Jubeljaar 2000
Ingezonden
Aan het einde van het vorige jaar en aan het begin van dit jaar is er veel over het jubeljaar (d.w.z. het jaar na het 7x7=49e jaar) geschreven. Kennelijk had men verwachtingen van het jaar 2000 als jubeljaar; het jaar waarin men datgene wat men 'te veel' heeft, moet weg- of teruggeven. Nu het jaar ten einde schrijdt, en wij het jubeljaar nergens echt in praktijk hebben zien brengen, vraagt dit onderwerp onze aandacht. Temeer daar er tijdens dit jubeljaar zelfs geprotesteerd werd tegen het jubeljaar. Zo lees ik in de Volkskrant van 17 februari jl. het artikel 'Antipapen voeren actie tegen jubeljaar. Anarchisten, atheïsten, feministen, vrijdenkers en rabiate antipapen verzamelen zich vanaf donderdag drie dagen in het centrum van Rome voor de eerste grote demonstratie tegen het rooms-katholieke jubeljaar. (...)' Dus hoog tijd voor een bezinning op het jubeljaar.
Zij die het jubeljaar in praktijk willen brengen, doen dit met een beroep op Leviticus 25. Zij stellen dat iemand die een akker koopt, volgens de Mozaïsche wetgeving deze akker nooit in absolute eigendom krijgt. In het jubeljaar moet de akker weer teruggegeven worden aan de oorspronkelijke eigenaar. Leviticus 25 vers 10: '...een jubeljaar zal voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren.' En verder in vers 13: 'In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen.' Deze teksten laten niets aan duidelijkheid te wensen over.
Opvallend vind ik steeds weer, dat men bij vers 13 ophoudt met lezen. Er staat in Leviticus 25 nog meer. In de verzen 29 t/m 31 staat: 'Wanneer iemand een woonhuis verkoopt in een ommuurde stad, dan zal het recht op lossing duren tot er een jaar na de verkoop verstreken is; een jaar zal het recht van lossing duren. Maar indien het niet gelost is, voordat een vol jaar verstreken is, dan komt dat huis, dat in een ommuurde stad stond, voorgoed aan hem die het gekocht heeft, in zijn geslacht: in het jubeljaar zal het niet vrijkomen. De huizen echter in de dorpen, waar geen muur om is, zullen bij het akkerland gerekend worden, daarvoor zal wel recht van lossing zijn en in het jubeljaar zullen zij vrijkomen.' Dus huizen in de stad behoeven in het jubeljaar niet aan de oorspronkelijke eigenaar teruggegeven te worden.
Zelf breng ik Leviticus 25 vers 29-31 in verband met onze huidige industriële maatschappij, waarbij ik de eerder geciteerde verzen (10 en 13) in verband breng met de agrarische maatschappij. En van die maatschappij hebben wij in het moderne Westen afscheid genomen. Daaruit volgt, dat wij onze (huidige) agrarische sector niet meer agrarisch in de zin van Leviticus 25 (verzen 10 en 13) kunnen noemen. Immers, door de wetenschap en de techniek is onze huidige agrarische sector ook industrie-achtig geworden. Daarom meen ik, dat wat er in Leviticus 25 vers 29 t/m 31 staat, relevant is voor onze huidige maatschappij. Dus kopen en verkopen is definitief; er behoeft niet meer 'gelost' te worden.
Ik besef dat dit een opvatting is. Een andere opvatting wil ik u niet onthouden. In het boek 'Zeven maal zeven' met als ondertitel 'Over sabbatjaar en jubeljaar als Gods bevrijdende economie' van de theoloog Bram Grandia lees ik bij de bespreking van Leviticus 25 : 29-34: 'In dit gedeelte gaat het om een actualisatie van de oude jubeljaartekst in de situatie van het gesetteld zijn. (...) Die huizen die bij het land horen, zeg maar de boerderijen, zijn zo met het werken op het land verbonden, dat ze niet voorgoed verkocht mogen worden. Het zijn de huizen die samen met de grond een familie een eigen onafhankelijke plaats geven. Dat ligt anders met de huizen in de stad. Dat zijn woonhuizen en geen werkhuizen. Het zijn geen plekken van productie zoals de boerderijen. In deze tekst vind je de neerslag van het gevecht om het onbeperkt kopen. Er worden duidelijk grenzen gesteld als het om productie-eenheden gaat.'
De visie van Grandia deel ik niet. Zijn stelling dat de huizen in de stad geen werkhuizen zijn, is aanvechtbaar. Er zijn veel plaatsen in de Bijbel (Openbaring) te vinden, waaruit blijkt dat juist de steden economische centra zijn (Babel). Dus zijn de huizen in de steden wel degelijk werkhuizen.
Verder is het nog relevant hoe Grandia in zijn boek zijn visie op het jubeljaar in praktijk zou willen brengen. Immers, het antwoord op de vraag 'wie nu de rechtmatige eigenaar van "mijn akker" zou moeten zijn', is aan de orde. Grandia geeft op deze vraag geen antwoord. Over hoe ik hier en nu het jubeljaar in praktijk moet brengen, schrijft hij veel, maar meer in de zin van een gezindheid hebben tot dienen. Enerzijds wil hij Leviticus 25 vers 10 en 13 letterlijk opvatten, maar anderzijds voor het 'hier en nu' legt hij geen verbinding.
Rijst de vraag, of het jubeljaar voor ons hier en nu nog wel betekenis zou kunnen hebben, uitgaande van het gegeven dat wij in een 'ommuurde' stad wonen. Maar is dit niet dezelfde vraag naar de betekenis voor ons voor het hier en nu van de verordeningen in Leviticus en Deuteronomium zoals de huwelijkswetten, reinheidswetten? Enige nuchterheid en bescheidenheid is hier op z'n plaats. Al het jubeljaar-lawaai zoals we dat bijvoorbeeld vernemen vanuit Rome mag dan wel veel geld in het laadje brengen; het blijkt een vertoning te zijn voor de wereld.
Johann Grünbauer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's