Globaal bekeken
'Zes pond wasses, twee tartysien' is de titel boven een stukje van Fokke Bakker in De Elisabethbode. Een informatief stukje over de middeleeuwse begijn- of bagijnhofjes:
'In de Middeleeuwen stierven meer mannen dan vrouwen. Dat kwam door de vele oorlogen, kruisvaarten en epidemieën. Veel vrouwen bleven daardoor ongetrouwd. Dat betekende in veel gevallen geen werk en een onveilig bestaan. Kloosters waren voor sommige ongehuwden een oplossing, maar niet iedere vrouw voelde de roeping voor een levenslange wijding. Vandaar het ontstaan van begijnhoven. Elke alleenstaande vrouw kon daarin een veilig onderkomen vinden, maar ze mocht ook te allen tijde weer vertrekken. In totaal zijn er zevenendertig begijnhoven in Nederland gesticht. Tegenwoordig zijn alleen de hofjes van Amsterdam en Breda nog daadwerkelijk in gebruik. Elk hofje stond onder leiding van een meesteres, die zorgde voor een goede taakverdeling. De werkzaamheden waren zeer gevarieerd: ziekenverpleging, afleggen van doden, lezen bij herdenkingsdiensten, wolweven, wassen, kaarsen maken en werken in de hof en op het land.
* * *
In de Middeleeuwen werden allerlei broederschappen gesticht, ledereen kon lid worden van zo'n broederschap als aan de toelatingsvoorwaarden was voldaan. De Begijnen konden zich vaak aansluiten voor een symbolisch laag bedrag. In ruil daarvoor maakten ze allerlei kaarsen voor de broederschap en namen ze verder de zorg op zich voor het altaarkleed in de kerk. Spoedig kwamen daar nog andere taken bij, maar dan meestal tegen een bescheiden beloning of een vaste rente uit een huis.
Als heel bijzondere taak wordt genoemd het lezen van negen stukken uit de bijbel tijdens de nachtwake bij een dode. Er waren Begijntjes, die daar erg tegenop zagen.
Afleggen van doden, dat ging nog wel, want dat gebeurde gewoon thuis, maar 's avonds bij een grafsteen te moeten voorlezen was doodeng.
De enige verlichting bestond uit drie kaarsen op de zerk. Later werden dat er zes, negen of soms zelfs wel vijftien. Afhankelijk van de rijkdom van de overledene.
Diezelfde rijkaards wilden soms ook dat er in het eerste jaar na hun overlijden elke week werd voorgelezen. Na dat jaar beperkte het "begaen" zich tot eenmaal per jaar op de sterfdag van de overledene. In de loop van de tijd was er een groeiend aantal kaarsen nodig. Al deze kaarsen werden gemaakt van bijenwas. Deze kon niet onbeperkt worden geleverd en de prijs steeg daardoor snel. Kerkverlichting dreigde onbetaalbaar te worden. In diverse testamenten werd de kerk bedacht met bijenwas. Zo beloofde Johan Momme in 1500 aan de kerk van Doorspijk "zes pond wasses, twee tartysien" (zes pond was en twee toortsen). Ook werden er landerijen aan de kerk nagelaten, die bij verhuur geld konden opleveren voor bijvoorbeeld verlichting. Zo'n stuk land kreeg de naam kersekamp. (Kerse is het normale Middelnederlandse woord voor kaars). De priesters moesten zuinig met kaarsen omgaan. De "zorg voor brood, wijn, was en vlas" was voor eigen rekening.
Bijenwas werd zelfs zo schaars, dat de broederschappen eventuele boete van de leden in was lieten uitbetalen. Zo'n boete varieerde van één tot drie pond was. Niet alleen in de kerk maar ook daarbuiten waren waskaarsen een gewild artikel. Vooral de gewijde lichtmiskaars van 2 februari vond veel aftrek, zo'n kaars werd aangestoken bij stervenden en tijdens hevig onweer. Verder werd er mee gedruppeld in doodskisten, in de hoeken van een nieuw huis en op het zaaikoren. Al deze gebruiken lijken zonder enige zin, totdat we beseffen dat de mensen in vroeger tijden de kaars zagen als symbool van Christus. Vooral met de paaskaars was dat het geval. Groot was dan ook de vreugde als iemand na een jaar een stukje overgebleven paaskaars kon bemachtigen. Bij grote paaskaarsen werd het overgebleven stuk in plakjes gesneden en bestempeld met de afbeelding van het Lam Gods. Deze wassen Agnus Dei werd aan de gelovigen uitgedeeld.
Ongeveer tot het jaar 1600 waren al deze gebruiken levende werkelijkheid. Daarna maakte de kerkhervorming er een einde aan. De Begijnen verlieten de begijnhoven en gingen verspreid in de stad wonen. Waar kwamen de meeste ongetrouwde vrouwen terecht? In kleine steegjes met betaalbare woninkjes. Wat deden ze daar voor de kost? Precies hetzelfde wat ze altijd gedaan hadden: verplegen, kaarsen maken en andere nuttige dingen. Voorlopig hadden ze nog werk genoeg. Zieken zijn er altijd geweest en zelfs honderd jaar na de kerkhervorming werden er nog steeds kaarsen gebrand bij begrafenissen.'
Een predikant kreeg in de consistoriekamer na afloop van de (doop)dienst het volgende epistel aangereikt, waarin bijbelse namen uit de begintijd van de mensheid in hun betekenis op rij staan:
Hebreeuws Nederlands Engels
1 אדם Adam de mens man
2 שת Seth is geplaatst appointed
3 אנוש Enosh sterveling mortal
4 קינן Kenan verdriet sorrow
5 מהללאל Mahalalel Gezegende God blessed God
6 ירד Jared zal neerdalen shall come down
7 חנוך Henoch onderwijzing teaching
8 מתושלח Methuselah zijn dood zal brengen his death shall bring
9 למך Lamech smaken taste
10 נח Noah rust/troost rest/comfort
De mens is als sterveling geplaatst (in) verdriet
maar de gezegende/geprezen God zal
Zijn Onderwijzing doen neerdalen.
Zijn dood zal de rust en vertroosting doen smaken.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 2000
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's