De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Openheid voor eigentijdse vragen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Openheid voor eigentijdse vragen

Jezus Christus, onze Heer en Verlosser (2)

9 minuten leestijd

In dit tweede artikel over het rapport 'Jezus Christus, onze Heer en Verlosser' willen we bezien op welke wijze in dit rapport wordt ingegaan op eigentijdse vragen die kerk en theologie beroeren. Ik heb in het vorige artikel als mijn mening uitgesproken dat het rapport veel goeds bevat en dat hetgeen daar op rustige toon positief wordt beleden, moet worden gelezen als een lijnrecht weerspreken van gedachten als van H. M. Kuitert over christologie en van C. J. den Heyer over verzoening. Om alle misverstand te voorkomen: het gaat er mij als ik dat zo stel beslist niet om eenzijdig te focussen op deze beide genoemden.
Hun namen noem ik alleen omdat ze door hun recente publicaties model kunnen staan voor de benadering die bij vele anderen in de drie kerken die 'samen op weg' zijn, worden aangetroffen, overigens met allerlei nuanceringen.
Het rapport gaat in op enkele hedendaagse uitdagingen en aanvechtingen waarvoor de christelijke gemeente zich gesteld ziet. Deze openheid voor eigentijdse vragen is een goede zaak. Belijden voltrekt zich nooit in het luchtledige en abstracte. Daarom is ook altijd weer nieuw belijden nodig in confrontatie met nieuwe vragen en in verwerking van nieuwe inzichten.

Geloof en historische wetenschap
Tamelijk veel aandacht besteedt het rapport aan de vragen die gesteld worden door de historische wetenschap, met name door geleerden die de Bijbel bestuderen met gebruikmaking van de historisch-kritische methode. Op bladzijde 2 wordt het probleem geformuleerd: 'Bij menigeen is het vermoeden gerezen dat het beeld dat de Bijbel ons van Jezus geeft, vertekend is door latere geloofsvoorstellingen.' Dat wil zeggen: in de evangeliën zouden we gelovige schetsen van Jezus voor ons hebben die ons meer vertellen over het geloof van de schrijvers dan over wie de historische Jezus werkelijk geweest is. Met de beste bedoelingen zouden bevlogen gelovigen Jezus steeds meer opgehemeld hebben en Hem daarom allerlei uitspraken in de mond hebben gelegd en daden hebben toegeschreven die Hij in werkelijkheid nooit heeft uitgesproken of gedaan. Het zou niet meer mogelijk zijn achter deze portretten terug te grijpen naar de echte, de historische Jezus. Dat geeft dan vervolgens een vrijbrief om allerlei eigen Jezus-beelden te creëren. Velen weten hierdoor niet meer waar ze aan toe zijn en wat ze nu werkelijk van Jezus moeten denken. Er is sprake van een gevoel van verwarring, verlegenheid en onzekerheid.
Het rapport neemt afstand van allerlei radicale gevolgtrekkingen die door kritische onderzoekers gedaan worden. Wel wordt erkend dat het met de middelen van de historische wetenschap niet kan worden vastgesteld of Jezus zichzelf werkelijk als goddelijk heeft beschouwd. Historisch is dat niet te bewijzen, evenmin als het tegendeel trouwens. De historische vraag of Jezus zelf zijn dood als een opdracht en als heilbrengend heeft gezien, is evenmin met de middelen van de historische wetenschap met zekerheid te beantwoorden. En opnieuw geldt: het tegendeel evenmin. Nu, het lijkt mij voor het geloof geen enkel probleem om dit volmondig te erkennen. Immers, wanneer een en ander wel met wetenschappelijke methoden was vast te stellen, dan zou er geen geloof meer nodig zijn om te aanvaarden dat Jezus' dood tot ons heil is geschied. En daartoe is nu juist de Heilige Geest gekomen om ons door de prediking van het evangelie dit geloof te schenken. Terecht wordt dan ook in het rapport opgemerkt: 'Wij geloven in God, niet in historisch vastgestelde feiten. Daarom mag het geloof ook niet worden verward met een conclusie uit de resultaten van historisch-wetenschappelijk onderzoek' (40).
Tegelijkertijd kan mijns inziens onbekommerd door het geloof worden vastgehouden dat de Heere Jezus in essentie werkelijk, historisch zo heeft gesproken als in de evangeliën is overgeleverd. Daarmee ontkennen we niet dat er vragen zijn. Natuurlijk zijn de evangeliën in het licht van Pasen en Pinksteren geschreven.
De woorden van Jezus behoeven niet letterlijk alle zo uitgesproken te zijn zoals ze ons overgeleverd zijn, alsof ze opgenomen waren met een tape-recorder. Jezus spreekt bij de evangelist Johannes anders dan bij de overige drie synoptische evangelisten. En er zijn ook allerlei verschillen op te merken tussen Mattheus, Marcus en Lucas, die het ons in veel gevallen onmogelijk maken vast te stellen welke woorden de Heiland nu exact, letterlijk heeft uitgesproken. Het is ook waar dat niet alle feiten te achterhalen zijn met de precisie en zekerheid die de historische wetenschap vereist.
Terecht gaat het rapport op deze dingen in, maar ik vind het veel te ver gaan wanneer het rapport de vraag openhoudt of Jezus zichzelf als goddelijk heeft beschouwd en of Hij het heilig moeten van Zijn lijden en sterven zelf heeft beseft. We behoeven dit niet te problematiseren, mogen dat ook niet doen. Voor het geloof is er geen verschil tussen de historische Jezus en de Christus der Schriften. Ik waardeer de bedoelingen van het rapport in de ontmoeting met de historisch-kritische wetenschap. Maar ik betreur de defensieve wijze waarop gesproken wordt. Laat de kerk maar frank en vrij haar volstrekte vertrouwen in de nieuwtestamentische getuigen belijden, ook waar het de historische betrouwbaarheid betreft!

De betekenis van metaforen
Belangrijk, zij het voor de gemiddelde lezer nogal technisch, is ook wat in het rapport opgemerkt wordt over de betekenis van metaforen. Het gaat bij metaforen om woorden die overdrachtelijk worden gebruikt, bijvoorbeeld: 'die man is van ijzer'.
Metaforisch staat niet tegenover werkelijk, maar tegenover letterlijk. Wie de vraag stelt of de betreffende man al roestplekjes vertoont, heeft de metafoor niet begrepen. Maar intussen pakken we allemaal uit de metafoor op dat de betreffende man geen slappeling is. In de Bijbel wordt dikwijls metaforisch gesproken over God, bijvoorbeeld als beleden wordt 'God is mijn rotssteen' (Psalm 92 : 16). Ook over Gods werken, bijvoorbeeld het werk van de verzoening, wordt in metaforen gesproken. Bijvoorbeeld de metafoor van het gereinigd worden door het bloed van Christus of van het vrijgekocht worden door de losprijs van Zijn bloed. Hier beschrijven de metaforen de werkelijkheid op een bepaalde manier, namelijk door middel van een gelijkenis. We moeten niet vragen aan wie de losprijs betaald wordt, want dan overvragen we het beeld. Het beeld wil zeggen dat genade nooit goedkoop is, dat verlossing een hoge prijs vraagt. We moeten ook niet vragen hoe je schoon kunt worden door bloed alsof het om een letterlijke wasbeurt door middel van de substantie bloed ging. Het gaat bij 'bloed' om de aanduiding van de totale overgave van Jezus tot in de dood.
Wat bij dit alles van de grootste betekenis is, dat is dat het bij dit spreken in metaforen steeds over de werkelijkheid gaat en niet alleen maar om een subjectieve visie op de werkelijkheid. Wanneer de verschillende beelden die de Schrift gebruikt over 'verzoening' alleen maar visies van gelovige mensen zouden uitdrukken, zouden we zonder enig probleem afstand kunnen nemen van bepaalde metaforen en die als achterhaald kunnen beschouwen, hetgeen iemand als C. J. den Heyer dan ook werkelijk doet. Maar wanneer het bij de metaforen over verzoening gaat om verschillende aspecten en facetten van de rijke werkelijkheid van Gods verlossend handelen, kunnen we de metaforen niet tegen elkaar wegstrepen, maar dienen we ze juist bij elkaar op te tellen. Het gaat er maar niet om hoe wij de verzoening zien. Als dat het geval was, zo wordt op blz. 49 terecht opgemerkt, zou het geloofsgesprek 'niet veel meer inhouden dan het uitwisselen van individuele ervaringen en waarheden. Deze situatie kunnen wij als christelijke gemeente niet aanvaarden. Wij houden er daarom aan vast dat wij ook in ons metaforisch spreken over God en de verzoening, hoe indirect en fragmentarisch misschien ook, werkelijkheid beschrijven.' Ik ben zeer dankbaar met deze positiekeuze!

Gemeenschap met het belijden van het voorgeslacht
Minder gelukkig ben ik met hoofdstuk 4 onder bovenstaande titel. Ook daarin worden vele goede opmerkingen gemaakt, de lijnen van het vroeg-kerkelijke en reformatorische belijden worden helder doorgetrokken. Helaas moeten de Zondagen 4 tot 6 van de Heidelbergse Catechismus het ontgelden. Te veel zouden deze de gedachte oproepen dat genoegdoening aan Gods strafeisende rechtvaardigheid een voorwaarde is voor Zijn liefde. Wordt de rechtvaardige God voorgesteld als de gevangene van Zijn besluit? Dreigt Gods liefde, die bijvoorbeeld bij Calvijn voorop staat, hier op de achtergrond te geraken? Spitst de Heidelberger Anselmus op eenzijdige wijze toe? We weten dat deze vragen niet nieuw zijn. Inderdaad zijn de formuleringen en de redeneertrant van de Zondagen 4-6 niet boven alle kritiek verheven. Toch had ik graag gezien dat er vanuit de erkende gemeenschap met het belijden van het voorgeslacht meer invoelingsvermogen was getoond voor de intenties van de Catechismus in deze opbouw van het onderwijs naar de Middelaar toe. We mogen nooit vergeten dat de rijke Zondag 1 over 'de enige troost' vooraf gaat aan de zondagen 2-6. Terecht schrijft prof. dr. M. J. G. van der Velden in een schets over deze catechismuszondagen: 'De heilzame rechtvaardigheid van God staat in het middelpunt van de aandacht. Daaraan moet genoeg geschieden. Hier is niet het beeld van God, die beledigd is en daarom persoonlijke genoegdoening eist, maar veeleer van Hem die trouw blijft aan Zijn rechtvaardigheid om het heil van mensen te zoeken ten koste van zichzelf.' (Kennen en vertrouwen, 51). Pas daarna zegt Van der Velden dat we in onze tijd deze betoogtrant zo niet meer kunnen hanteren. In het kader van het hedendaagse denken zullen andere wegen gegaan moeten worden om dezelfde boodschap te communiceren. Vergelijk hierbij de genuanceerde bespreking van de verhouding tussen Anselmus en de Catechismus door dr. G. van den Brink ('Eerherstel voor Anselmus', Theologia Reformata 43-1, maart 2000, 18-36).
Ik meen dat bij alle erkenning voor waardevolle elementen in dit rapport hier toch een punt van zorg ligt. Er bestaat nu eenmaal grote vrees voor al verder gaande oprekking van de gemeenschap met het belijden van het voorgeslacht tot niet meer dan instemming op hoofdlijnen of zelfs nog minder dan dat. Deze vrees wordt bepaald niet weggenomen door de hier geleverde kritiek op de Heidelberger, die naar mijn inschatting veel te kort door de bocht gaat. Ik hoop dan ook dat de synoden op dit punt een correctie zullen aanbrengen in de tekst van het rapport.

Spannend
Met spanning wordt de behandeling van dit rapport tegemoet gezien. Dit zal zeker ook een plaats in de voorbede moeten hebben. Prof. dr. J. W. Maris doet in een commentaar in het Reformatorisch Dagblad (11.11.00) de suggestie dat de triosynode in haar bespreking van dit rapport helder zal zijn over wat met de kracht van de in dit rapport gegeven overtuiging moet worden gedaan in de kerk. Het gaat niet om ketterjacht. Het gaat er wel om dat zonneklaar wordt dat loochening van het belijden van Jezus Christus als de Zoon van God en van Zijn verzoeningswerk niet geoorloofd is in een kerk der Hervorming die weert wat haar belijden weerspreekt.

Veenendaal               J. Hoek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Openheid voor eigentijdse vragen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2000

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's