De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

In een vroegere jaargang (1956) van de Waarheidsvriend troffen we een gedicht van C. Joh. Scheurs, dat werd aanbevolen 'aan sommige kerkgangers':

Een vreemde vrouw is in de kerk gelopen
vanmorgen, even vóór het zegenwoord.
Zij had geen zondagsmantel kunnen kopen,
maar had van buren Jezus' naam gehoord.

De koster had er overheen gekeken
en even ergens anders op gelet:
ze zocht langs vreemden en het had geleken
of hier het evangelie stalles kende en parket.

Zo had ze banken afgezocht, een teken,
een vage hand gaf haar een plaats te leen,
en dankbaar was ze daar dan neergestreken,
net op 't moment dat satan ook verscheen.

En al haar vreugde werd tot waas verweven,
toen naast haar koud 'n stem verwijtend sneed:
'U zit op 't kussen van een ander, leest u even:
"gereserveerd", ik weet niet of u 't weet'.

Toen koos de vrouw de uitgang langs de toren,
haar wijze ogen vroegen maar niet meer.
En buiten kon zij d' anderen horen zingen:
'God heb ik lief, want die getrouwe Heer...'

               * * *

Onder een wijkbericht in een regionaal kerkblad troffen we een stuk van wijlen prof. dr. K. H. Miskotte over De vermoeienis:

'De Prediker zegt: "alle dingen worden zo moede", d.w.z. ze maken zo moe dat het schijnt alsof ze zelf aan hun vermoeienis zullen bezwijken. Voor zover de prediker op de kansel zich ook pastor weet (niet morgen in de huizen, maar nu in dit uur), kan hij niet voorbij aan dit steile geheim, dat Valéry en de wasvrouw, Sartre en de machinebankwerker gemeen hebben, en wordt hij geplaatst voor harten die bijkans bezwijken aan hun moe-zijn. Wat zeg ik? Wordt ook de priester en de profeet en de discipel niet moe, van de ommegang der dingen en de (naar hun ervaring) vergeefse arbeid hunner ziel? Het Oude Testament is vol zuchten over de onontwarbare samenstrengeling van het goede en zijn falen, van het kwade en zijn welslagen; vol verbazing over de arglistigheid van het menselijk hart. Het verzet der verkorenen met name blijft een ondoorgrondelijk raadsel. (...)
Baruch (Jer. 45), de helper en schrijver van de profeet, is moede van zijn zuchten over de volslagen onvruchtbaarheid van de profetisch-kritische arbeid - en hoort dat God zelf weer afbreekt wat Hij heeft gebouwd en uitrukt wat hij heeft geplant; én zoudt gij voor uzelf grote dingen zoeken? Het is dus meer dan mensen verwachten mogen, als zij ervan uitgaan (en ook de gelovige gaat daarvan uit), dat er, al ziet hij ze zelve niet, toch vruchten zullen gezien worden van wat door zijn arbeid werd teweeg gebracht. "De jongelingen worden moede en mat" (Jes. 40), een nieuwe tijd mist de nodige spankracht. Moet dat bestraft worden, of zullen we dit verdoezelen met de vaststelling: "wij hebben dan altijd goede moed"? Vergeet men dat het de Hére is, die de moede als moede kracht geeft uit zijn kracht, dan werkt men mee aan de camouflage van de vermoeienis, waarmee het hele leven is getekend in deze tijden, en men maakt de mensen, die bijna wanhopen, tot die het opgeven. Het komt mij voor, dat door de ontkenning én wegwerking der vermoeienis als stigma van onze tijd, de kerk een machtige bijdrage heeft geleverd tot de ontketening van een agressief pessimisme, dat ook wel "nihilisme" heet en dat zij haar zegen gelegd heeft over die religiositeit, die heimelijk, in tegenstelling tot het geloof, als een gevallen vorst, in de resignatie (het ontslag, het opgeven, de berusting) resideert. (...) Die de Here verwachten, zullen de kracht vernieuwen, niet die de Here "bezitten".'

Van de hand van ds. J. H. Velema verscheen i.v.m. zijn 60-jarig ambtsjubileum (proficiat!) een boek, getiteld De Kerk Centraal (uitgave Groen, Heerenveen). Hieruit het volgende fragment:

'In 1921 vertrok vader naar Kampen - een zeer oude gemeente, reeds in 1893 geïnstitueerd. Kampen was een gereformeerd bolwerk - hier was de Theologische School van de Gereformeerde Kerken gevestigd. We kwamen te wonen aan De la Sablonièrekade, naast professor L. Lindeboom van wie vader zei dat hij eigenlijk christelijk gereformeerd moest zijn.
Hier werd de kerkelijke opvoeding een feit, ongemerkt, maar daarom des te belangrijker. Kerkgang was voor de kinderen, als ze amper drie jaar waren, een vanzelfsprekendheid. De domineesbank was achter in de oude kerk. Nog zie ik vader op de preekstoel staan. En nog herinner ik mij dat hier in die kerk op vijfjarige leeftijd de begeerte bij mij opkwam: dat moet ik later ook gaan doen, namelijk preken, van de Heere Jezus vertellen. Door te luisteren naar vaders preken kwam er liefde tot de Heere Jezus in mijn kinderziel. Dat verlangen werd in Kampen steeds sterker en hield me bezig.
Een belangrijk moment was een dankdag, waarop vader me 's morgens meenam naar de hervormde Bovenkerk, waar ds. C. B. Holland preekte - later grote bekendheid gekregen als predikant van Putten in 1944 - zelf behoefde hij alleen 's avonds maar te preken. Dat was een ervaring die diepe indruk maakte. Wat een kerk, wat een preekstoel! Waarom zijn wij niet hervormd? Dat vertel ik je later wel eens, was het antwoord. Maar ik heb sindsdien een verborgen liefde gehad tot de Hervormde Kerk en later ging ik begrijpen dat me dat als kind der Afscheiding, volgens de prachtige Acte van Afscheiding, ook paste. In de jaren zeventig, toen er diverse bijeenkomsten van de Evangelische Omroep (EO) in monumentale hervormde kerken werden gehouden en ik daar mocht preken, heb ik vaak aan die eerste keer in Kampen teruggedacht.
In deze stad van sigarenmakers bleef vader maar kort. Voelde hij zich hier niet thuis of lag de mentaliteit van dit volkje hem niet? Zes weken voor het vertrek naar Noordeloos moest ik, per 1 april 1923, naar school, nog geen zes jaar oud. Juffrouw Hendriksen was de eerste onderwijzeres die ik ontmoette. Voor zover het "abc" me thuis al wat geleerd was, voltooide zij die kennis. Een indrukwekkende vrouw, wier zuster bekend is geworden als straatevangeliste. Vele reizigers die de IJsselbrug over kwamen, stelde ze de vragen: "Bent u bekeerd? Kent u de Heere Jezus?" Later zou ik deze vrouw bij preekbeurten in Kampen nog ontmoeten als ze vlak voor het votum op ging staan en haar boodschap met klankvolle stem meende de kerk in te moeten slingeren.
Eind mei verhuisde het gezin - inmiddels vier kinderen tellend - naar de Alblasserwaard - de landstreek door J. W. Ooms in talrijke boeken zo trefzeker en beeldend beschreven. Ruim twintig jaar later zou deze schrijver een gewaardeerd kerkganger in Soestdijk - tegenwoordig Soest - zijn.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's