De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geloven in

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloven in

'En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon...'

9 minuten leestijd

'En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon...' Met deze woorden opent het middenpaneel van het drieluik waarmee we de Apostolische Geloofsbelijdenis kunnen vergelijken. Over elk van die woorden zou het nodige te zeggen zijn. Prof. A. A. van Ruler heeft dat indertijd ook gedaan in zijn fijnzinnige boekje Ik geloof. Daarin overdenkt hij het Apostolicum woord voor woord. Het blijkt dat ook de kleinste woordjes niet zonder betekenis zijn. Zelfs over het woordje 'en' weet Van Ruler een bladzijde of vier te schrijven. In deze bijdrage willen we ons echter richten op het daarop volgende woordje 'in'. We vragen ons af, wat het wil zeggen dat we geloven in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, en niet bijvoorbeeld aan Hem?
Wel, enerzijds niet zoveel. Het is goed en vaak verrassend om oog te hebben voor de kleinste details van een tekst. Dat geldt voor de tekst van de Bijbel, het geldt ook voor onze geloofsbelijdenissen. Net als bij een schilderstuk wordt de kwaliteit van het geheel immers voor een groot deel bepaald door de schoonheid van de details. Tegelijkertijd moeten we er echter voor waken geen spijkers op laag water te zoeken. Letten we bijvoorbeeld op de Duitse tekst van de Apostolische geloofsbelijdenis, dan zien we dat die spreekt over 'glauben an Gott' en 'an Jesus Christus'. In het Duits kan geen onderscheid gemaakt worden tussen 'geloven in' en 'geloven aan'. En datzelfde geldt ook voor andere talen. Daarom moeten we de betekenis van het woordje 'in' in de Geloofsbelijdenis niet op de spits drijven.

Geloven in een vriend
Toch is het geen spijkers op laag water zoeken wanneer we even doorvragen naar de precieze betekenis van dat woordje 'in'. Dat woordje staat er namelijk niet alleen in het Nederlands, maar ook in de oorspronkelijke Latijnse tekst. Ook daar is sprake van twee manieren waarop het werkwoord 'geloven' vervoegd wordt. Enerzijds met behulp van dat woordje 'in', anderzijds door rechtstreekse toevoeging van het voorwerp van het geloof zonder meer. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval in de afsluitende geloofsartikelen: 'Ik geloof de vergeving der zonden, de wederopstanding van het vlees, en een eeuwig leven'. Het is geen toeval dat in deze artikelen (evenals in dat over de kerk) het woordje 'in' ontbreekt. We kunnen er een vaste regel in ontdekken: daar waar het over zaken gaat - ook al zijn het, zoals in dit geval, de heerlijkste zaken! - is er sprake van een geloven-zonder-meer, zo men wil: van een geloven áán. Zodra het echter over personen gaat, is er sprake van een geloven in.
Daarmee is naar het mij voorkomt het belangrijkste aangegeven wat over dit woordje 'in' te zeggen valt: het duidt op een betrekking, een relatie tot een persoon. Ik schrijf dit woord 'persoon' nog even met een kleine letter, omdat het inderdaad ook voor intermenselijke verhoudingen opgaat. Ik kan bijvoorbeeld zeggen, dat ik geloof in mijn vriend. Dat veronderstelt dan een grote persoonlijke betrokkenheid op hem. Ik heb mijn vriend in dat geval heel hoog staan. Ik ga dóór op zijn woorden, en vertrouw hem zonder meer. Ik reken erop dat hij er zal zijn wanneer ik hem nodig heb, dat hij me niet laat vallen. Ik voel me op een heel bijzondere manier aan hem verbonden. Ik leef op wanneer hij contact met mij zoekt, want ik mag zijn stem graag horen en verkeer graag in zijn nabijheid.

Augustinus en Nebridius
Toch is het nog maar de vraag, of we op deze wijze werkelijk kunnen geloven in een vriend, of in enig ander mens. Of liever gezegd: het is de vraag of zo'n geloven-in-een-mens terecht kan zijn. In een ontroerende passage in zijn Belijdenissen (IV 4, 7-10) vertelt de kerkvader Augustinus hoe hij ooit ten einde raad was toen een jeugdvriend van hem, een zekere Nebridius, na een ziekbed overleed. Zo sterk was zijn band met deze Nebridius, dat Augustinus hem zijn 'tweede ik' noemt. Nebridius' dood voelde dan ook haast aan als verraad: alsof Nebridius hem in de steek gelaten had... Uit Augustinus' beschrijving kunnen we nog haarscherp opmaken hoe Augustinus in die tijd in een diepe depressie terechtkwam. 'Het verdriet ... hulde mijn hart in duisternis, en overal waar ik keek was de dood'. Hij besluit zelfs te verhuizen om maar niet overal aan zijn vriend herinnerd te worden.
Jaren later, na zijn bekering, probeert Augustinus te ontdekken hoe het kwam dat het leven hem in die tijd tot zo'n 'ontstellende foltering' geworden was. Hij komt dan tot de conclusie, dat het probleem hierin lag, dat hij een sterfelijk wezen liefgehad had alsof het niet sterfelijk was. Hij had restloos in zijn vriend en in een blijvende relatie met hem geloofd. Hij had in feite gedaan alsof zijn vriend God zelf was... En dat, zo ziet Augustinus na zijn bekering in, was nu zo misplaatst geweest. Want zulk geloven-in-een-mens maakt je vroeg of laat altijd ongelukkig. Als de betreffende mens je komt te ontvallen, houd je immers niets over. Augustinus concludeert dan niet, dat men zijn vrienden maar beter niet al te veel kan vertrouwen en liefhebben. Maar hij roept wel uit: 'Gelukkig degene die zijn vriend liefheeft in en om U... Die niet verloren gaat!'. Met andere woorden: deze houding van geloven-in, van al je geluk aan iemand ontlenen en je hoop op iemand stellen, is alleen op zijn plaats wanneer ze gericht is op God. Hij is immers de enige die je niet zomaar kan ontvallen. Daarvoor is Hij nu juist God en geen mens! Geloven-in-Hem is daarom het enige geloof dat je nooit ongelukkig maakt. En pas wanneer ons leven zó verankerd is geraakt in God, kunnen we ook onze vrienden op de juiste wijze liefhebben. We zien een (harts)vriend dan namelijk niet op zichzelf, maar als een geschenk van God.

Toch: geloven in een mens!
In dit licht bezien is het dus bijzonder raak wanneer de belijdenis van de kerk begint met de woorden: 'Ik geloof in God'. In niemand anders dan Hem stel ik mijn ultieme vertrouwen. Van Hem alleen verwacht ik blijvend geluk. Alleen Hem durf ik 'al mijn liefde waardig schatten'. Want in geen enkele andere persoon dan in God kan ik zó geloven, dat ik er zeker van kan zijn dat Hij er is wanneer ik Hem nodig heb.
Er is immers niet het kleinste risico dat Hij me ooit noodgewongen zal moeten loslaten.
Opvallend is nu echter, dat het Apostolicum het niet laat bij de belijdenis van dit geloven-in-God. Want behalve in God, zo vervolgt het credo, geloof ik ook in Jezus. En onwillekeurig houden we nu toch even de adem in. Dus we geloven ook in een mens! Maar kan dat wel goed gaan? Moet dat niet net zo'n fiasco worden als Augustinus' geloven-in-Nebridius? Nee! Voordat de twijfel kan toeslaan, maakt het Apostolicum duidelijk dat we in Jezus van Nazareth maar niet enkel met een mens van doen hebben. Om met de Amerikaanse christen-filosoof T. V. Morris te spreken: Christus is wel 'purely human' (zuiver mens; daarom schrijven we dat woord 'mens' ook het beste gewoon met een kleine letter!), maar niet 'merely human' (enkel mens). Hij wordt immers onmiddellijk ook de eniggeboren Zoon van God genoemd. In Jezus komt dus (de Zoon van) God ons menselijke bestaan binnen. Dat is het grote geheimenis van kerstfeest. En omdat het kind in de kribbe - onder de schijn van het tegendeel - tegelijk ook zuiver God is, daarom is Hij als enige mens wel ons volkomen geloof en vertrouwen waard. Want voor Hem geldt wat voor God geldt: nooit kan Hij ons zomaar ineens afgenomen worden. Nooit zal Hij degenen die op Hem hun hoop stellen laten vallen.
Welnu, in déze God geloof ik, belijdt de christen in het Apostolicum. Niet alleen in God de Vader die alles geschapen heeft. Niet alleen in God de Zoon, die van eeuwigheid af aan de boezem des Vaders is. Maar ook in de mens Jezus, in wie die Zoon ingekomen is in de misère van ons bestaan. Vandaar dat de persoonlijke geloofsbetrekking, waarvan we zagen dat God alleen met recht het voorwerp ervan kan zijn, nu ook op Jezus van toepassing verklaard wordt. Want in Hem hebben wij met dezelfde God van doen. Dat alles bedoelt het credo wanneer het belijdt: Ik geloof in Jezus, de Messias, Gods eniggeboren Zoon.

Het hart over de stang
Er zit intussen wanneer ik het goed proef ook nog een andere kant aan de uitdrukking geloven-in. Er klinkt namelijk iets in door van de beweeglijkheid die dat woordje 'in' in het Nieuwe Testament kenmerkt. Geloven-in-Jezus-Christus, dat wil zeggen je in een beweging bevinden die op Hem gericht is. Wanneer wij geloven-in-Jezus, dan gaat het op Hem aan. Ons leven raakt hoe langer hoe meer op Hem betrokken. Er groeit een hartelijke verbondenheid met Hem; we raken in Hem ingeënt, en worden daardoor steeds meer één plant met Hem. Dat wordt bedoeld, wanneer we in het Nieuwe Testament keer op keer lezen dat de gelovige 'in Christus' is.
Welnu, ook dat alles resoneert zonder twijfel mee wanneer het Apostolicum dat woordje 'in' gebruikt. In-Christus-geloven wil niet zeggen dat je het alrede gekregen hebt. Dat zeeën van twijfel en zonde je bij tijden niet ver van Hem kunnen verwijderen. De Deense denker Kierkegaard zei ooit, dat heel zijn werk cirkelde om slechts één vraag: hoe word ik een christen? Velen in zijn omgeving dachten christen te zijn, en zouden geschokt gereageerd hebben als iemand daar een vraagteken achter had gezet. Maar Kierkegaard was niet zo zeker zijn van zijn christen-zijn; des te meer was hij het, van zijnchristen-willen-wórden. En christen word je, wanneer je opgenomen bent in die grote beweging van de kerk der eeuwen, die gelooft in-de-richting-van Jezus Christus.
Dan geldt wat een leraar trapeze-artiest ooit tegen zijn leerlingen zei: als je hart maar over de stang is, dan volgt je lichaam vanzelf. Als je met hart en ziel gelooft-in-Christus, dan ben je voorgoed opgenomen in die beweging naar Hem toe. Dan mag ieder kerstfeest opnieuw een oefening zijn in het 'hoe langer hoe meer' op Hem vertrouwen.
Geloven in Jezus Christus - daar ligt goed beschouwd heel het bevindelijke leven in opgesloten. Bevinding is dan ook maar geen huismerk van een smalstroom in de christelijke traditie, maar waarmerk van de ene heilige katholieke kerk. 'Ik geloof in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon'.
Inniger dan dit 'in' kan het niet, inniger hoeft het ook niet. Want dit geloven-in kan alleen maar uitlopen op de lofprijzing en aanbidding: Komt laten wij aanbidden, die Koning. Want U die ons liefhebt, U behoort ons harte.

Bilthoven               G. van den Brink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2000

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Geloven in

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2000

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's