De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Oud en nieuw
Deze week sluiten we het kerkelijk jaar af en a.s. zondag begint een nieuw jaar in de kerk: advent. Pas zei een gemeentelid me dat hij er zich soms aan ergert als wij dominees dan net doen alsof Jezus nog geboren moet worden. Inderdaad, zó preken geeft geen pas. Het heil is verworven. Kruis en opstanding liggen achter ons. Het is eens en voor al volbracht. Wij verwachten naar Jezus' belofte thans nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. De redactie van het Christelijk literair tijdschrift Liter bracht een themanummer uit onder redactie van Hans Werkman met als titel Open doek. Werkman schrijft dat deze titel ontleend is aan het gedicht 'Hoonte' van Gerrit Achterberg. De buurtschap Hoonte heet in dat gedicht 'een eeuwig open doek/voor de verbeelding van het paradijs'. Het is een interessant nummer geworden waarin 'belangrijke aspecten van de relatie tussen literatuur en de christelijke verwachting dat alles nieuw wordt' aan de orde komen. Om te beginnen citeer ik het slot van de bijdrage van ds. A. J. Zoutendijk die schreef onder de titel De primitiviteit van de beloften met als ondertitel 'Wat zegt de Bijbel over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde'.

'De Bijbel spreekt over de nieuwe hemel en aarde in beelden. Deze zin is zo vaak herhaald, dat ze alleen al daardoor niet meer betwijfeld lijkt te kunnen worden. Ik wil dat toch doen, althans er een kritische kanttekening bij plaatsen. Als men zegt dat de Schrift in beelden spreekt, bedoelt men dat voorstellingen uit de ons bekende wereld worden gebruikt om iets uit te drukken van het onvoorstelbare van Gods toekomst. In z'n algemeenheid mag dat waar zijn, toch blijf ik zitten met de vraag waar die beelden dan vandaan komen.
Zijn de beelden stijlfiguren in de handen van de bijbelschrijvers? Hebben die er naar hun believen gebruik van gemaakt, puttend uit allerlei tradities? Met zulke ideeën moet je oppassen, vind ik. De beelden komen uit het leven zelf, uit het geleefde leven waarin kennis (vertrouwelijke omgang) is opgedaan met God en met deze wereld. Beelden zijn instrumenten die deze kennis willen overbrengen. Bij de uitleg kunnen we deze kennisondergrond niet overslaan.
De Schrift spreekt ook zeker niet alléén in beelden over Gods toekomst. "Wij verwachten naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont", schrijft de apostel (2 Petrus 3 : 13). Meer hoefde hij kennelijk aan zijn lezers niet door te geven. De enige beeldspraak in deze tekst zit in het woord "wonen". Het duidt op duurzaamheid en rust.
Beelden zijn de keerzijde van dat wat ook zonder beelden gezegd kan worden. Ze zeggen hetzelfde, op een andere wijze. Ik ben wel heel dankbaar voor het beeldende spreken van de Schrift. Zonder beelden zouden we een stuk minder te zingen hebben!
Dat de Bijbel in beelden spreekt, is onmiskenbaar waar. Toch is dat niet de hoogste wijsheid. De Schrift spreekt in beloften. Dat zijn zinnen waarin alles afhangt van twee woordjes: Ik zal. De toekomst waarover de Bijbel spreekt ligt geheel in Gods hand en komt volstrekt bij Hem vandaan. "Zie, ik maak alle dingen nieuw." (Openbaring 21 : 5) Het woordje "zie" is niet bedoeld om onze blik te richten op wat er nu allemaal gaat komen. Het wil onze aandacht enkel vestigen op de "Ik" die hier spreekt. De volgende imperatief is: "Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig."
Wij worden op de hoogte gebracht door beloften. Geen informatie op zich, maar verzekeringen van Gods kant. Dat is een gelukkige zaak. Want soms moet je op de vraag: wat geloof je eigenlijk van de nieuwe hemel en aarde? het antwoord schuldig blijven. Je gelooft niet zoveel meer, je kunt je er weinig bij voorstellen omdat de realiteiten om je heen je te machtig worden.
Zou je dan op die vraag niet mogen antwoorden: ik geloof in God die gezegd heeft: "Ik maak alle dingen nieuw"? Als Hij zich verheugt over zijn volk (Jesaja 65), dan zal er enkel vreugde zijn. Als Hij de tranen afwist, dan zullen zij niet meer te vinden zijn.

Jezus' antwoord
Jezus kreeg eens de vraag hoe het eruit zou zien op de nieuwe aarde. Het was een strikvraag, verpakt in een verhaal over een vrouw die zeven keer trouwde met een andere man. Van wie zou ze zijn in de opstanding? Jezus antwoordde: jullie kennen de Schriften niet en evenmin de kracht van God (Marcus 12 : 24). Hoe zal het zijn in de opstanding? Jezus reageerde eerst op al die huwelijken, maar daarna zei Hij wat hij eigenlijk wilde zeggen: "Hij is niet een God van doden maar van levenden." (Marcus 12 : 27) Dat is het laatste antwoord.'

Het hele artikel van ds. Zoutendijk is de moeite van het lezen waard, juist om het beheerste evenwicht dat hij aanbrengt in het behandelen van dit thema. Vooral ook zijn sterk bijbelse oriëntatie in het geheel. Hans Werkman schrijft zelf een uitvoerig essay over 'Hoe in de Nederlandse poëzie van de twintigste eeuw de nieuwe aarde verwacht wordt'; De jongste dag valt in de lente. Ik citeer hier zijn eindconclusie:

'In de Nederlandse literaire poëzie van de twintigste eeuw vond ik ongeveer 150 gedichten rondom de verwachting van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In het eerste kwart van de eeuw komt het thema in de poëzie weinig voor, ook niet bij uitgesproken christen-dichters als Jacqueline van der Waals en Willem de Mérode, die beiden genoeg te stellen hadden met hun persoonlijke poëtische invulling van leven en dood.
De hausse komt na 1945, en dit moet wel verband houden met de vernietiging die men op grote schaal om zich heen had gezien, ook de dreiging van milieurampen moet in de tweede helft van de twintigste eeuw dichters bevrucht hebben met het heimweevolle thema van een nieuwe aarde. Guillaume van der Graft onderging, als men op de aantallen gedichten let, deze invloed zeer sterk en was met zijn nieuwe-aardepoëzie "tegen de ketterij der straaljagers" ongetwijfeld een inspiratiebron voor tijdgenoten. Gerrit Achterberg is een geval apart. Hij schreef minstens zoveel gedichten over de opstanding uit de dood en het boek openbaring als Van der Graft, maar bij Achterberg is het thema menigmaal opgehangen aan het persoonlijke thema van de dode geliefde. De meeste dichters over de verwachting van een nieuwe aarde - de nieuwe hemel komt in de literaire poëzie weinig voor - zijn christen. Men moet het thema niet verwachten bij dichters als de sombere Bloem en de diesseitige Claus. Een klein aantal van de 150 gedichten heeft als hoofdthema het kerkhof (10%), de wederkomst (9%), de opstanding (8%), het laatste oordeel (7%) en de ondergang van de oude aarde (6%). Het grote thema in 60% van deze poëzie is: de verwachting van een nieuwe aarde en hoe die er in de fantasie van de dichters uit zal zien. Ze fantaseren in concrete beelden. Daarin worden ze stevig gesteund door de naoorlogse trend van de democratisering in de literatuur: zogeheten typisch literaire metaforen raken uit de gratie, alle woorden en beelden worden bruikbaar. Dichters hanteren de "dingen" "in zichtbaarheid", schreef Van der Graft in het hoopvolle "Glamorgan":

Alle dingen zijn argumenten
tot stand gekomen in zichtbaarheid,
de jongste dag valt in de lente,
de nieuwe aarde wordt ingewijd.'

Daarmee is gelijk de titel van zijn bijdrage toegelicht. Jammer genoeg, aldus Werkman, is het niet gelukt iemand te vinden die het thema wilde behandelen vanuit de Nederlandse verhalende literatuur. Hij doet zelf een kleinschalige poging. Dr. Hans Ester levert een bijdrage over de literatuur van de twintigste eeuw. Hoe staat het daarin met het denken over de toekomst? Ook van hem citeer ik hier de eindconclusie:

'Het zwaartepunt van de literatuur van de twintigste eeuw ligt eerder bij de anti-utopie dan bij de utopie. Tegenover de nieuwe mens van het communisme formuleerde Arthur Koestler in 1941 zijn Darkness at Noon. En George OrWell schreef in 1949 zijn boek 1984 tegen de totalitaire samenleving. Wanneer we het modernisme als de dominante literaire code tussen de wereldoorlogen beschouwen, dan zien we dat voor dat modernisme de kenbaarheid (en de maakbaarheid) van de wereld zeer problematisch geworden is. Robert Musil heeft duizenden bladzijden nodig om zijn hoofdpersonage Ulrich uit de monstrueuze roman Der Mann ohne Eigenschaften ook maar een klein stukje nader tot zijn ideaal, de combinatie van het exacte met het niet-exacte, het gevoelsmatige te brengen.
Ook binnen het postmodernisme met zijn accent op de taal als geconstrueerde werkelijkheid is het denken over een nieuwe aarde en een nieuwe mensheid levend gebleven. Vooral denk ik aan die literaire werken die vanuit de twijfel aan waarheid en werkelijkheid in een discussie met het verleden proberen bepaalde denkkaders te openen naar alternatieven, levensvormen zonder onderdrukking en zonder schaarste bijvoorbeeld. De cultuur van onze laatste eeuwwisseling is bont en veelvuldig. Behalve de radicale twijfel aan het menselijk vermogen om buiten de taal om te kennen, bestaan er allerlei literaire vormen - ik denk aan de science-fictionroman en aan de in de films van Disney gepresenteerde verhalen - die gestalte geven aan het verlangen naar een nieuwe aarde.
Het creatieve proces is allerminst aan het eind van zijn Latijn. Dat proces richt zich op een betere verhouding van de mens met zijn natuurlijke omgeving in een soort ecologisch ideaalbeeld. En dat proces richt zich op de mens in een nieuwe stad, in een stedelijke omgeving die naar een andere menselijke ontplooiing streeft. De natuur en de stad lijken twee belangrijke polen te zijn die naar een harmonische relatie zoeken. Die harmonie is er nog lang niet. Voorlopig is het beeld van de zoekende mens binnen het postmodernisme gebonden aan de voorstelling van het labyrint. Een labyrint kan echter niet het eindpunt van de zoektocht naar een nieuwe aarde en een nieuwe hemel zijn.'

Dit zijn slechts enkele grepen uit dit themanummer waarin verder een aantal nieuwe gedichten is opgenomen, een bijdrage van dr. Jan Smelik over 'Zingen over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde', van dr. Bart Jan Spruyt 'over de verbeelding van de hemel bij C. S. Lewis'. Boeiend is ook het gesprek van drie poëziekenners (Guus Middag, Kees van der Vloed en Hans Werkman) over het bekende gedicht van Gerrit Achterberg: Werkster. Met dat gedicht sluiten we af:

Werkster

Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.

Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand.

God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met de stoffer op het blik.

Symbolen worden tot cymbalen in de
ure des doods - en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
Uit: Verzamelde Gedichten, Querido, Amsterdam, 1985, blz. 658

J. Maasland

Info: Chr. literair tijdschrift Liter, abonnementenadministratie, Uitg. Boekencentrum, Postbus 29, 2700 AA Zoetermeer, tel. (079) 3628628. Jaarabonnement (vijf nummers) ƒ60,- los nummer ƒ15,-. Ik citeerde uit nummer 14 (Jaargang 3; oktober 2000).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2000

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2000

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's