Boekbespreking
C. J. den Heyer,
Ruim geloven - Een theologisch zelfportret
Uitg. Meinema; 336 pagina's; prijs ƒ 37,50.
Schrijven als een vorm van therapie. Dingen van je afschrijven, zeggen we dan. Je geest is volgelopen met van alles en nog wat. Je dreigt erin te verdrinken. Daarom wil je alles zoveel mogelijk kwijt, uitleggen, toelichten, aandacht vragen voor je bedoelingen, begrip claimen voor je opvattingen. Den Heyer noemt zijn boek het gevolg van een therapeutisch proces. Hij heeft vooral na zijn boek over de verzoening (1997) heel wat over zich heengekregen of misschien moeten we wel zeggen over zichzelf afgeroepen. Daarom besloot hij voorjaar 2000 een nieuw boek te schrijven, autobiografisch van opzet, waarin hij wil laten zien hoe zijn 'theologie' zich heeft ontwikkeld. Hoe het zover met hem gekomen is. Het komt er kort gezegd op neer: Den Heyer kan maar niet begrijpen dat zovelen hem kennelijk niet begrijpen. Daarom dacht hij: laat ik eens opschrijven hoe het allemaal gegaan is. Dat is goed voor mijn eigen gemoedsrust. En misschien kan ik daarna op meer begrip rekenen. Dat hoopt hij althans, hoewel hij eerlijk bekent na alle stormen van de laatste tijd weinig vertrouwen meer te hebben in de kerkelijke wereld.
Eerlijk gezegd: dat kan ik nu weer moeilijk begrijpen. Wie opgevoed en opgegroeid is in een klassiek-gereformeerde wereld zoals Den Heyer in dit boek zelf vertelt, wie de Heidelberger op catechisatie nog uit het hoofd heeft geleerd, wie in 1971 de kerkelijke storm rond het proefschrift van Herman Wiersinga heeft beleefd en dan zelf een boek schrijft waarin hij eerlijk en openhartig een streep haalt door de klassieke verzoeningsleer, die kan toch niet anders verwachten? Wreekt zich hier dan misschien toch het feit dat Den Heyer nooit gemeentepredikant is geworden, maar in het wetenschappelijk bezig zijn is blijven hangen? De afstand tussen kansel en katheder is daardoor al groter geworden.
Dit gezegd hebbend wil ik bekennen dit boek als een boeiend ego-document te hebben gelezen. Het leest als een trein, het boeit van begin tot eind. Vanuit Den Heyers optiek trekken alle belangrijke verschuivingen aan je voorbij die zich binnen de synodaal gereformeerde kerken sinds de zestiger jaren hebben voorgedaan. Als kardinale omslag ziet Den Heyer (terecht) het rapport over het Schriftgezag dat in februari 1981 verscheen onder de titel. 'God met ons'. Als secretaris van de deputaten was hij er nauw bij betrokken. De deur naar een positief gebruik van het historisch-kritisch onderzoek werd opengezet. 'Sindsdien waren er in gereformeerde kring in feite geen reserves meer tegen historisch-kritisch onderzoek van de bijbel', aldus Den Heyer. Ik begrijp uit zijn woorden dat hier ook voor hem één van de sleutels te vinden is voor zijn eigen verdere theologische ontwikkeling. De Schrift verliest zijn goddelijk gezag in de zin van de gereformeerde belijdenis. De klassieke inspiratieleer raakt op een zijspoor. En dat zet vervolgens de deur open voor een totaal anders omgaan met de inhoud van de Schrift. Deze is niet langer uitgangspunt maar voorwerp van wetenschappelijk onderzoek. Den Heyer geeft meerdere keren aan dat hij daarbij historicus wil zijn, geen dogmaticus. Hij verwijt de kerk al vroeg aan het begin van haar geschiedenis alle onzekerheden die er ook toen al waren rond de inhoud van de bijbel, te hebben willen toedekken door dogma's en belijdenissen. Je kunt dat wel willen als kerk, maar vroeg of laat ontdek je dat de bijbel niet één uniform geheel is. Binnen de ene bijbel zijn processen te zien van interpretatie en herinterpretatie. Zo is er ook niet één beeld van Jezus maar er zijn er verschillende.
Nog een facter die Den Heyers ontwikkelingen sterk heeft beïnvloed is zijn intensief contact met het jodendom via zijn lidmaatschap van het gereformeerde deputaatschap 'voor de verkondiging van het Evangelie onder Israël' sinds 1973. Er kwam een grondige heroriëntatie in zijn leven op gang naar de joodse achtergrond van het Nieuwe Testament. In twee hoofdstukken 'Jezus de jood' en 'geloven na Auschwitz' laat hij achtergronden zien van zijn ontwikkeling wég van de Christus van bijvoorbeeld Chalcedon. Hij vindt dat tussen de 'hoge' christologie (Jezus is de pre-existente Zoon van God) en het antisemitisme een directe relatie bestaat. Hoe meer gewicht wordt gehecht aan de hoge christologie, des te meer zal de waardering voor de joodse traditie afnemen. Wil daarom de kerk echt afraken van antisemitische tendensen, dan zal ze op z'n minst de klassieke christologie moeten corrigeren. Doet ze dat niet, dan zal ze er nooit in slagen de oude antisemitische vooroordelen werkelijk weg te nemen. Dat zijn hele krasse uitspraken, die tot nadenken en tot tegenspraak oproepen. In een slothoofdstuk evalueert Den Heyer zijn leven tot heden en zegt eigenlijk in zijn studententijd al afscheid te hebben genomen van de klassiek-gereformeerde Schriftopvatting, min of meer althans. Rationele twijfel aan de stelligheden die hij om zich heen hoorde kwam toen al op. Eigenlijk ligt in die twijfel het voornaamste motief om na een begonnen studie farmacie om te zwaaien naar de theologie. Daarom ook werd hij exegeet. Dat is een totaal andere manier van omgaan met de bijbel dan de dogmaticus doet. Het verbaasde hem daarom ook dat aan het laatste SoW-rapport over de verzoening geen enkele exegeet meewerkte maar dat het nota bene door een dogmaticus werd geschreven. Den Heyer vindt dat dogma en belijdenis de bijbel aan banden hebben gelegd. Belijdenissen bevatten het geloof van een vorige generatie maar niet die van hem die van een andere tijd is. Den Heyer is een door en door (post)modern mens. Modern voorzover hij vindt dat je de dingen ook in de theologie rationeel kunt blootleggen en dat je via die methode heel ver kunt komen. Van medegereformeerde A. van den Beukel zou hij kunnen leren dat wetenschappers daarin vandaag veel minder stellig zijn geworden. Den Heyer is ook postmodern: zijn waarheid, beleving van zijn waarheid is authentiek en maatgevend. En hij kan niet goed begrijpen dat hem die ruimte en die vrijheid eigenlijk niet wordt gegund: Want hij is zelf zo loyaal te vinden: wie klassiek-christologisch wil geloven in verzoening door voldoening, die hebbe zijn zegen.
Het is ten slotte een heel eerlijk boek. 'Ik heb afscheid genomen van de gereformeerde wereld', bekent hij. Het is wel een aangrijpende eerlijkheid. Onder ons is al veel negatiefs over Den Heyer gezegd en geschreven. Begrijpelijk, omdat zijn standpunten schokkend zijn voor wie wel wil blijven staan in de traditie van de christelijke kerk. Laten we hem niet 'onverhoord veroordelen'. Dit boek zou daartoe gelezen kunnen worden. Eén fout die een historicus eigenlijk niet mag maken: de man die ooit dat onvergetelijke liedje 'het dorp van mijn vader' zong, heet niet Wim Zonneveld, maar Wim Sonneveld (p.26).
J. MAASLAND, BARNEVELD
Enrico Annosaias e.a.,
Kunst Wereldgeschiedenis
Uitgave Tirion (Lannoo/Bosch & Keuning), Baarn, 704 pag., ƒ 125,-.
Voor ons ligt een schitterend, uit het Italiaans vertaald werk, waarin de wereldwijde geschiedenis van de kunst de revue passeert. De ondertitel luidt 'Alles over kunst uit alle tijden en alle werelddelen'. Vanaf het prille begin der geschiedenis (hier oneigenlijk aangeduid met prehistorie) komen alle belangrijke stromingen uit de beeldende kunst, de architectuur en de decoratieve kunsten voor het voetlicht, zowel geografisch als chronologisch geordend. Na een inleiding 'Wat is kunst vandaag?', volgen hoofdstukken over 'Prehistorische en antieke kunst' met o.a. de Griekse en Romeinse beschavingen, 'De oude wereld van het Romeinse Keizerrijk tot de vierde kruistocht', met o.a. de vroegchristelijke kunst en de Aziatische en Afrikaanse cultuur, 'Van de grote steden van Europa naar de vier hoeken van de wereld', met o.a. Gotiek en Vroeg-Renaissance, 'Kunsthandel en industrie', met o.a. de Romantiek in de 18e en 19e eeuw en kunst, technologie en industrie, 'Einde van de traditie en begin van de hedendaagse kunst' en 'De kunst van de 20e eeuw'.
Het is ondoenlijk een dergelijk uitgebreid en veelzijdig werk echt te bespreken. Een boek, dat begint met grotschilderingen en afsluit, althans in de inleiding, met het twintig jaar oude Centre Pompidou in Parijs, dat wordt opgevat als een 'antimuseum' en dagelijks 24.000 bezoekers trekt, bevat de uitersten in de kunst en al wat daartussen ligt. Het boek bevat meer dan 2200 kleurillustraties, met alle meesterwerken uit de hele wereld, en bevat 300.000 woorden over alle stromingen in de schilderkunst, de beeldhouwkunst en hedendaagse media. Het boek is toegankelijk gemaakt door een glossarium (verklarende woordenlijst) van de kunst, termen en een alfabetisch register en bevat als aparte katern 'Kunsttijdlijnen', die het geheel overzichtelijk maken. Er zijn evenveel kunststromingen als opvattingen over wat kunst is. Maar wie in kunst(werken) is geïnteresseerd vindt in dit boek een veelzijdige doorkijk door de geschiedenis, met hooggekwalificeerde afbeeldingen.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's