Globaal bekeken
In VrijZicht (religie - kerk - cultuur) werd aandacht besteed aan de dichter Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995), onder de titel 'Zoenen waren schaars op de Veluwe'. Hier volgt het begin:
'De streek onder Zwolle heeft in het (geloofs)leven van Schulte Nordholt (geboren te Zwolle; , september 1920) een grote rol gespeeld. In zijn jeugd ziet hij daar eens een boer en boerin fietsen over de wegen van de Noord-Veluwe. Ergens buiten eens dorp zegt de boer tegen zijn vrouw: "Vrouw, laten we hier een afstappen en zingen ".
Nordholt: "En dat deden ze dan. Daar stonden ze in hun zondagse kleren in het stralende middaglicht aan de kant van die doodstille weg en ze zongen psalm 19: Het ruime hemelrond, vertelt met blijde mond, Gods eer en heerlijkheid". Hij zal het nooit vergeten. Zoals hij ook nooit het opzeggen van het psalmversje 's maandags op school vergat. Hij dankt er o.a. zijn liefde voor poëzie aan. Zoals psalm 68 : 7 bv. Hij is er niet alleen ontroerd door, maar vindt het zo prachtig dat hij besluit alle 16 strofen uit het hoofd te leren! Hij kreeg er helaas geen zoen voor van de juffrouw, "want zoenen waren schaars op de Veluwe" maar wel een mooi potlood. Op latere leeftijd zou hij dichten Maar alleen mijn zingen geeft / mij de zekerheid dat Hij er is.
Wedstrijd
En volop deed hij mee tijdens de dienst met de wedstrijd wie het hardste zingen kon op hele noten; en daar waren ook weer veel psalmen bij. Eén keer per zondag naar de eredienst werd voor de kinderen Nordholt voldoende geacht, behalve als zondag 34 van de Catechismus aan de beurt was: Eert uw vader en uw moeder, "Dan moesten wij mee". Van de versjes en verhalen uit zijn jeugd heeft hij dit besef over gehouden, nog eens extra erop gedrukt door de oorlog: Laat God maar begaan al is Hij het gesteente / dat in de akker ligt waarop gij zaait.
Welbehagen
Toen hij zijn studie geschiedenis aan de universiteit van Amsterdam al was begonnen, brak WOII uit: "Ik was zo'n twintig, vijfentwintig in die barre jaren en zat een hele tijd gevangen in het huis van bewaring in Arnhem. Daar hieven wij 's avonds in het donker met welbehagen psalm 79 aan: Getrouwe God de heid'nen zijn gekomen. Zij hebben stout uw erfland ingenomen. En dan met klem de zesde strofe: Ai, hoor naar hen, die in gevang'nis kwijnen, laat hun gekerm voor uw aangezicht verschijnen!" In deze gevangenis schreef hij de gedichten voor zijn clandestien uitgegeven Het bloeiend steen en hij ging daar door allerlei emoties en veranderingen heen: "Want o, wat hebben wij toen gedroomd van de toekomst!'
* * *
Dezer dagen verscheen bij Sdu Uitgevers te Den Haag een prachtig boek van Jan Bank en Maarten van Buuren, getiteld 1900 Hoogtij van burgerlijke cultuur. Uit het hoofdstuk Godsdienst: protestantisme volgen hier enkele passages:
• Kanselretoriek
'Vijf dichter-predikanten hebben hun loopbaan kunnen afronden met een beroep in Amsterdam. Dat gold in de kerkelijke hiërarchie als een begerenswaardige standplaats. Hun namen zijn na 1870 vereeuwigd in de straten van de hoofdstad. Maar ook een predikant als J. J. van Oosterzee liet zich voorstaan op zijn letterkunde. "Mijn hoofd en hart was als een huis met verschillende kamers, waarin ook een kleine salon voor de Letteren open bleef staan", schreef hij in zijn memoires. Maar de "bel-étage" bleef aan kerk en theologie gewijd. Van Oosterzee was een groot kanselredenaar en vertegenwoordigde dus een andere dimensie van Nederlandse letterkunde, de retorica. "Gezegende kansel, wat uren, voor de eeuwigheid geleefd, heb ik reeds daar aan u te danken gehad." En na een geslaagde preek schreef hij: "Ik had Engelenzang voor een ongeloofelijke schare".
Aan de keerzijde zaten de toehoorders, de gemeentenaren. In de befaamde roman over de kerkstrijd in de negentiende eeuw, Het Leesgezelschap te Diepenbeek, heet het: De Diepenbekers hadden, zoals de meesten onzer landslieden, ene eigen manier om in de kerk te zitten, die hen bij een oningewijde van onverschilligheid of luiheid zou in verdenking brengen: zeer ten onrechte inderdaad. Het grote onderscheid was of zij wakker waren dan of zij sliepen. Stonden de ogen open, dan beviel de preek (men kon er op rekenen), al zag men anders ook geen enkel bewijs van belangstelling of goedkeuring. Beviel het stuk niet, dan zette men zich nog wat gemakkelijker, dan men reeds zat, en weldra werd het zichtbaar, soms hoorbaar, dat het zaad niet in ene vruchtbare aarde viel.'
• Primus
'In de dorpsgemeenschap was de predikant een "primus inter pares", zijns gelijken waren de notaris, de arts en eventueel de burgemeester. "Op ons dorp zijn wij in zekere zin gelijk aan den koning, die ook eenig in zijne soort is", schreef C. van Koetsveld in een veelgelezen roman over zijn pastorie in Mastland. De negentiende-eeuwse pastorie is dan ook dikwijls een herenhuis. De bedienaar van het kerkelijk ambt was zielenherder en ging voor in de kerkelijke diensten van huwelijk en begrafenis, maar buiten deze orde was hij ook bij burgerlijke plechtigheden of soirées een geziene gast. In grotere steden had de predikant een vaste plaats in de intellectuele elite. Daar werd van hem deftigheid verwacht en deelname aan het leven van de gezeten burger. In de dorpen ging hij bij gemeenteleden zonder onderscheid op huisbezoek, maar dat was in de steden een uitzondering. De predikant ontleende zijn autoriteit bovendien aan het feit dat hij een zekere invloed had in de armenzorg. In een eeuw waarin de bedeling nog grotendeels een kerkelijke aangelegenheid was en waarin materiële ondersteuning en religieuze plichtsvervulling aan elkaar waren gekoppeld, mocht van de dominee een oordeel verwacht worden over het godsdienstig gedrag van de aanvragers.'
• Modernisme
'De geschiedenis van het modernisme in het Nederland van de negentiende eeuw laat zich aldus samenvatten: het licht was in Utrecht aangestoken, in Groningen aangeblazen en in Leiden in vuur en vlam gezet. In 1859 maakte de predikant P. A. de Genestet in een van zijn lekedichtjes onder de titel Beurt om beurt deze estafette tot een inmiddels klassiek geworden canon:
In Utrecht heeft voor jaren her
Van Heusde's licht geschenen.
Met 's mans disciplen toog zijn leer
En licht naar elders henen.
In 't Noorden heeft toen jaar op jaar
Een starretje geflonkerd;
Uw star, doorluchtig Leidenaar,
Heeft nu zijn glans verdonkerd.
Doch - dit is duidlijk - ook uw licht
Moet op zijn tijd weer kwijnen...
En dan? -o Goôn! dan is het Sticht
Weêr aan de beurt, om met nieuw licht
Ons Neêrland te overschijnen.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's