Woestijnreizigers en pelgrims
De weg door de woestijn
De ervaring van het leven als strijd, vol moeite en verdriet, de aanvechtingen van zonde en duivel, het besef dat we in een duistere wereld leven, is door dichters en schrijvers in allerlei beelden uitgedrukt. Heel bekend zijn de regels van de 17eeeuwse predikant-dichter Dirk Rafaelsz Camphuysen (1586-1627).
Daar moet veel strijds gestreden zijn;
Daar moet veel leeds geleden zijn;
Een veelgebruikt beeld is de woestijn. Het leven als tocht door een barre woestijn. Gods goede schepping is een puinhoop geworden.
Geboorte in de woestijn
Geen wonder dat we ook in kerstgedichten het beeld van de woestijn tegenkomen: Jezus, de Redder der wereld, werd geboren in een barre werkelijkheid, in de woestijn van het leven op aarde. Nog maar net was Hij geboren of Hij moest al in heel letterlijke zin door de woestijn: de vlucht naar Egypte. Pas als het Messiaanse Rijk aanbreekt, waarvan Jesaja een groots visioen heeft, zullen woestijn en wildernis weer bloeien als een roos. Juist die verbinding tussen Christus' geboorte en Jesaja's visioen roept in diverse kerstgedichten het beeld van de woestijn op. In het gedicht 'Kerstnacht' van J. van Doorne wordt Christus aangesproken als 'Gij, Bloem, Vreugde der woestijnen' en ook in het bekende gedicht 'Immanuel' van Geert Boogaard - zie het slot van dit artikel - komen we het beeld tegen van de woestijn die eenmaal weer zal bloeien.
Jezus kwam niet in een paradijselijke wereld. Rond Zijn geboorte is al te veel en al te vaak een romantische entourage opgebouwd, zoals in een oud middeleeuws lied dat begint met de regel: 'Die soete Jesus lach int hoy'. Een stal, een kribje, een ezel en een os: allemaal romantiek.
* * *
Zo niet bij de dichteres Inge Lievaart. Geen zoetelijkheid, maar de barre realiteit. In twee gedichten, met de hoofdtitel 'De weg van het heil', beziet zij het gebeuren te Bethlehem vanuit tweeërlei perspectief. Eerst tekent zij de weg van Maria, daarna die van Jezus.
De weg van het Heil
Maria
Reeds gaat zij
die het huis is voor het kind,
de moedergrond,
het voedend water,
de weg waarop haar pijn begint,
God lovend om haar dienstmaagdstatus,
de vreemde glorie die zij waard is.
Hoe bitter moet de pijn nog zijn:
niet eens een huis om in te baren,
geen vaste grond maar slechts gevaren,
een lange tocht door de woestijn;
er is geen plaats voor heil op aarde.
Dan volgt onder dezelfde hoofdtitel een tekening van de weg die Jezus nog zal moeten gaan, de enige weg die 'het heil is voor de mens':
De weg van het Heil
Jezus
Hoe gaat Hij
die het heil is voor de mens,
de levensgrond,
het reddend water,
de weg die zich ten dode wendt,
van kind af al vervolgd, miskend.
Hoe bitter zal zijn deel nog zijn:
verraden door een allernaaste,
in nood gekromd
en godverlaten;
de angst in van de doodswoestijn.
Hoe wonderbaar dat om zijn haters
terug te voeren dat Hem waard is.
Beide gedichten vertonen grote overeenkomst in woordkeus, beelden en zinsbouw. Ze vormen een hecht tweeluik. In beide ook treffen we het woord 'woestijn' aan, in het laatste gedicht als beeld voor de dood. Van kribbe naar kruis: dat is geen romantiek, maar bittere ernst. Opdat eenmaal de woestijn weer zal bloeien...
Pelgrimsliederen
Nauw verbonden met het leven als strijd en de tocht door de woestijn is het beeld van de pelgrim. In zijn strijd tegen de wereld en de boosheid van het eigen hart bevindt de pelgrim zich op een moeilijk begaanbare weg, smal en kronkelend, die leidt naar de hemelpoort.
De eeuwen door zijn er dan ook pelgrimsliederen geschreven, ik denk bijvoorbeeld aan Jan Luyken, aan de Duitse piëtisten en dichters rond het Réveil. Op één zo'n pelgrimslied wil ik hier wat dieper ingaan. Het is het lied waaruit vroeger op de preekstoel de volgende regels werden geciteerd:
Hoe dichter ik nader
aan 't huis van mijn Vader,
Hoe sterker ik hijg
Naar d'eeuwige woning,
Waar 't heil van mijn Koning
Mij wacht na de krijg.
Bovengenoemde regels komen uit de bundel van Johannes de Heer, maar ze zijn veel ouder, zoals hierna nog zal blijken. In mijn herinnering werden die regels vroeger vaak geciteerd samen met een ander vers, dat ik niet bij Johannes de Heer heb kunnen vinden (maar ik kan er overheen gelezen hebben). Het gaat om de volgende regels, die ik uit het hoofd citeer:
Wijk, wereld en schatten!
Gij kunt niet bevatten
Hoe rijk ik wel ben.
'k Heb alles verloren,
Maar Jezus verkoren,
Wiens eigen ik ben.
In de laatste regel resoneert ongetwijfeld Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus mee:
'Dat ik... mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben...
Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen
Waar haalde Johannes de Heer het vers met de regel 'Hoe dichter ik nader' vandaan? Een kleine speurtocht was nodig om dit te achterhalen.
Mede dankzij de hulp van een collega-neerlandicus kwam ik terecht bij een dichter aan het eind van de achttiende eeuw: Hiëronymus van Alphen.
Maar er is minstens één belangrijke tussenschakkel. Johannes de Heer maakte dankbaar gebruik van bestaande bundels, waaruit hij liederen overnam die hij zo nodig aanpaste.
Zo heeft hij ook de Evangelische Gezangen uit 1805 gebruikt - de 'beruchte' bundel gezangen die onder koning Willem I verplicht werd gesteld, wat een belangrijke factor is geweest bij het ontstaan van de gezangenkwestie - en de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen uit 1866. In de laatstgenoemde bundel komt het geciteerde vers voor als onderdeel van lied 261:
Verlangen naar de hemel
1.
Ik reis naar de hemel,
Al 't aardse gewemel
Verhindert mij niet
Zwijgt, zinnen en lusten!
Mijn hart kan niet rusten,
Zolang gij gebiedt.
2.
Dreigt, waar ik moog staren,
Een heir van gevaren,
Is eng ook mijn pad;
Ik ken mijn behoeder,
Daar Jezus, mijn broeder,
Mijn hand heeft gevat.
3.
Steeds straald' op mijn wegen
Zijn leidstar mij tegen,
Soms denk ik: waarvoor?
Waarvoor moet je namen van bloemen leren
en waarvoor moet je leren boetseren met klei?
We gaan in de wildernis
en weldra verliest alle ding zijn naam.
Maar ik zeg tegen mijn jongen: studeer
en tegen mijn dochter: boetseer maar
je doet het nooit voor niets
je doet het voor een koninkrijk
dat komt
voor een woestijn die bloeien zal
als een roos
en voor een wereld die nieuw wordt
onder Zijn handen.
Wereldmijding? Ten diepste gaat het om de 'vreemdelingschap' op deze aarde, een voluit bijbels begrip. Vreemdelingschap in het perspectief van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. In de woorden van Geert Boogaard: 'een wereld die nieuw wordt/ onder Zijn handen'.
Niet onder onze handen, maar onder Zijn handen. De woestijn die bloeien zal, is Gods werk. Het Messiaanse Rijk ligt in het verlengde van Bethlehem en Golgotha.
Ede J. de Gier
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2000
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2000
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's