Het Koninkrijk van God in de Heidelbergse Catechismus [I]
Op de predikantencontio die op 3 en 4 januari jl. werd gehouden, kwam een interessant punt ter sprake. Naar aanleiding van het referaat van dr. ir. J. van der Graaf over de profetische taak van de kerk in de samenleving, kwamen we te spreken over de vraag of in de Heidelbergse Catechismus de notie van het koninkrijk van God niet tekort komt. Aangezien dit volgens mij niet alleen een vraag voor theologen is, maar ook en vooral voor de gemeente, wil ik er graag nog eens op terugkomen. Het gaat dan om de vraag of het heil van God dat Hij in Zijn Zoon Jezus Christus bereid heeft niet te smal aan de orde komt in de Heidelberger. Met andere woorden: gaat het niet te veel om het persoonlijke zielenheil en gaat het niet te weinig om het heil van God, zoals dat ook gestalte dient te krijgen in de bredere verbanden van de samenleving? En heeft dat geen gevolgen gehad voor de geloofsbeleving in onze traditie? Dat is geen onbelangrijk punt. Want de kerk en de gelovigen kunnen zich maar niet afzonderen van de wereld. God heeft toch ook de wereld op het oog (Joh. 3 : 16). Van der Graaf, die zelf op het persoonlijke karakter van de Heidelbergse Catechismus wees, zei dat volgens een oudere theoloog als Th. L. Haitjema en een jongere als R. Ganzevoort het inderdaad zo is, dat de Heidelbergse Catechismus hierin tekort schiet. Laatstgenoemde spreekt over een blinde vlek in de Heidelbergse Catechismus. Men verwijst dan nog al eens naar het geschrift van de Ned. Herv. Kerk: Fundamenten en Perspectieven van belijden, dat in 1949 werd uitgegeven. Daarin wordt dan veel meer aandacht besteed aan de gedachte van het koninkrijk van God, bijvoorbeeld in de artikelen 8, 14 en 16. Nu gaat het dan om de vraag of het zo is, dat in de Heidelbergse Catechismus te smal over het heil van God gesproken wordt. Of het koninkrijk van God niet onvoldoende aanwezig is. Zelf denk ik dat dit niet het geval is en ik wil dat dan ook graag toelichten in onderstaand artikel.
Het persoonlijke in de Heidelbergse Catechismus
We moeten allereerst bedenken dat de Heidelbergse Catechismus een belijdenisgeschrift is, dat persoonlijk is getoonzet. Hiermee sluit ik dus aan bij de typering van Van der Graaf. Dat is een verschil met de beide andere belijdenisgeschriften, namelijk de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. In deze geschriften wordt meer op thetische wijze beleden wat we als kerk geloven. Dan gaat het om de cruciale thema's, die toen en nu belangrijk zijn. Hoe zien we God, hoe denken we over de Schrift, over de verzoening, de verkiezing, de volharding enz. enz.
De Heidelbergse Catechismus heeft een ander karakter. Ze is bedoeld als een leerboekje, dat kinderen (en volwassenen) wil leren hoe je deelt in het heil dat Christus heeft tot stand gebracht, in welke bijbelse verbanden dat delen in het heil staat en hoe je als christen uit dat heil leeft, zodat God verheerlijkt wordt. Het geheel is bedoeld om getroost te leven en eenmaal zalig te sterven. Dat vinden we samengevat in Zondag 1 als een samenvatting van heel de Heidelbergse Catechismus. De Heidelberger is dus persoonlijk getoonzet. Vandaar de grote aandacht voor de rechtvaardiging (Zondag 23). De oefening, zoals het leerboekje die bedoelt te geven, draagt dus een persoonlijke spits. Dat is ook wel te begrijpen. De Heidelbergse Catechismus raakt hier namelijk een cruciaal punt. In de bestaande R.K. Kerk ging het helemaal niet persoonlijk toe. Men geloofde maar met de kerk mee. Men deelde gewoon in het heil als men de sacramenten ontving. Nee, zegt de Heidelbergse Catechismus, zo gaat het niet. Het dient zo te zijn dat ieder gemeentelid persoonlijk de Heere kent in zijn Zoon Jezus Christus. Vandaar dat persoonlijke in geloof en geloofsvrucht.
Maar nu moeten we daar wel onmiddellijk bij bedenken dat men in de tijd dat de Heidelbergse Catechismus werd opgesteld (1563) veel minder individualistisch dacht dan dat in onze tijd het geval is. Het persoonlijke is altijd vervlochten met het gemeenschappelijke en het gemeenschappelijke is weer vervlochten met het persoonlijke. Je kunt dat zien aan de vragen, waarin het nu eens gaat om ik en mij en dan weer om wij en ons.
Het is dus vanuit de aard van het leerboekje te verklaren, dat een persoonlijke spits aan de dag treedt, ook als het gaat om het koninkrijk van God.
Wat betekent het koninkrijk van God? Allereerst, dat je jezelf laat leiden door Koning Jezus, door Zijn Geest, door Zijn geboden en beloften. Zo ben ik Zijn onderdaan en moet dat telkens weer worden.
Maar nu geldt ook van dit koning-zijn van God in je leven, dat het in de Heidelberger niet puur individueel aan de orde komt, maar telkens weer in de vervlechting met de bredere verbanden van het leven. Ik zal proberen een en ander aan te tonen.
Uw koninkrijk kome
De gedachte van het koninkrijk van God komt heel duidelijk aan de orde bij de bespreking van de tweede bede van het Onze Vader: Uw koninkrijk kome (vr. en antw. 123).
Ik citeer nu eerst het antwoord op de vraag: Welke is de tweede bede? Het antwoord luidt: 'Uw koninkrijk kome. Dat is: regeer ons (!) alzo door uw Woord en uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verstoor de werken van de duivel en alle geweld dat zich tegen U verheft, met alle boze raadslagen, die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid van uw rijk kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.'
We kunnen in dit antwoord als het ware drie concentrische cirkels ontdekken. De binnenste cirkel betreft het persoonlijke leven. De tweede, daaromheen komende cirkel geldt de kerk.
En de derde, buitenste cirkel raakt de wereld, waarin antigoddelijke machten woeden, die door God als Koning overwonnen worden. Het geheel loopt uit op de toekomst van God, die met de wederkomst van Christus aanbreekt, waarin heel de schepping of kosmos vol zal zijn van Gods koningsheerschappij.
Ik ga nu in op respectievelijk het aspect van het persoonlijke, dan van de gemeente en dan van de wereld en de toekomst.
Het persoonlijke aspect van het Koninkrijk
In de Heidelbergse Catechismus klopt het hart in het persoonlijke geloof en ook de realiteit van het koninkrijk van God in het persoonlijke leven. We treffen voor dit laatste niet zo vaak de term koninkrijk van God aan. Maar dat is dunkt me niet zo belangrijk. Het gaat er immers om dat de zaak zelf aan de orde komt. Dat is volgens mij wel het geval.
De Catechismus spreekt dan in termen van heiliging (24), of bekering (88 - 90) of dankbaarheid (opschrift van het derde deel), als vrucht van het geloof. Dat het koninkrijk van God in het persoonlijke leven van de gelovigen gestalte dient te krijgen zie je in de volgende voorbeelden. In het belijden van de Naam van Christus (32), het gekruisigd worden van de oude mens, om ons tot een offer van dankbaarheid op te offeren (43), het opgewekt worden tot een nieuw leven (45), het door de Geest van Christus zoeken wat daarboven is, waar Christus (als Koning) is, zittende aan de rechterhand van God en niet dat op de aarde is (49), het voortbrengen van vruchten der dankbaarheid (64), het hoe langer hoe meer de zonden afsterven en in een Godzalig onstraffelijk leven wandelen (70), het door de Geest van Christus vernieuwd worden, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor zijn weldaden bewijzen (86). Ook de uitwerking van de Tien geboden van het Koninkrijk draagt telkens een persoonlijke spits. In de traditie van het gereformeerd protestantisme is dit persoonlijke altijd beklemtoond en ik denk dat dat iets kostbaars is, waar we ook in onze tijd zuinig op moeten zijn.
Het aspect van de gemeente in het Koninkrijk
In antwoord 122 krijgt het koninkrijk van God ook een gemeentelijke spits, als er staat dat het er ook om gaat dat we bidden: bewaar en vermeerder uw kerk. Dat is de tweede cirkel. In het leven van de christelijke gemeente dient de koninklijke heerschappij van Christus zichtbaar te worden. Het bewaren van en het vermeerderen van de kerk vormen daarin de twee polen. Als ik er nu op let hoe dit gemeentelijk aspect van het koningschap van Christus in de Heidelbergse Catechismus naar voren treedt, word ik telkens weer verrast. Ik noem enkele voorbeelden. In vraag en antwoord 55 wordt gezegd dat ieder gemeentelid zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden. In vr. en antw. 76 leren we dat we als gemeente door één Geest (gelijk de leden van een lichaam door één ziel) eeuwig leven en geregeerd worden. In de vragen 82 t/m 85 wordt de tucht geplaatst in het kader van het belang van een geestelijk gezonde gemeente. De koningsheerschappij van Christus kan immers van binnenuit worden aangetast. Ziektekiemen dienen opgespoord en genezen (of bij ongeneeslijkheid) verwijderd te worden. In vraag en antwoord 128 belijdt de gemeente dat God haar Koning is en alle dingen machtig is en de wil en het vermogen heeft om haar alle goeds te geven. Op deze wijze wordt realiteit wat in vraag en antwoord 31 beleden wordt, namelijk dat Christus onze eeuwige Koning is, die ons (als gemeente van gelovigen) met zijn Woord en Geest regeert en ons bij de verworven verlossing beschut en bewaart.
W. VERBOOM, WADDINXVEEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's