De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belofte en aanbod van genade (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belofte en aanbod van genade (5)

De Erskines (3)

14 minuten leestijd

Auteur en inhoud van de belofte
De auteur van de belofte is de drie-enige God. De Vader is de Fontein en Oorsprong. Maar niet minder is ook de Zoon de Belover, evenals de Heilige Geest. Al de beloften van het nieuwe verbond noemt Ralph 'de taal en stem van de Geest des Vaders en des Zoons'. Meteen zijn de Vader, de Zoon en de Geest ook de inhoud van de belofte. Dus, de Drie-enige belooft, en wat Hij belooft is niets en niemand minder dan Zichzelf. De Vader geeft er Zich in weg, zoals een man zich in het huwelijk geeft aan zijn vrouw. De Zoon is de grote belofte, omdat Hij 'hoofdsom en centrum, ja het Alles is' van het genadeverbond. Hij is er 'de wortel en de basis' van. Als God ons Zijn hart en gedachten wil meedelen ('communicate His mind'), dan doet Hij dat 'in Christus'. De belofte is de plaats waarin Christus zich bevindt. Wie Hem ontmoet, ontvangt Hem 'uit de schoot van de belofte'. Christus is het wezen van alle beloften ('substance of all the promises'), de substantie van heel de Bijbel. Hij is de 'sweetness' (zoetheid) van alle verbondszegeningen, het merg van alle genadegiften ('the marrow of all the mercies'), de volheid van alle beloften. Leeg zijn ze zonder Hem, want 'He is all in all'. Ralph knoopt hieraan de ontboezeming vast: 'O ledige ordinanties, zonder Christus; ledige sacramenten, als Christus er niet is; o ledige predikers, als Christus niet bij hen is; ja, ledige hemel, als Christus daar niet is; ledige genietingen en ledige vertroostingen, zonder Christus'. De beloften van het Evangelie zijn dan ook niets anders dan de ontsluiting van de onnaspeurlijke rijkdommen in Christus. Dat geldt al van de moederbelofte vlak na de zondeval. Alle daaropvolgende beloften zijn stromen die uit deze bron voortvloeien. Evenzeer als de Vader en de Zoon is ook de Heilige Geest de inhoud van de belofte. Al wat Deze in het zondaarshart schept, is derhalve beloofd: geloof, overtuiging, vertroosting, heiliging, gebed. 'In wat voor hopeloos, hulpeloos, smartelijk of vertwijfeld geval een ziel ook zou mogen verkeren, daar is een belofte des Geestes voor'.
Aangezien God Drie-enig alles bevat, is ons in Hem alle goeds beloofd. Krachtens de gemeenschap aan de Bruidegom deelt de bruid in Zijn rijkdom en zal zij alles beërven. Zo zijn alle beloften als een gouden keten aaneengeschakeld; ontvangt men er één, dan ontvangt men ze allemaal. Zoals we al zagen is de belofte dan ook het Evangelie zelf. Heel het heil is erin vervat. Wijst de Wet ons op ons boze hart, dan antwoordt het Evangelie: 'Ik zal u een vlesen hart geven', waarop het geloof zegt: 'Welkom, Heere, met zulk een belofte'. Beschuldigt de Wet ons van onze overtredingen, dan antwoordt het Evangelie: 'Ik gedenk uw overtredingen niet', waarop het geloof zegt: 'Welkom, gezegende belofte; Heere, ik betrouw op Uw Woord en omhels de belofte'. Voegt de Wet ons toe dat onze kwalen ongeneeslijk zijn, dan antwoordt het Evangelie: 'Ik ben de Heere, uw Heelmeester', en het geloof zegt: 'Doe gelijk Gij hebt gesproken'.
Men bemerkt dat het Erskiniaanse beloftebegrip ruim is, ook in die zin dat er niet alleen voorzeggingen omtrent toekomstig heil onder vallen, maar dat ze slaan op alle teksten die van Gods presente genade getuigen. In dit licht is het dan ook van onschatbare betekenis dat Ralph opmerkt, dat de beloften ons als het ware rond hoofd en oren vliegen. Zoals de hemel vol van sterren is, zo is de Bijbel vol van beloften, en ze zijn gevuld met zegeningen, gepast voor al onze omstandigheden. God Zelf komt er hier en nu in mee. Veelvuldig en met klem onderstreept Erskine hierbij dat het geloof weliswaar compleet op de belofte rust, maar dat het in de belofte Christus Zelf aantreft. Het Woordgeloof is allerminst afstandelijk van aard. Het is innig, persoonlijk, experimenteel. Door de belofte komt het tot een ontmoeting van hart tot hart. 'De belofte is het vat, maar Christus is het vocht, het levende water (...). En wanneer iemand gelooft, neemt hij niet maar het vat in de hand, o nee, dat zou zijn dorst niet lessen (...), maar hij drinkt Christus als het levende water, en zo wordt hij gevoed, verkwikt en voldaan'.
Aan dit beloftegeloof is de zekerheid wezenlijk inherent. Wel kennen de Erskines (in het spoor van de puriteinse traditie) ook een zekerheid die niet wezenlijk aan het geloof eigen is. Dan gaat het om een zekerheid omtrent de oprechtheid van eigen geloof, die reflexief is van aard, en dus achteraf wordt verkregen, omdat ze per gevolgtrekking tot stand komt. De Marrow-men hanteerden hiervoor de term 'zekerheid van het gevoel' ('assurance of sense'), om deze op de waarneming berustende zekerheid te onderscheiden van de 'zekerheid van het geloof, die wezenlijk tot de directe daad van het geloof behoort. In de gevoelszekerheid concludeert men aan de hand van kenmerken, dus op grond van wat God in ons heeft gewerkt, dat men Christus heeft aangenomen. De geloofszekerheid verlaat zich rechtstreeks op Christus, op grond van de belofte voor ons. Deze directe geloofsdaad gaat voorop. De indirecte is secundair en bijkomend. Draait men de volgorde om, dan verwart men de 'fruit of assurance' met de 'root of assurance', dus de vrucht met de wortel, en dat is heilloos. Ofschoon de Erskines de gevoelszekerheid, zolang die althans op de juiste manier functioneert, niet afwijzen en ze er leiding in proberen te geven, gaat hun hoofdaandacht uit naar de directe geloofszekerheid, die volstrekt gebaseerd is op de zekerheid en betrouwbaarheid van de belofte (vgl. Van Harten, 183-190). Met kracht komen ze voor deze zekerheid op. Twijfel aan Gods beloften brandmerken ze resoluut als zonde.
Dit wil echter niet zeggen dat ze geen aandacht hebben voor de mens die twijfelt aan de echtheid van zijn geloof(sleven). Ralph aarzelt zelfs niet om ieder die daaraan nog nooit heeft getwijfeld, toe te voegen dat zo iemand zijn geloof wel mag verdenken. Het kon wel eens louter op inbeelding berusten. In twijfel raken over zijn geloof is rechtmatig en begrijpelijk. Maar Ralph voegt er iets heel opmerkelijks aan toe: 'totdat men Gods beloftewoord gelooft'! De uitweg die hij wijst uit de impasse is dus niet de weg van zelfcontrole en observatie met behulp van de kenmerken, maar de weg van het directe geloof. Wie twijfelt aan het gehalte van zijn geloof en dus aan zijn 'staat', die moet niet bij zichzelf op zoek gaan, maar de toevlucht nemen tot de vaste verbondsbelofte. Zolang dat niet plaatsvindt, heeft iemand inderdaad grote reden om te twijfelen aan zijn geloof. Want wat doet het ware geloof, vraagt Erskine? Het gelooft! Het neemt de belofte aan als Gods testament. Deze toe-eigening van de belofte is 'de eigenlijke natuur en het merg van het geloof, de allerlevendigste daad van een kind der belofte'. Op deze wijze is geloven het tegenovergestelde van ongeloof en twijfel.
Maar dit geloof is evenzeer het tegendeel van vermetelheid en zelfverzekerdheid. De zekerheid des geloofs gaat gehuld in het gewaad van deemoed en gebed. Het roept: 'Heere, kom mijn ongeloof te hulp'. Want niemand kan geloven wanneer hij maar wil. Geloven is Gods gave en dat blijft het. Het is met het geloof als met het vuur: het wordt aangeblazen door 'een blaasbalg', en dat is het gebed tot Hem Die het vuur aanwakkert. Wie door het geloof op de beloften leeft, is in zichzelf altijd arm en noodlijdend. Maar: 'de vaten mogen leeg raken, nochtans blijft de beloftebron vol en altijd stromend'!
Het kan niet verbazen dat wie zo over het in zichzelf armlastige geloof spreekt, ook oog heeft voor de aanvechting die het vergezelt. Met het echte geloof gaat het zo, dat alles wat een mens in en rond zichzelf waarneemt, kan strijden met de vervulling van Gods beloften. Die zijn immers tegengesteld aan rede en gevoel. Ralph herinnert in dit verband aan de onmogelijkheid waarin Abraham belandde door het bevel om zijn enige zoon te offeren. Maar - zegt hij dan - om aan Gods betrouwbaarheid ruimte te geven, vergeet de aangevochtene zichzelf en trekt hij zijn zintuigen af van alles wat strijdt met de belofte. Hij gelooft wat voor natuur, gevoel en rede onmogelijk is en er volledig mee in strijd is. Al zijn overwegingen ruilt hij in voor het geloof in die God Die doden levend maakt. En zo gelooft hij het tegendeel van wat hij ziet. Ook wanneer de Heere Zijn beloften soms als het ware door de hel laat heen lopen eer Hij ze vervult, vervullen zal Hij ze, door ellende tot heerlijkheid, door de dood tot het leven.
Wie uit de belofte leeft, deelt onvervreemdbaar in Gods heil, maar leeft nog door geloof en nog niet door aanschouwen. Wel zijn er, behalve de dalen van de aanvechting, ook de toppen van genieting en zoetheid, waarin het geloof (annex de liefde) ervaringen opdoet van de 'communion' met God, als de aanvankelijke vervulling van de belofte der heerlijkheid. Maar het zijn - naar het bekende woord van Bernardus - ogenblikken die zeldzaam zijn en kort van duur. Wij leven van beloften, totdat we zullen komen bij 'de Levensfontein in heerlijkheid, waar de belovende God voor eeuwig als de belofte-vervullende God zal worden genoten'.

Het adres van de belofte
'Het is een slecht huisbezorger die uit vrees voor de honden de kinderen het brood onthoudt'. De Erskines waren goede huisbezorgers. Zij deelden de Evangeliebeloften rijk en koninklijk uit. Als Ralph de vraag beantwoordt aan wie de belofte is gericht, luidt zijn antwoordt: aan zondaren uit het menselijk geslacht, aan de hele zichtbare kerk. Wat hij daarmee precies bedoelt, zegt hij onomwonden: 'Gij allen hebt het recht van toegang ('right of access') en de vrijheid om te komen'. Nu is dit recht van toegang niet hetzelfde als het recht van bezit ('right of possession'). Uiteraard niet, want daartussen zit het geloof, waardoor het beloofde pas ons bezit wordt. Maar het is veelzeggend dat Erskine formuleert: 'Gij allen hebt het recht van toegang (tot de belofte) en de vrijheid om daarvan bezit te nemen'. De twee soorten recht vallen dus weliswaar niet samen, maar ze staan nog minder tegenover elkaar. Integendeel, het toegangsrecht is niets minder dan het recht (en zelfs het gebod) om de belofte te geloven en op die manier het recht van bezit te ontvangen.
Dat de Schrift op cruciale momenten van 'geven' spreekt, is Erskine niet ontgaan. Zo was de koperen slang gegeven om er de blik op te slaan tot behoud. Evenzo is het Kind, waarvan Jesaja zegt dat het óns geboren en gegeven is, volgens Ralph ons daartoe geschonken, dat ieder die ervan ophoort een recht en volmacht heeft om Hem in bezit te nemen. En het woord 'gegeven' in het bekende Johannes 3 : 16 wil zeggen, dat God Zijn Zoon aan een verloren gaande wereld gaf met het recht en de vergunning om die gave aan te nemen. Het toegangsrecht contrasteert dus niet met het bezitsrecht, maar het tendeert er juist naar; het is een recht om de belofte in bezit te nemen. Via het recht van toegang mag men de belofte geloven, om zo 'het recht (van bezit) op de beloofde zaak te verkrijgen'. Het moet ons hierbij niet ontgaan dat Erskine bij herhaling stelt, dat dit recht van toegang ons is verzegeld in de doop.
Aan wie is de belofte nu concreet geadresseerd? 'Aan grote zondaren, aan u!' Ze wordt als grond van het geloof gepresenteerd aan vijanden en rebellen. Niet alleen aan boetvaardigen die hun nood gevoelen, maar aan onboetvaardigen die het zonder Christus kunnen stellen. Juist het gemis aan overtuiging (van zonde) is 'de eigenlijke reden' van de aanbieding van het Evangelie. De dorstigen die in Jesaja 55 worden genodigd, zijn - zoals Ralph scherp signaleert - niet de ware behoeftigen, maar juist lieden die hun geld uitgeven voor wat niet verzadigen kan. Tot 'verharde zondaren zonder genade' komt het Evangelieappèl, in hun 'natuurlijke, verloren, dode en verdoemelijke toestand'. Ons bezit is de belofte eerst wanneer ze aangenomen is. Maar aangenomen worden wil ze door bezitlozen. De belofte staat immers naar haar (genadige) wezen in relatie met gebrek en behoefte. Ze zou er eenvoudig niet zijn - en ze zou niet voluit en werkelijk genade zijn - als er geen bezitlozen waren. 'Ge moogt zijn wie ge zijt, ge zijt zo welkom om haar tot uw eigendom aan te nemen als het aanbod van het Evangelie en het gebod van de God des hemels het u maar maken kan'. Stellig, niemand kan komen tenzij de Heere hem trekt. Maar dit trekken geschiedt nu precies 'in de aanbieding van het Evangelie', waarin de belovende en barmhartige God al Zijn schatten van 'vrije beloften' voor ons opent. 'O, vuile en walgelijke zondaar, wiens hart niets anders is dan een kooi van onreine duivels, hier is een schat aan reinigende genade'. 'Indien gij de genade verwelkomt, dan zult ge bevinden op 's Heeren tijd dat ge vriendelijk verwelkomd zult worden'.
Niemand ter wereld die onder het Evangelie leeft, kan dan ook naar waarheid betuigen dat hij in tegenstelling tot anderen, in de belofte niet wordt beoogd. Omdat Gód ons niet uitgesloten heeft, is het een verschrikkelijke zonde, onszélf buiten te sluiten. Al die opstandige en moedeloze gedachten komen voort uit de hel. Ze zijn van de satan, en niet van het Evangelie. 'Noem maar eens één geval dat buiten het bereik van de belofte zou liggen!' Gods belofte is de remedie tegen élke kwaal. 'Wie ge ook zijt, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden. En ik zal u in Gods naam vertellen wat ge daarmee doen moet. Ge moet de Heere op Zijn Woord aannemen en zeggen: Amen, Heere, zo neem ik U dan op Uw belofte aan. O, laat ze mij aangrijpen, want ze is voor mijn ziel een blijde boodschap'.
Maar hoe staat het dan als men niet geloven kan? Ook hierop weet de belofte raad. De belofte is namelijk niet alleen het voorwerp van het geloof, maar ook de moeder ervan. In het omhelzen van de belofte trekken we meteen ook kracht uit de belofte om haar te omhelzen, biddenderwijs. Want het geloof is in zichzelf het zwakste ding ter wereld. Maar het werpt zich op de belofte en zegt: 'O Jehova, Gij weet dat ik even weinig kracht heb om van de belofte gebruik te maken als tot het scheppen van de aarde, maar Gij zijt niet alleen de God der waarheid, maar ook de God van macht, Die aan Uw belofte krachtdadigheid kunt geven. Derhalve zegt mijn hart daar amen op. Mij geschiede naar Uw Woord. Door genade omhels ik haar'. Het is in deze Mariaanse, biddende gestalte dat het Woord wordt geloofd, zonder het in eigen kracht te kunnen. Het geloof wordt niet beoefend onder het gevoel van eigen vermogen, maar 'in het besef van eigen machteloosheid'. Zo is de belofte berekend op bezitlozen en machtelozen, en daarom geadresseerd aan zondaren zoals ze zijn.
Dat Erskine zo ver kan gaan, vindt zijn verklaring in het grenzeloze krediet dat hij heeft voor het Woord der belofte. En dit krediet voor de belofte wordt naar mijn idee gedragen door het besef dat zij voortkomt uit het hart van de genadig verkiezende God. Het is die God Die niet vraagt, maar soeverein geeft, of liever: Die geeft wat Hij vraagt, vrijmachtig en vrijwillig gééft. Vandaar dat Ralph kan zeggen dat de belofte komt 'tot zondaren als zondaren'. Daarmee bedoelt hij ongetwijfelt dode zondaren die absoluut niets te bieden hebben, zo zoals ze van nature in Gods ogen zijn. De belofte is dan ook 'Gods brief uit de hemel, ondertekend door de hand van Christus en verzegeld door Zijn bloed'. Het opschrift voor zondaren luidt: 'Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden'. Dit woord bevat beloften voor weerspannige en onvernederde zondaren. Geen enkel obstakel werpt het op. Het bevat de betuiging van louter erbarmen en wil onvoorwaardelijk geloofd worden. Daarom krijgen degenen die niet durven aannemen wat God hun aanbiedt, te horen: 'Was het niet genoeg dat ge Zijn rechtvaardigheid hebt beledigd; zult ge het nu ook nog wagen Zijn barmhartigheid te verachten? Deze zonde is erger dan al uw vorige zonden'. Niet het geloof is een waagstuk, maar het ongeloof. En wie zich verontschuldigt met een beroep op de overmacht van het ongeloof en dus het argument gebruikt, niet in staat te zijn om tot Christus te komen, wordt ook dit excuus ontnomen: 'Omdat gíj niet tot Hem kunt komen, is de Zaligmaker tot ú gekomen!'

A. de Reuver

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Belofte en aanbod van genade (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's