De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belofte en aanbod van genade (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belofte en aanbod van genade (4)

De Erskines (2)

11 minuten leestijd

Wet en Evangelie
Op het punt van de onvoorwaardelijke Evangelieverkondiging doet zich - overigens geheel in de lijn van de reformatorische theologie - een eigensoortige paradox voor. Mèt dat de Erskines immers de toegang tot het Evangelie onbekrompen vrijgeven, schijnen zij niettemin de deur op een kier te kunnen zetten, door de noodzaak van voorafgaande zondekennis te onderstrepen. Aan de troost van het Evangelie gaat het ontdekkende werk van de Wet vooraf. Functioneert dit gegeven nu toch weer niet als een voorwaarde, en is dit niet in strijd met hun uitgangspunt? Ik denk dat deze suggestie op een misverstand berust.
Hiervoor zie ik drie argumenten. Ten eerste dat de overtuiging van zonde ('conviction', 'humiliation') de vrije genade niet wil blokkeren, maar juist articuleren. Immers echte vernedering onder Gods oordeel en eigen vloekwaardigheid is geen gestalte die ons voor het heil geschikter zou maken, maar een besef dat ons integendeel van onze totale ongeschiktheid overtuigt. De zin ervan is louter, dat Christus op waarde wordt geschat. De Geest brengt ons door de Wet tot wanhoop aan onszelf, met geen andere opzet dan dat we tot Christus vluchten. De Wet maakt ons niet geschikt en aanvaardbaar, maar baant de weg naar de puur genadige vertroosting door het Evangelie. Om een beeld van Ralph te hanteren: de naald van de Wet wordt gevolgd door de draad van het Evangelie. Dit wijst op de onafscheidelijke en doelgerichte samenhang van Wet en Evangelie. Het gaat dan ook niet om een hoevéélheid zondekennis, als bezit en pleitgrond, maar juist om zo'n gekwalificeerde zelfkennis, dat we afzien van alle eigen inbreng. Kortom, het betreft geen verdienstelijke voorwaarde, maar de absolute onwaarde als keerzijde van het sola fide, de enige toegangsweg tot het sola gratia.
Het tweede argument is dat deze zondekennis niet berust op eigen capaciteit, maar op het woord der Wet uit Gods hart en mond. Ze is geen product van eigen akker, maar wordt door het Woord in het hart gezaaid. De aanvaarding van de bedreiging der Wet als aan óns gericht is volgens de Erskines dan ook volstrekt een zaak van geloof.
Nauw verwant hiermee is het derde argument. Zondekennis ontstaat uit de Wet. Maar welk 'natuurlijk' mens is in staat om de Wet werkelijk tot verootmoediging te horen? Op dit punt zijn we allen stekeblind en stokdoof. Het is echter in deze verlegenheid dat de beloften voorzien. Ze vormen het geneesmiddel voor al onze kwalen en zijn dus ook op déze nood berekend. Wat wij niet opbrengen, wil God door Zijn beloften volbrengen. Kortom, wat voorwaardelijk lijkt, dat blijkt een vrucht van het genadeverbond. De verootmoediging onder de Wet gaat wel aan onze heilskennis uit het Evangelie vooraf, maar in geen geval aan Christus' genadebetoon. Het is juist Christus, als de Uitvoerder van het verbond, Die de Wet hanteert ('by means of the law') om ons door Zijn Geest van zonde te overtuigen. In Hem is elke voorwaarde omgezet in een belofte.

De aard van de belofte
We concentreren ons nu op de Erskiniaanse prediking van de beloften en stellen eerst aan de orde wat de Erskines onder het woord 'promise' - dat zonder meer één van hun sleutelwoorden is - eigenlijk verstaan. Om te beginnen bedoelen zij er niets minder mee dan het Evangelie. 'Neemt men de belofte uit de Bijbel weg, dan neemt men het Evangelie weg'. Ten tweede wordt de belofte omschreven als de openbaring van Gods genadige eeuwige voornemen. In de beloften wordt Gods verkiezend welbehagen onthuld en blijft het geheim niet langer geheim. Ten derde is de belofte zoveel als een eedzwering die zéker wordt vervuld aan ieder die gelooft. 'God is not a speaker only, but a doer' (God spreekt niet alleen, maar doet het ook)! Ten vierde impliceert de belofte de presentie van het heil, niet maar voor de toekomst, maar in het heden. In de belofte is God Zelf genadig nabij, op de wijze van het Woord. Ralph illustreert dit laatste aspect met het beeld van een pijpleiding - het beeld is ook te vinden bij o.a. Perkins en Gray - waardoor bronwater naar een stad wordt gebracht. Zo komt het water des levens door de belofte tot aan de mond van het geloof.
Gods beloften zijn dus niet te verwarren met ménselijke toezeggingen. Mensen kunnen iets beloven, maar hetzij door onmacht, hetzij door onwil hun belofte niet nakomen. Gods toezeggingen zijn van andere aard. De Erskines wisten goed dat 'promise' de vertaling is van het nieuwtestamentische ep-angelia: Gods boodschap tot ons. In de belofte komt dus het Evangelie tot ons, als de bekendmaking en aanbieding van Gods kosteloze genade. Kosteloos voor ons, omdat de kosten volledig gedekt zijn door Christus, het Hoofd van het genadeverbond. De beloften zijn 'stuk voor stuk met Christus' bloed besprengd'. Ze komen in de uitdeling van het Evangelie zonder enige prijs of voorwaarde tot ons, omdat 'de prijs al ten volle betaald is in het vloeibaar goud van Christus' bloed'.
Maar hoe staat het dan met de onmisbaarheid van berouw, geloof en bekering? Zoals we al zagen doen de Erskines niets af aan de noodzaak daarvan. Maar zij weigeren evenmin iets af te doen aan de bevrijdende waarheid dat de Heere geeft wat Hij vergt. Als echte Marrow-men verzetten zij zich vastbesloten tegen elke vorm van 'neonomianisme', waarbij de bekering fungeerde als de vereiste waaraan men moet voldoen om deel te krijgen aan het verbond. Ralph oordeelt scherp: 'Indien iemand het aanbod van het Evangelie met zoveel termen en condities wil bezwaren, doet hij net als wanneer iemand een beker wijn aan zijn vriend wil aanbieden, maar hij maakt die eerst op het vuur zo brandend heet, dat hij die zelfs niet eens durft te proeven'.
Zoals echt berouw een gave Gods is, zo geldt dat ook van het geloof. Als het geloof niet zonder voorwaarde was beloofd en werd geschonken, dan zou het Evangelie geen werkelijk blijde en bevrijdende boodschap zijn voor mensen die nu juist zo verlegen zitten om geloof en die dat in eigen kracht niet kunnen opbrengen. Wanneer God dus oproept tot geloof - en de Erskines verzwijgen dat allerminst - dan schept Hij juist door het appel wat Hij verlangt, namelijk het geloofsamen dat zich op de belofte verlaat. 'In het gebod ligt een belofte opgesloten' en 'het geloof wordt voortgebracht uit de baarmoeder van de absolute (onvoorwaardelijke) belofte'.
Het is dit geloof dat waarachtige 'repentance', levensvernieuwing teweegbrengt. Als deze bekering aan het geloof zou voorafgaan, zou dat de pervertering behelzen van het reformatorische grondgegeven dat de heiliging geen voorwaarde, maar vrucht is van de rechtvaardiging. En dat zou een terugval in de werkheiligheid van het rooms-katholicisme betekenen (Van Harten). Een zondaar kan zich niet acceptabel maken voor de genade. Al dat pogen om zichzelf in een bepaalde gestalte te dringen is overbodig. Er is 'geen belofte voor'! Het is een 'legal repentance' (wettische bekering). En die is niet uit het geloof, dus: zonde. In plaats van Christus tegemoet te komen, staan we Hem dan tegen. De beloften zijn in Christus ja en amen. Wie zich daarop verlaat en Gods barmhartigheid verstaat, diens hart zal onder Gods liefde smelten. 'We moeten niet op een wettische manier bekering of plichten van eigen maaksel meebrengen, maar alles uit Hem halen Die het grote Schathuis is van al de volheid Gods (...). Als ge wilt wachten tot ge in een betere toestand zijt, kunt ge wel wachten tot de oordeelsdag'.
Maar hoe ligt dit nu met beloften die duidelijk van een voorwaarde vergezeld gaan, bijvoorbeeld: 'U die Mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan' (Mal. 4 : 2)? Dit geldt toch alleen godvrezenden? Ralph ontkent dat niet. Maar wat hij wel ontkent, is dat dit een reden zou zijn om aan zo'n belofte dan maar voorbij te gaan. Alleen, we moeten een omweg maken, door eerst een belofte aan te grijpen waarin de bedoelde conditie onvoorwaardelijk beloofd wordt, zoals: 'Ik zal Mijn vreze in hun hart geven' (Jer. 32 : 40). Maar bovenal hebben we ons tot Christus te wenden, in Wie alle beloften ja en amen zijn (een tekst die de Erskines talloze malen citeren). 'Als ge Hem hebt, dan hebt ge de conditie van alle beloften'. Dan mag men 'iedere belofte uitzoeken en aangrijpen die het best bij z'n toestand past'.
Maar is het nu niet zo, dat de belofte eerst óns moet aangrijpen voordat wij haar aangrijpen? Ja, dat is waar. Maar daaruit mag men beslist niet concluderen dat we eerst de kracht van de belofte moesten gevóelen, alvorens haar te gelóven. Dat is een misverstand. 'De grond van het geloof bestaat niet uit het gevoel, maar uit de belofte'. Met andere woorden: dat de belofte óns aangrijpt, zullen we niet eerder ervaren dan wanneer we haar aangrijpen. Opmerkelijk genoeg stelt Ralph dat het aanbod van de belofte al betekent dat zij ons aangrijpt. Hij verzekert immers: 'Uw omhelzing van de belofte ontstaat doordat de belofte u omhelst. Derhalve, als de belofte aan u wordt voorgesteld om haar te geloven, neem die dan aan in 's Heeren naam, zonder lang te dralen. En zeg bij uzelf: Hier is een woord voor mij, het Woord van de God der waarheid. Daarom zullen ik en dit Woord nimmermeer van elkander scheiden'.
Maar waar blijft de noodzaak van de wedergeboorte? Ook die is vrucht van de belofte. De wedergeboorte - zo stelt Ralph - begint daar waar een mens op grond van de belofte begint te hopen op God. Voordat de belofte van levendmaking wordt vervuld, is de ziel dood door zonden en misdaden. De belofte schept het leven. Het Woord is immers het zaad van de wedergeboorte. Ralph ziet hierin een krachtige aanmoediging om bij gebrek aan alle goede hoedanigheden, tot Christus en de belofte te gaan. De inplanting en vereniging met Christus, als 'de grondslag van alle geestelijke zegeningen', is een vrucht van de belofte. Het is door de prediking van het Evangelie dat de Geest wordt ontvangen. Christus rijdt voorspoedig op de wagen van de belofte, die tegelijkertijd de wagen van de Geest is. 'Het Woord der genade en de Geest der genade gaan hand aan hand'. Woord en Geest liggen beide in handen van Christus, en Hij, als het Hoofd, doet ze gelijkelijk neerdalen op Zijn leden. Wie hiertegen bezwaar aantekent en liever eerst op de Geest wil wachten, wordt door Ralph zonder pardon terechtgewezen. Hij noemt het bedrieglijke geestdrijverij, als de Geest en niet het Woord tot regel van het geloof wordt verheven. 'De Geest doet niets zonder het Woord'.
Wat is dan onzerzijds de voorwaarde om zalig te worden? Ze is er niet. Zonder enige bijdrage of arbeid, zelfs zonder onze begéérte maakt God ons zalig. De enige 'voorwaarde' is 'dat ik een zondaar ben en Christus de Zaligmaker is'. Het geloof komt pertinent met lege handen en ontvangt louter genade. Het is deze echt kosteloze genade 'die alle roem uitsluit, de mens verootmoedigt en Gods genade verhoogt'. Wie tot Christus komt, zo schamel en schuldig als hij is, die zal door Hem nooit van vermetelheid worden beticht. Wat wél vermetel is - zegt Ralph - dat is tot Christus gaan op grond van allerlei condities. Dit soort marchanderen maakt van de genade een koophandel. Het is ontering van de vrije genade. Zondaren worden gered. Wat Ralph daarmee bedoelt, is allesbehalve dubbelzinnig: 'Indien ooit de Tweede Adam u vindt, dan zal dat daar zijn waar de eerste Adam u heeft laten liggen, dat is: gedompeld in een uiterst zondige, ellendige, schuldige en verdoemelijke staat, en ontbloot van elke goede hoedanigheid'.
Dat deze radicale overtuiging consequenties heeft voor de prediking, is evident. Om dit te illustreren geef ik de visie door van Ralph, zoals hij die verwoordt in zijn preek over Handelingen 13 : 26 ('Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden'). De passage luidt zo: 'Ziet hoe schuldig gij u maakt, die de deur nauw maakt en de roeping van het Evangelie belemmert, door te zeggen: 'Als ge niet die en die hoedanigheden hebt, is dit woord der zaligheid niet voor u. Als ge die en die kenmerken niet hebt, is het niet voor u. Het is alleen voor u op die en die voorwaarden'. Hierdoor maakt ge het Evangelie tot géén Evangelie. Het is alsof Christus geboren is om heiligen, en niet om zondaren zalig te maken. Zulken weerspreken het eigenlijke doel van het Evangelie, namelijk een woord van zaligheid te brengen aan allerlei soort van zondaren. Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden; voor u, o zondaar, is de deur der zaligheid geopend. Alles wat deze deur nauwer maakt, elke leer die ge hoort die het evangelieaanbod belemmert of beperkt en die ertoe strekt om u te doen veronderstellen dat er voor u geen plaats, geen toegang is, die moogt ge verdenken, dat het óf geen evangelieleer is, óf dat er zoveel wetticisme onder vermengd is, dat ge die behoort te schuwen als de duivel'.

A. de Reuver

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2000

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Belofte en aanbod van genade (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2000

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's