Gereformeerde bagage voor jongeren (3)
Vier predikanten zijn in het boek Bagage of ballast nader ingegaan op de kernthema's die de enquête aan de orde stelde. Ik wil ze alle vier met een trefwoord typeren. Geduldig uitleggen - dat is de benadering die we aantreffen bij ds. J. J. Verhaar. Schrijvend over Gods majesteit en onze menselijkheid is hij vooral bezig om de bijbelse kernwoorden te spellen. Daarbij is de belijdenis, bijvoorbeeld artikel 1 van de NGB over God, een wegenkaart om in de Schrift de routes te ontdekken en de knooppunten op te sporen. De belijdenis als staf om te gaan, de Schrift als bron om uit te drinken, de prediker of catecheet als wegwijzer naar de bron die hulpvaardig de staf of de kruik aanreikt.
Een wat andere benadering treffen we aan in het hoofdstuk van ds. J. Maasland, 'Gods voorzienigheid en ons lijden'. Hier kies ik als trefwoord Verantwoord vernieuwen. Dit hoofdstuk wordt gekenmerkt door de inzet bij de aanvechting en de eigentijdse vragen. Nadat geluisterd is naar wat mensen vandaag beweegt, en gepoogd is dicht bij de jongeren te komen in hun vaak tegenstrijdige gevoelens ten aanzien van Gods regering en het lijden van de mensen, komt Maasland op voor het wezenlijke in de gereformeerde kernnoties. Daarbij is ruimte voor vernieuwing. De belijdenis is geen keurslijf, maar een handreiking tijdens een voortgaande zoektocht. Echt een staf om te gaan of een bedding waarin de rivier zich voortbeweegt. De catecheet of prediker is daarbij duidelijk ook zelf onderweg en wil met de jongeren samen naar de Bron gaan.
De derde schrijver ds. W. Markus, wil pastoraal transformeren. Het klassieke belijden wordt overgezet in een andere toonsoort. De kernmotieven van het belijden komen in een nieuw kader te staan. Het spreken over verkiezing is pastoraal, bescheiden en evangelisch. Ik denk dat Markus terecht de vinger legt bij het gegeven dat de kerk niet duidelijk genoeg preekt over de uitverkiezing. Uit vrees voor onbegrip wordt vaak maar helemaal gezwegen over de verkiezing, terwijl het juist van groot belang is bijbels over de verkiezende God te spreken! Niet alleen een verkeerde leer, maar ook een ten onrechte stilzwijgen roept karikaturen op. Het is daarom nodig dat er vanuit onbevangen exegese van de betreffende bijbelse passages in de prediking ruime aandacht wordt gevraagd voor de verkiezende God! Daarbij komen aan de orde: de verkiezing van Israël, de verkiezing als lofprijzing in Efeze 1 en 2, de verkiezing als troost en laatste houvast te midden van aanvechtingen vanwege het zicht op God die niet laat varen wat Zijn hand begon.
De bijdrage van ds. H. van den Belt over 'Gods genade en onze zonde' is te typeren als existentieel toespitsen: het is heel duidelijk dat de jongeren zelf in geding zijn en dat de diepste en zwaarst wegende zaken aan de orde zijn, kwesties van leven en dood, zaken van eeuwigheidsbelang. Juist wanneer het over zonde en genade gaat, zal deze spanning niet mogen ontbreken. Tua res agitur, jouw zaak is in geding. En dan is het heel goed wanneer de catecheet of voorganger van tijd tot tijd van zijn katheder of kansel afkomt en met collega Van den Belt eerlijk zoiets zegt als: 'Ik moet eerlijk bekennen dat ik het best moeilijk vind om het onderwerp 'zonde en genade' op een heldere manier uit te leggen. Waarom? Omdat het ook mijzelf raakt. Ik voel dat ik niet kan volstaan met de bekende klanken, maar dat ik heel eerlijk moet spreken over jouw hart en mijn hart tegenover God.'
Vier benaderingen die elkaar dienen aan te vullen: geduldig uitleggen, verantwoord vernieuwen, pastoraal transformeren en existentieel toespitsen.
Hoe vullen wij de rugzak van onze jongeren?
Kunnen we nu uit de voeten met onze gereformeerde traditie of niet? Eerst maar eens een poging om puntsgewijs aan te geven waar het op aan komt, wat de kerninhoud van het gereformeerde belijden is.
Onmisbare bagage lijkt mij:
1. de soevereiniteit van God de Schepper, aan Wie alle eer en dienst toekomt op alle terreinen van het leven;
2. de radicale verlorenheid en verdorvenheid van de mens door de zonde en daartegenover de radicaliteit van de genade;
3. het verzoeningswerk van Christus als de enige grond van behoud voor zondaren;
4. het werk van de Heilige Geest in geloof en bekering of wedergeboorte;
5. de betekenis van de gemeente als volk van God, lichaam van Christus en tempel van de Heilige Geest;
6. de verwachting van de komende Christus en Zijn volmaakt koninkrijk.
Er is zoals bekend een uitvoerige discussie geweest naar aanleiding van uitingen van prof. dr. C. Graafland over de betekenis van de belijdenis. Is de gereformeerde belijdenis een blok aan het been, omdat de tijdgebonden, scholastieke aanslibsels het zicht op de Schrift zouden belemmeren? Wekt de orthodox gereformeerde boodschap vervreemding in de gemeente? Moet het ons niet te doen zijn om een nieuw onbevangen luisteren naar de Schrift alleen, zodat de Geest de ruimte krijgt om ons nieuwe ontdekkingen te laten doen?
Allerlei nuanceringen zijn inmiddels door deelnemers aan deze discussie en trouwens ook door Graafland zelf aangebracht. Ik zou willen zeggen - met ds. C. den Boer, in een lezing gehouden ter gelegenheid van het derde lustrum van de THGB - we zijn geroepen tot transponeren, tot omtalen van de blijvende Boodschap in eigentijds taalgebruik. Hij vraagt om een vertolking naar de belevingswereld van jongeren met een sterke nadruk op de affectieve kanten van geloven. Volgens Den Boer valt het wel mee met de ballast. Zeker, er wordt in onze belijdenisgeschriften soms met redelijke, logische argumenten gewerkt, ontleend aan filosofische/aristotelische denkmethoden. De kerk heeft telkens weer met het begrippenapparaat van de eigen tijd stamelend beleden wat de Schrift ons betuigt. Maar we moeten dit niet overdrijven (Het verhaal komt door, Ede 2000, 20-24). Goed, dat ben ik met Den Boer eens. Intussen is daarmee wel wat gezegd! We hebben dus in elk geval de opdracht bij de overdracht van gereformeerde noties de blijvende kernen van tijdgebonden formuleringen te onderscheiden. En we zullen die blijvende kernen in evenzeer tijdgebonden eigentijdse formuleringen moeten vertolken! Echte gereformeerde theologie is bij-de-tijdse theologie. 'Wie het spanningsveld negeert tussen de overgeleverde gereformeerde traditie en de hedendaagse cultuur en op de catechisatie de waarheden van het christelijk geloof doorgeeft zonder zich af te vragen of het wel overkomt, zonder gesprek en interactie, helpt ten diepste niet de jeugd, maar bevestigt alleen zichzelf (ds. C. G. Vreugdenhil tijdens de Haamstede-conferentie 2000, volgens Reformatorisch Dagblad).
Identificatiefiguren gevraagd
Den Boer voert verder een pleidooi om in de contacten met jongeren een identificatiefiguur te zijn, dat wil zeggen een man of vrouw in wie herkenbaar is wat Jezus van mensen maakt die Hem navolgen, of anders gezegd: hoe God mensen verandert. Je wilt met jonge mensen naar de Bron gaan. Laat dan zien hoe je zelf die Bron nodig hebt en er altijd weer uit mag drinken. Ga met jongeren samen op weg naar de Bron nadat je ze eerst hebt ontmoet zoals Jezus de Samaritaanse vrouw ontmoette in Johannes 4. Dus in haar eigen situatie, te midden van haar eigen vragen en dorsten. 'Opnieuw gaan drinken uit de bron is heel iets anders dan een steviger bodem in de ton leggen om het water van vroeger zoveel mogelijk vast te houden' (drs. W. Dekker, Langs de rand. Theologische reflecties bij de kloof tussen geloof en leven, Zoetermeer 2000, 13).
Relevantie van de boodschap
Tijdens deze ontdekkingsreizen met jongeren zul je bemerken dat je kennis van Bijbel en confessie als ballast kunnen werken wanneer je deze verkeerd hanteert. Wanneer je meent de waarheid in pacht te hebben en antwoorden te kunnen oplepelen op veronderstelde vragen, vervreemd je jezelf van de jongeren voor wie je nu juist een reisgezel, een kameraad zou moeten zijn. Ik geef hier graag door wat HGJB-medewerker Wout Schonewille opmerkte in een interview in Visie: 'Als je leeft vanuit het feit dat God jou onvoorwaardelijk accepteert, moet dat dus doorwerken in de wijze waarop jij met tieners omgaat. Wij hebben toch al gauw de neiging tieners het gevoel te geven dat ze moeten komen waar wij zijn, zo van: 'Kom maar hogerop'. Maar wij moeten juist 'naar beneden', zodat je samen op pad kunt gaan'.
Ik proef hier bij menigeen de bedenking: gaan dan uiteindelijk de jongeren de dienst uitmaken inzake de stof die aan de orde komt tijdens de les of de catechisatie? Is dan alleen nog maar relevant wat zij relevant achten? Wordt dan de belijdenis en wordt vervolgens de Bijbel niet gelegd op het Procrustes-bed van het eigentijdse levensgevoel? Krijgt de Heilige Geest nog de ruimte om heel andere vragen aan de orde te stellen dan die welke bij de jongeren in een bepaalde groep leven? Dat zijn wezenlijke vragen. Voor we er erg in hebben, zijn we de kern van de zaak kwijt: het evangelie van de verzoening of om met Paulus te spreken: Jezus. Christus en Die gekruisigd (1 Kor. 2 : 2). Ds. W. Smouter zegt daarvan: 'Maar het blijft waar: in het evangelie gaat het niet allereerst over Christus die vol begrip was voor zielige mensen, maar over Christus die Zijn kostbaar bloed vergoot voor verloren mensen. En ik voel diep in mijn hart (om die ervaringsuitdrukking nu maar eens te gebruiken) dat het artikel waarmee de kerk staat of valt, nog altijd is de genade van God voor verloren mensen. Om de turbotaal van onze tijd te gebruiken: ik geloof dat de kerk terug moet naar zijn core business: genade. Genade voor zondaren.' (in prof. dr. J. Hoogland e.a., Bruggen slaan. Communicatie van het evangelie in een postmoderne tijd, Barneveld 1999, 103).
Relatie, ruimte, richting
Stel u gerust: waar we in ons werk jongeren echt de ruimte geven, waar jongeren ervaren dat we ze serieus nemen, dat we van ze houden, dat we ruimte bieden voor hun eigen verantwoordelijkheid en vrijheid, daar wordt ruimte geschonken voor een woord van de andere kant dat wij dan als transformatoren aan deze jongeren mogen bedienen. Lef hebben, hart hebben voor de jongeren en tegelijkertijd lef hebben voor de Boodschap - in dat vruchtbare spanningsveld staat de jongerenwerker die in deze tijd van postmodernisme de aloude en toch altijd nieuwe Boodschap wil communiceren aan de jonge mensen met wie hij of zij een relatie opbouwt, tegelijkertijd hen ruimte biedt en richting wijst.
Kerkelijk jeugdwerk en catechese zullen vrijplaatsen voor jongeren moeten bieden, waar ze zich met hun vragen, hun twijfels èn hun kritiek kunnen uiten. Ik denk hier bijvoorbeeld aan wat prof. dr. ir. J. Blaauwendraad geschreven heeft in zijn recent verschenen boek De leer tegen het licht. Belofte en verbond in Woord en Reformatie (Heerenveen, 2000) over 'Kern en bast'. Hij schrijft dan onder andere: ' Laten we toch elke onnodige verhindering wegnemen. Laat onze kerktaal aansluiten bij onze spreektaal. En onze kanseltaai ook. Mag een vreemde als hij onverwacht in onze kerkdienst belandt alstublieft snappen waar we het over hebben? Een kerk die ijvert voor het behoud van de Statenvertaling in zijn oude vorm is naar binnen gekeerd, heeft opgehouden missionair te zijn en houdt de luiken naar een verloren gaande wereld gesloten. Die kerk kiest voor de afgaande generatie en niet voor de opkomende' (136). Vergelijk overigens ook drs. W. Budgen in Confrontatie in perspectief - jongeren op de drempel van een nieuwe eeuw, Woerden 1999, 75: 'Het is nodig voor het maken van de juiste keuzes om te leren onderscheiden tussen de Schrift, de Traditie met een hoofdletter (bijvoorbeeld de belijdenisgeschriften) en de traditie met een kleine letter. De jongeren moeten weten wat absoluut onopgeefbaar is en wat cultureel bepaald is.'
Nog eens: deductief en inductief
Het is niét zo dat de Boodschap aan de ouderen is toevertrouwd met de opdracht deze zo goed mogelijk verpakt aan de jongeren over te dragen. Neen, de Boodschap is aan jongeren en ouderen samen toevertrouwd en zij zijn geroepen elkaar te helpen bij het verstaan en verwerken van die Boodschap. Jongeren helpen jongeren, ouderen helpen ouderen, jongeren en ouderen helpen elkaar wederkerig om samen het rechte spoor te zoeken bij het licht van Gods Woord op het terrein van de hedendaagse werkelijkheid. Let wel, ik zeg daarmee uitdrukkelijk niet dat de waarheid uit de mens zelf opkomt of uit de ontmoeting geboren wordt. Ik zeg evenmin dat we eigentijdse ervaringen tot nieuwe openbaringsbron zouden mogen verheffen. Ten principale gaan we deductief uit van de gegeven Waarheid. Daarmee bedoelen we allereerst de Persoon Jezus Christus, vervolgens het Woord als het gewaad waarin Hij tot ons komt. Het inductieve element ligt echter hierin dat we ervan overtuigd zijn dat de Geest ons voortleidt in het verstaan van de Waarheid. Pas wanneer we voluit openstaan voor de tijd waarin we leven, geven we de Geest de ruimte om ons nieuwe inzichten en verrassende toepassingen van het Woord te laten ontdekken. Wat hebben de ouderen daarbij de jongeren hard nodig! De jongeren hebben ook elkaar hard nodig. En de jongeren hebben ouderen als identificatiefiguren hard nodig om te zien wat beleefd geloof en ervaren waarheid is. Het is een mooie opdracht om ontmoetingsplaatsen voor jongeren te creëren waarbij we hen helpen om vanuit hun ervaringen en vragen bij het Woord uit te komen en naar het Woord te leren luisteren.
In het samen buigen voor het Woord wordt het dilemma inductief of deductief overstegen.
Veenendaal J. Hoek
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's