De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belofte en aanbod van genade (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belofte en aanbod van genade (6)

De Erskines (4)

8 minuten leestijd

Belofte en verkiezing
De Erskines geloofden pertinent dat het heil verkregen wordt door allen die ten eeuwigen leven zijn verkoren. Deze overtuiging leidde echter allerminst tot een beknotting van hun Evangeliebediening. Er is zelfs reden om het om te keren: juist omdat ze geloofden in Gods verkiezende genade, deelden zij het Evangelie zonder restrictie en zonder conditie uit. Ze deden dit naar mijn inzicht niet ondanks, maar dankzij Gods verkiezing. In de verkiezing, als Gods vrijwillige en onvoorwaardelijke genadekeuze die aan al het onze voorafgaat, lag het diepste motief van hun onbekrompen en ongereserveerde belofteprediking. Ik wil proberen deze stelling te adstrueren.
Dat alleen de uitverkorenen de beloften zullen omhelzen is volgens Ralph niet iets wat ons de moed om te geloven moet ontnemen, maar veeleer een sterke beweegreden om de belofte te geloven en op die manier van de verkiezing verzekerd te worden. De achterliggende gedachte hierbij is dat het geloof niet in eerste instantie op de verkiezing is gericht. Het is juist verboden daar binnen te dringen, omdat het een verborgenheid is die tot Gods terrein behoort en niet tot het onze. Voorwerp en grond van het geloof is louter en alleen de belofte, de verklaring van het Evangelie. Wat de (verborgen) intentie van de belovende God is, gaat ons niet aan. Wij hebben ons te houden aan Zijn (geopenbaarde) belofte, en daarvan is de intentie ondubbelzinnig helder: 'Geloof het Evangelie!' En het is volgens Erskine nu precies in dit universele aanbod van het Evangelie en in dit gebod tot geloof, dat de intentie van Gods verborgen verkiezingsbesluit wordt gerealiseerd. Op deze wijze is enerzijds geen enkele zondaar die het aangeboden Evangelie veracht, te verontschuldigen, en worden anderzijds de uitverkorenen door de Evangeliebazuin vergaderd. Erskine verbindt hieraan de oproep, om z'n verkiezing vast te maken door tot Christus te komen en op Zijn bevel de belofte aan te grijpen.
Maar wat betekent dit nu voor iemand die deze algemene roeping slechts uitwendig verneemt, zonder de kracht ervan inwendig in het hart gewaar te worden? Moet men niet eerst weten dat de uitwendige roeping een inwendige is? Nee, zegt Ralph, de regel - de maatstaf - voor het geloof is niet de werking van de Geest intern in ons hart, maar de verklaring van het Evangelie die extern in de prediking tot ons komt. Wat we daarom nooit moeten verwarren, is het récht om te geloven en de kracht ertoe. Dat recht is gegrond op het aanbod en gebod, in de belofte van het Evangelie. De kracht is van de Heilige Geest. Wie dus daadwerkelijk gelooft, heeft dit te danken aan de innerlijke werking van de Geest, als vrucht van Gods verkiezende genade.
Opmerkelijk is nu de conclusie die Erskine hieraan verbindt. Die luidt namelijk niet, in wensende vorm: mocht die werking u maar ten deel vallen, maar, in appellerende vorm: om die krachtige werking van de Geest moet u bidden! En deze oproep tot gebed is per se niet als een dooddoener op te vatten, maar als de permissie om in het gebed 'de dorre hand naar de belofte uit te strekken'. Ralph noemt dit een 'trachten te geloven'. Wat hij met deze eigenaardige uitdrukking bedoelt, is mijns inziens van grote pastorale waarde. Zelf legt hij het zo uit, dat er tot geloven weliswaar een goddelijke (innerlijke) kracht onmisbaar is, maar dat dit niet betekent dat die innerlijke kracht ook moet worden gevoeld. Wanneer daarom een belofte door de uitwendige roeping van het Evangelie tot ons hart komt, mogen we die geloven, zonder de innerlijke kracht te gevoelen. De vrees dat dit vermetel zou zijn is ongegrond. Want waarom zou gehoorzamen aan Gods gebod vermetel zijn? Scherp merkt hij op dat het juist vermetel is om alvorens te geloven, eerst op een gevoel van kracht te wachten. Echt geloven doe je nu eenmaal nooit omdat je daartoe de kracht gevoelt - dat zou hoogmoed zijn - , maar in het ware geloof zeg je: 'Ik heb geen kracht, en daarom vlucht ik uit mezelf weg tot het Woord der belofte en tot Christus daarin, om Zijn kracht te omhelzen die beloofd is'.
Zó krijgt de belofte die in het algemeen wordt voorgesteld, met het bevel en recht om te geloven, biddenderwijs particuliere waarde. Dit impliceert niet dat het in ónze macht zou staan om haar onszelf toe te eigenen. De krachtdadige toepassing - zegt Erskine - is voluit een daad van God de Heilige Geest, 'wanneer en aan wie het Hem behaagt'. Maar dit welbehagen Gods verslijte niemand voor onberekenbare willekeur. Hij voltrekt het in en door de algemene beloften, aan alle zondaren gedaan. Want die algemene beloften zijn wel algemeen in de zin van collectief 'aan allen gericht', maar sluiten de persoonlijke adressering in geen geval uit. Juist omdat ze op allen gericht zijn, ben ook ik bedoeld. 'Een algemene belofte aan zondaren, die dus (!) ook aan u wordt voorgesteld met een bijzonder (!) bevel om haar voor uzelf aan te nemen, is zoveel alsof zij particulier uw eigen naam inhield'. Waar het dan op aankomt, is de gewilligheid om er amen op te zeggen. Maar uitgerekend die ontbreekt. En omdat deze gewilligheid van huis uit bij geen sterveling voorradig is, valt ze uit vrije genade 'alleen diegenen te beurt die ten leven zijn verkoren'.
Met deze laatste positiebepaling lijkt de evangelische Erskine ons op dood spoor te voeren. Wat heeft hij ermee voor, om juist op dit vitale punt, van Gods verkiezing melding te maken? Werkt hij onbedoeld zo toch weer niet het determinisme in de hand, dat hij elders bestrijdt? Even komt de gedachte op dat hij met zijn ene hand de deur tot de zaligheid sluit, terwijl hij die toch met zijn andere hand zo wagenwijd heeft opengezet. Zou het zo zijn, dat de evangelische Erskine, geschrokken van zijn eigen royaliteit, zich terugtrekt in het veilige bastion van orthodox predestinatianisme, door toch ook op de keerzijde, namelijk de verwerping te wijzen? Daarvan is geen sprake. In plaats van de verwerping van eeuwigheid te noemen, schrijft hij in deze samenhang de verdoemenis toe aan de verachting van Gods aangeboden genade. Dat daar Gods 'voorbijgaan' achter schuilt, komt hem niet eens over de lippen. Wat hij echter met zijn verwijzing naar de verkiezing wil onderstrepen, is dat genade werkelijk genade is, dat wil zeggen, genade die geen partje van de zaligheid aan ónze (vermeende) mogelijkheden overlaat en dus geen enkele tegemoetkoming vraagt, maar totaal gratis, als kosteloos geschenk, wordt uitgereikt. Genade is van a tot z genade, zowel in het aanbod van de belofte als in de toe-eigening door het geloof. Gods verkiezing functioneert hierbij niet dreigend op de achtergrond, maar veeleer als de bevrijdende ondergrond van de werkelijk onvoorwaardelijke beloftenodiging tot werkelijk bezitlozen. Het is deze belofte die absoluut alles meebrengt en aanbrengt, zelfs ook het allerlaatste en in zekere zin beslissende, te weten het geloofsamen in het hart, de menselijke reactie van de gewillige aanvaarding. Het geloof is dan ook niet onze bijdrage tot het heil, maar puur passieve ontvangst, door de Heilige Geest gewerkt. Wij komen hier louter als ontvangers aan te pas, die leven van het gegeef. Men moet de Erskines dan ook beslist geen verkapt Arminianisme toedichten. Die insinuatie berust op schijn, een schijn die is ingegeven door het frequente appèl dat ze doen op de wil. Bij nader toezien is dit wilsappèl echter niets anders dan de vrucht van hun onbegrensde vertrouwen in de effectiviteit van Gods beloftewoord, waarin de Heilige Geest zelf Zich via nodiging en oproep een toegang verschaft tot de menselijke wil en deze wil Woordgewijs herschept. Onwilligen worden gewillig gemaakt, niet zonder maar onder het Woord. Het is de verkondigde belofte die de wil overmeestert en het geloofsamen oproept. Dat bedoelt Ralph wanneer hij de zo-even aangehaalde passage afrondt met de veelbetekenende zinsnede, dat allen die gezaligd worden, gezaligd worden door een daad van ontferming in Christus en dat hun heil uit vrije genade is. Hij voegt eraan toe: 'Als gij er één zijt van degenen die waarlijk gewillig zijn gemaakt (...), dan is de kracht van God voorhanden om het werk voort te zetten. Alleen, stel het werk in de hand van Gods macht, uitroepend: Trek mij, trek mij'. Het appèl van de Erskines werpt de mens niet terug op zijn eigen gewilligheid, houdt evenmin halt bij diens onwil, maar werpt hem op de wil en het welbehagen van God, Die doet wat Hij belooft en wil schenken wat Hij gebiedt. Hier staat de deur van de zaligheid ondubbelzinnig open en is de belofte werkelijk vrij en onvoorwaardelijk, voor ieder die te arm is om aan genade tegemoet te komen, maar ook te arm is om eraan voorbij te gaan.

A. de Reuver

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2000

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Belofte en aanbod van genade (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2000

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's