Uit de pers
Hertaling
Hertalen is een tekst van een oudere taalvorm in een moderne overbrengen (Van Dale). Hervormd gereformeerde predikanten kregen onlangs een voorlopige uitgave toegestuurd van een hertaling van de klassieke liturgische formulieren. Een initiatief van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. U hebt er over kunnen lezen. Een zeer toe te juichen stap. Wie hecht aan wat ons in het spoor van de Reformatie is overgeleverd moet ervoor zorgen dat het in ieder geval qua taal bij de tijd blijft. Op die lijn staat ook de uitgave van de bundel Psalmen in tweevoud, een paralleleditie van de berijmde psalmen: de nieuwe berijming van 1968 en de oude berijming van 1773 samen in één band. In het Reformatorisch Dagblad van 3 november wordt initiatiefnemer ds. G. de Fijter (Kampen) gevraagd naar zijn motieven tot deze uitgave te komen. Vanuit een hoge waardering van de psalmen in de eredienst moet gezegd worden, aldus ds. De Fijter, dat de oude berijming op allerlei momenten een grote belemmering vormt. Ik citeer: 'Er worden woorden en groepen van woorden gebruikt die een andere duiding hebben gekregen'. Hij geeft daar dan een aantal voorbeelden van. Het is de bedoeling van deze bundel dat ze in de eredienst wordt gebruikt waarbij kerkenraad en voorganger zelf kunnen beslissen uit welke berijming een bepaalde psalm zal worden gezongen. Het gaat er om 'om de psalmen in ere te houden'.
Je kunt zeggen: beter laat dan nooit, al is het naar mijn inschatting aan de late kant. Op basisscholen leren kinderen geselecteerde psalmen uit de oude berijming, althans in hervormd gereformeerde gemeenten. Maar wie in dezelfde gemeenten regelmatig met jongeren samen is, constateert dat de psalmen bijna geheel buiten beeld zijn geraakt en dat de bundels Opwekking het allang gewonnen hebben van het oude liedboek van Israël.
Mij trof een ingezonden brief van Ria Borkent in het Nederlands Dagblad van 24 oktober ook over deze materie. Ria Borkent schrijft gedichten en kerkliederen. Ze herdichtte Bachkoralen en schreef de tekst van het paasoratorium 'Het Lam dat ons doet leven'. Ze haakt in op twee uitspraken en geeft daar onder andere het volgende commentaar op:
'In het ND van 12 oktober zegt dr. J. Hoek over de overdracht van gereformeerde noties aan jongeren: "Uiterlijkheden moeten de boodschap niet in de weg staan".
Hij haalt dan een citaat aan van prof. dr. J. Blaauwendraad uit zijn nieuwste boek De leer tegen het licht, dat hij op 10 oktober besprak in het ND: "Laten we toch elke onnodige verhindering wegnemen. Een kerk die ijvert voor het behoud van de Statenvertaling in zijn oude vorm is naar binnen gekeerd, heeft opgehouden missionair te zijn en houdt de luiken naar een verloren gaande wereld gesloten. Die kerk kiest voor de afgaande generatie en niet voor de opkomende". (...)
"Laten we toch elke onnodige verhindering wegnemen." In dit verband denk ik niet alleen aan de Statenvertaling, maar ook wel aan de staatsberijming-1773 van de psalmen en aan de praktijk van isometrische ("niet-ritmische") gemeentezang.
Onlangs was ik aanwezig op een zangavond in een grote Gereformeerde-Bondskerk. De kerk zat afgeladen vol, zeer veel jeugd. Er werden psalmen gezongen op hele noten in de berijming van 1773. Ook zong het jeugdkoor heel mooi een psalm ritmisch, eveneens 1773. Het heeft mij beziggehouden in de dagen erna: Is dit nu eervol voor God, deze taal uit 1773?
God heeft mogelijkheid tot vernieuwing in zijn schepping gelegd. Wij vernieuwen toch op allerlei gebied? Mannen gaan niet meer gekleed in kuitbroek en fluwelen buis, vrouwen dragen geen crinolines, we rijden niet in koetsjes, maar in auto's zelfs naar de kerk. Thuis schrijven we niet meer met ganzenveer of kroontjespen, maar met de computer, en Hare Majesteit zouden we beslist niet aanspreken in een ouderwets en te klein jasje als: "Majesteit, het saamgezworen rot groeit vrees'lijk, wil mij niet versmaan".
Hoe eervol is het als wij God eren in het taalkleed van vóór Ot en Sien? Moet die taal dan het laatste woord zijn tot de jongste dag? Of is het mogelijk in een sfeer van vertrouwen en geduld een nieuwe vertaling, een nieuwe berijming bespreekbaar te maken?
Daarmee zouden we onze kinderen tegemoetkomen. Zelf zong ik "1773" tot mijn 35e jaar; mijn vader is begraven met gemeentezang van psalm 103 in de geliefde oude berijming. Psalmen kunnen ons zo innig vertrouwd en geliefd zijn, juist in een bepaalde vorm.
Toch is er een tijd van komen en gaan, en dan kunnen we misschien ook dankbaar zijn voor een nieuw kerkboek. Niet alleen gedateerde taal werpt een barrière op voor de gemeente en in de geloofsoverdracht naar jongeren (zingen is uiting en inning van geloof!), ook het zingen op hele noten, vooral in een tempo dat trager is dan de polsslag, het natuurlijke tempo. Datheens berijming met zijn slechte woord/toonverhouding bracht de gemeentezang al spoedig na de Reformatie in de gestage stroom van isometrisch vaarwater. Maar zo was het oorspronkelijk niet!
In de jaren 1946-1950 heeft de violiste Ina Loht via lezingen en cursussen bevorderd dat in veel kerken het zingen op hele noten afgeschaft werd ten gunste van ritmische gemeentezang, nl. in de oorspronkelijke notatie van Loys Bourgeois e.a., de door Calvijn aangezochte componisten van de Geneefse psalmmelodieën.
"Wie het op zich laat inwerken, komt tot de overtuiging dat de christelijke kerk die kiest voor de Geneefse psalmmelodieën, deze ritmisch, levendig, behoort te zingen, zoals ze gemaakt zijn. De gemeente komt er dan ook toe meer héle psalmen te zingen; immers het zingen op hele noten in een traag tempo vergt zoveel tijd en adem, dat vaak maar enkele verzen gezongen kunnen worden... Zingen op hele noten reduceert de lof. Nieuwe inzichten kunnen inspireren tot vernieuwing in de gemeente die ons lief is. We kiezen dan als kerk voor de opkomende generatie en houden de traditie levend. We laten naar buiten toe horen, hoe eigentijds de kerkzang is: de psalmen zijn intiem en strijdbaar, ze zijn modern als het journaal, gevuld van bloed en tranen. Alleen, in de psalmen is het leven in al zijn delen op God betrokken, in het journaal niet. De psalmen kennen het licht waarnaar de postmoderne mens diep-in op zoek is.'
Ik acht dit een geluid dat de moeite van het overwegen onder ons méér dan waard is, al moeten we wel waken voor nieuwe sjibbolets, nieuwe strijdpunten die ons afleiden van waar het werkelijk op aankomt.
Theologisch geneuzel
Dat schrijft prof. dr. A. Th. van Deursen boven zijn veertiendaagse rubriek in het Nederlands Dagblad van 28 oktober. Hij haakt in op de verschijning van het nieuwste boek van prof. Kuitert én op dat van prof. Blaauwendraad. Het ene boek trekt aandacht in kleine kring en het andere in heel Nederland en zelfs daarbuiten. Als het over Blaauwendraads' publicatie gaat, schrijft hij en ik citeer de rest van zijn column:
'Het is zijn tweede over hetzelfde onderwerp, na Het is ingewikkeld geworden. Beide malen verontschuldigt hij zich bijna, dat hij juist over deze zaken schrijft. Ben je niet bezig, vraagt hij letterlijk, "met geneuzel in de marge", als je het vergelijkt met "de vragen waarvoor Gods kerk zich op wereldschaal geplaatst ziet?" Er zijn veel landen waar christenen worden vervolgd, maar desondanks of juist daardoor vindt hun boodschap gehoor in verschillende delen van Azië en Afrika. Moest dat ons niet veel meer bezighouden dan de kleine problemen van kleine kerkjes in Nederland?
Wereldkerk
Ook Kuitert betrekt de wereldkerk in zijn beschouwingen. Hoe zijn nieuwe boek heet, ben ik vergeten, en dat wou ik zo ook maar laten. Over de verschijning weet ik alleen uit de media, in de eerste plaats door een optreden van Kuitert zelf in een televisierubriek van de KRO. De inzet van het gesprek was de vraag of God een liefdevolle Vader was, en het antwoord luidde ontkennend. Zo'n geloof was alleen mogelijk voor rijke, tevreden mensen die aan niets gebrek hebben. Maar in Rwanda of Ethiopië kun je het niemand meer wijsmaken. Daar hoef je niet aan te komen met de boodschap dat God liefde is. Kuitert en Blaauwendraad hebben dus beiden over de grenzen heen gekeken, maar ze zien heel verschillende dingen. Vanuit Amsterdam bekeken is het hele geloof aan een goede God achterhaald. Gezien vanuit Delft neemt de kerk in grote delen van de wereld dagelijks in omvang toe, juist in armere landen. Beiden willen ze ook aan het buitenland een voorbeeld nemen, en dan moeten we kiezen. We kunnen ons met Blaauwendraad verblijden over de groei van Gods kerk. Of we kunnen met Kuitert vaststellen dat de God waarin christenen vroeger geloofden, niet bestaat.
De twee conclusies sluiten elkaar uit, en toch hebben de schrijvers allebei dezelfde kant op gekeken. Eén van de twee moet zich vergist hebben. Valt voor ons uit te maken, wie het geweest is?
Als het gaat om wat ze gezien en gehoord hebben, dan kunnen ze beiden gelijk hebben. "Indien de Heere met ons is", zegt Gideon, "waarom is dit alles ons dan overkomen?" Zijn vertrouwen is hij al kwijt. Hij weet zeker dat God Israël verstoten heeft. En zo slecht is hij er helemaal niet aan toe. Als hij die mismoedige woorden uitspreekt, staat hij tarwe uit te kloppen. Eventjes later offert hij een bokje, en in de nacht nog een stier. Honger lijden ze niet, daar in dat huis van Joas. Maar dat God hun liefhebbende Vader is, geloven ze niet meer. Hoe zal het dan mensen vergaan die werkelijk honger en dorst kennen, geen huis hebben om in te wonen of kleren om aan te trekken, en geen dag zeker van hun leven kunnen zijn? Die willen niet meer weten van een God die voor hen zorgt.
Dat is het gelijk van Kuitert. Het is een natuurlijke manier van denken, logisch en rationeel. Maar het getuigt niet van geloof. Dat lijkt mij op Kuiterts waarneming van beslissende invloed. Wie zelf geen geloof bezit, zal het ook niet gemakkelijk bij anderen zien. Geloof tegen alle uiterlijke schijn in is niet rationeel, tenminste niet in de gewone betekenis van het woord.
Maar als je God kent als de liefhebbende Vader, is zulk geloof juist wel rationeel. Want als je zeker weet dat de Almachtige jouw Vader is, hoe zou je dan ooit je vertrouwen kunnen verliezen?
Oekraïne
Het is waar: wij hebben gemakkelijk praten. Wij worden hier immers niet op de proef gesteld. Maar ik weet wel uit andere landen van mensen die ook onder zware omstandigheden geen twijfel kennen. Onlangs las ik een brief van een jonge Russin die een paar weken in Oekraïne geweest was. Het harde leven in Rusland met zijn straatkinderen, zijn massale werkloosheid en hoge criminaliteit kende ze uit eigen ervaring, maar van de Oekraïne schrok ze. Kleren, schoenen en levensmiddelen waren duurder dan in haar eigen land, maar de lonen half zo hoog. Mij verwonderde het niet, want dat was ook het beeld dat ik uit brieven van Oekraïense christenen had gekregen. Die christenen hebben het niet ruimer dan hun ongelovige medeburgers. Toch was mijn briefschrijfster één verschil opgevallen: "Blijde gezichten zie je hier alleen in de kerk". Daar zitten de mensen bij elkaar, die het vertrouwen hebben vastgehouden in hun Hemelse Vader.
Met anderen delen
Dat willen ze ook met anderen delen. "Wij verlangen vurig naar Christus' komst", schreef eens een andere Oekraïense, "want het leven valt ons heel moeilijk. Maar ik kan God zelfs voor mijn tranen danken, als ik eraan denk hoeveel mensen het evangelie nog niet kennen, en dat ze nu nog tijd krijgen."
Sommigen van haar landgenoten gaan daarvoor ook de grens over. We hebben in deze krant kunnen lezen over de jaarlijkse bijeenkomst van de stichting Friedensstimme, waar de evangelist Volodja Tsjernov vertelde over zijn werk in Turkmenistan. Gemakkelijk heeft hij het niet gehad in dat islamitische land. De meesten bleven onverschillig, anderen waren uitgesproken vijandig. Toch heeft hij enkelen weten te bereiken, voordat hij het land werd uitgezet.
Eén jong meisje dat tot bekering kwam, moest zich tegenover haar moeder verantwoorden. Waarom moest zij nu juist christin worden te midden van zoveel moslims? "Er wonen vijf miljoen mensen in Turkmenistan", antwoordde het meisje, "en onder al die mensen heeft Jezus mij gevonden. Hoe zou ik Hem dan kunnen afwijzen?"
Dat is het gelijk van Blaauwendraad. En met hem kan ik mij dan beschaamd voelen over al het theologische geneuzel dat wij ons veroorloven. We kunnen er wel eens toe gedwongen zijn, zolang we in deze bedeling verkeren. Maar als wij de oude mens willen afleggen en naar onze nieuwe woonstede verlangen, zullen wij ons het beste thuisvoelen in het gezelschap van hen die het vertrouwen in hun Vader nooit verloren hebben.'
Dat bedoel ik met een pleidooi om bij alle voorzichtig pogen de oude boodschap in een nieuw taalkleed door te geven toch vooral juist in deze tijd oog te blijven houden voor waar het werkelijk op aankomt. En dat wordt in de vorm van taal overgeleverd. Daarom heeft hertalen alles te maken met Christus' belofte: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. Het kan niet onze roeping zijn alles maar bij het oude te laten uit vrees voor verlies van inhoud, zoals zo vaak wordt gezegd. Het dient er ons juist om te gaan om de 'oude' inhoud altijd nieuw te laten zijn en te laten blijven.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 2000
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's