat God en mens concurrenten zouden zijn. Dat laatste zou inhouden: hoe groter over God wordt gedacht, des te nietswaardiger is de mens. Neen, zegt 90.2% van de jongeren, 'ik weet dat ik voor God van waarde ben', ook al zeggen deze zelfde jongeren voor het merendeel, 76.2%: 'Als ik aan God denk, voel ik mij heel klein'. Heel klein en toch van waarde - dat doet mij aan Psalm 8 denken!
In een volgend artikel gaan we nog even door met het bekijken van enkele resultaten van de enquête.
Veenendaal J. Hoek
* Verkorte weergave van de lezing gehouden te Putten op 11 oktober 2000, tijdens de Studiedag van de HGJB, naar aanleiding van de verschijning van Bagage of ballast? Gereformeerde notities voor jongeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's