Bekeert u!
'Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen'. MATTHEÜS 3 : 2
In de Bijbel zullen we tevergeefs zoeken naar een uitvoerige beschrijving van het jeugdleven van de Heere Jezus; behalve dan wat Lukas van Hem vertelt over zijn gesprek in de tempel met joodse leraren, toen Hij twaalf jaar oud was. 't Had er veel van weg, dat er sedert Zijn geboorte in Bethlehem niets bijzonders gebeurd was. Het gerucht daarvan was verstorven en Jezus was in Nazareth, waar Hij verder opgroeide. Maar op de door God bepaalde tijd zou Hij zich aan Israël gaan vertonen.
* * *
Vóór Hem uit kwam echter eerst Zijn heraut, Johannes de Doper. Hij werd als een groot profeet door God uitgezonden om de mensen op de komst van Jezus voor te bereiden. Daarmee ontving hij een eer die niemand te beurt gevallen is. In de profetieën van Jesaja en Maleachi was zijn komst zelfs bij herhaling aangekondigd.
Onverwacht was Johannes daar; op een merkwaardige manier trad deze boetgezant op in de woestijn van Judea. Dat was het dunbevolkte gebied, de oostelijke helling van het gebergte van Juda. We kunnen daarbij ook het Jordaandal betrekken. Daar was Johannes te vinden, vooral in de buurt van de doorwaadbare plaatsen, waar druk verkeer was tussen Jeruzalem en het overjordaanse land. Hij kon er daarom zeker van zijn dat hij daar steeds veel mensen kon bereiken.
* * *
Maar er kan nog een reden zijn waarom de woestijn de preekplaats voor Johannes moest zijn. In Jeruzalem werd maar weinig meer van de dienst van God gevonden. Daar was een verstarring in gekomen. De leiders van het volk geloofden het wel. De eredienst in de tempel werd niet meer onderhouden naar Gods wet en gebod. Men zag de vorm voor het wezen aan, maar met dat al was het hart er uit verdwenen. Daarom moest het volk terug naar de woestijn, die in haar ruwheid en verlatenheid aan Israël zijn eigen geestelijke toestand voor ogen stelde. Bij priesters en schriftgeleerden waren alleen Jeruzalem en de tempel belangrijk. Johannes ging echter naar de wildernis en stelde zich geheel buiten de eredienst. Hij brak met alle oude tradities uit het priesterlijk geslacht en hij predikte slechts één boodschap aan het volk: bekeert u! Maar dat bevel gold ook de farizeeën en schriftgeleerden; zowel de jood als de Romein; bijgevolg: voor vrome als voor goddeloze mensen. Voor allen gold, dat ze zonder bekering het Koninkrijk Gods niet konden binnengaan.
* * *
In de oren van de joden, met name de farizeeën klonk dat bekeringsbevel dwaas. Zij verwachtten, dat de Heere God allereerst op staatkundig en politiek gebied Zijn macht zou tonen door de Romeinen uit het land te laten verdwijnen. Johannes knoopte wel bij die verwachting aan; maar toch anders, want hij stelde daarbij al die politieke beschouwingen aan de kant en zette de zuiver geestelijke prediking van de profeten voort.
Zo'n oproep tot bekering was de joden niet vreemd. Zovele profeten hadden dat vóór Johannes ook gedaan. Maar die oproep tot levensverandering was verbleekt. Men bekommerde zich alleen om de uitwendige onderhouding van de wet, om daardoor zalig te worden. Maar de boeteprofeet kwam met een heel andere prediking, nl. dat geen mens door de werken van de wet gerechtvaardigd kon worden voor God.
* * *
Bekeert u! Dat betekende toen en ook nú niet minder dan een radicale verandering van denken, gevoelen en begeren; en dus ook van spreken en doen. Noodzakelijk! Want door de zonde zijn wij in ons denken en begeren vijandig tegenover God en Zijn wil. Vandaar die oproep tot levens- en zinsverandering. Die begint in ons hart; bekering van hart en leven, ja van de hele mens, in ware boete en echte liefde tot alle gerechtigheid.
Al wijzigen dan de uiterlijke omstandigheden: in de grond van de zaak is die boodschap van tóen en van nú nog dezelfde; ook al klinkt dit woord vandaag de dag velen vreemd in de oren. De Heere hanteert iedere bediening van het Woord om ook ons de eis tot bekering te doen verstaan. Die komt tot ieder van ons persoonlijk. De zonde leeft in ieders hart, ook in dat van de meest godsdienstige en vrome mens. Zo gemakkelijk houden wij er allerlei drogredenen en gedachten op na om aan die oproep voorbij te gaan; soms in een valse gerustheid. Laat ons niet menen, dat doop en net burgerlijk en kerkelijk leven waarborg zijn tot behoud. Als het over bekering gaat weten we met ons verstand wel dat het gaat over inkeer, wederkeer en afkeer, maar de Heere vraagt niet alleen ons verstand, maar voor alles ons hart. 't Gaat niet om een bekering tot de leer van de Heere, maar tot de Heere van de leer, de God van het Woord. En dat van alle rangen en standen. Niemand gaat op dit punt vrijuit. Gaat u er daarom niet koud en onverschillig aan voorbij. En wordt diep in uw hart ook niet boos om dat strenge woord! Niemand heeft het recht om onbekeerd te blijven. Of werpt u tegen uzelf niet te kunnen bekeren? Dat is waar! Maar wat doet u daarmee en waar brengt u dat? Van God af... of naar Hem toe? Het is immers ook waar, dat de Heere wil geven wat Hij van ons vraagt. Bekering is niet ons werk, maar door de Heilige Geest. Die wil op het gebed nieuw leven in ons wekken. Jeremia bad: 'Heere, bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn'. Gelooft u dat Hij het ook doen wil. Hij wil geven wat Hij beveelt: 'niet willende dat enigen verloren gaan, maar allen tot bekering komen'.
* * *
Diepe bewogenheid drong Johannes om de schare zo scherp de bekering te preken. De oorzaak daarvan was, dat het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen was. In beginsel met de geboorte en komst van Christus, maar het zal ten volle verwezenlijkt worden bij Zijn wederkomst in majesteit en luister. Dat zal zijn om te oordelen de levenden en de doden. Als Koning van dat Rijk zal Jezus dan de Rechter zijn. Maar de prediking van het gericht staat altijd in het teken van Zijn genade. Daarom is Hij nu nog de Redder van een mensenleven, dat hier koning-af wordt om in Hem zijn heil en hoogst geluk te beschouwen. Door Zijn Woord en Geest wil Hij onze zondeschuld wegnemen en ons hart reinigen van alle kwaad.
* * *
Het Koninkrijk is nabijgekomen. Laten we de nodigende oproep van God niet uit de weg gaan, maar breken met al wat buiten Christus is, ook met onszelf en eigen godsdienstigheid; om door het geloof de Heere Jezus alleen te erkennen als de Koning van ons leven. Hij is groot in genade voor allen die Hem zoeken.
En als u door het geloof met Hem verbonden mag zijn, vergeet dan niet, dat het leven der bekering steeds meer verdiept moet worden, opdat de vrucht ervan al rijper en rijker in liefde tot de Koning én tot de ander zal blijken, tot eer van Zijn Naam!
J. DEN HOED, SLIEDRECHT
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's