Bij een proefschrift over de kosmos in de paulinische geschriften
Ooit werd de farizeeër Saulus voor de poorten van Damascus door Christus een halt toegeroepen. Van zijn paard geworpen, moest hij zich onderwerpen aan het gezagvolle woord van Degene die hij eerst vervolgde. Hij was door Christus bestemd om te zijn "een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen en koningen, en de kinderen Israëls" (Handelingen 9 : 15). Over de roeping van de apostel is vrij veel geschreven. Een van de meest recente werken is dat van Seyoon Kim, een Koreaans theoloog, die in Nederland nauwelijks bekendheid geniet, maar die onder predikanten en theologen anders verdient, vooral vanwege zijn mooie boek 'The Son of man as the Son of God'.
Minder aandacht dan voor Paulus' bekering is er voor de manier waarop zijn theologisch denken in zijn latere leven zich heeft ontwikkeld. Wat dat betreft is het enigszins als met Augustinus. Heel bekend zijn de eerste hoofdstukken van zijn 'Belijdenissen', het meest gelezen boek dat hij ooit geschreven heeft. Deze hoofdstukken, die gaan over zijn bekering, worden met veel graagte gelezen, door wie zich maar enigszins met Augustinus bezighoudt. Maar veel minder bekend zijn de latere hoofdstukken waarin hij de ontdekkingen die hij door zijn bekering opdeed, uitwerkt tot een grootse visie op de schepping, op de wereld zoals die nu is en op de voleinding van alle tijden. En juist deze hoofdstukken zijn de bestudering meer dan waard!
Het gevaar is niet denkbeeldig, dat het de apostel Paulus in meerdere of mindere mate vergaat als Augustinus. Althans, soms blijkt men ervan uit te gaan dat Paulus, toen hij bij de poorten van Damascus de ontdekking van zijn leven deed, de theologie, die hij later in zijn brieven verwoordt, als het ware kant en klaar in de schoot geworpen kreeg. Dit is allerminst het geval. De apostel heeft na zijn bekering nog een geweldige ontwikkeling gekend in zijn denk- en geloofswereld. Mooie studies zijn daaraan gewijd. Te denken valt aan het boek van Lucien Cerfaux, 'De geestelijke groei van Paulus' (1967), maar ook aan recentere literatuur, bijvoorbeeld Martin Hengels boek over de apostel Paulus tussen Damascus (zijn bekering) en Antiochië (de plaats waar hij jaren later predikant was en vanwaar hij de wereld in gezonden werd), dat in 1997 gepubliceerd werd.
De bekende Engelse geleerde C. H. Dodd bestudeert in zijn geschriftje 'The mind of Paul' (1933) de latere ontwikkeling van de apostel, en betrekt in zijn studie vooral de brieven aan de Kolossenzen en de Efeziërs.
Een proefschrift over de paulinische brieven
Op de paulinische brieven, en met name op de brieven aan Kolosse en aan Efeze, promoveerde aan de theologische faculteit te Leiden op donderdag 25 januari dr. G. H. van Kooten uit Leiden. Het proefschrift is in de Engelse taal geschreven, hetgeen niet behoeft te verwonderen, aangezien de auteur meerdere jaren in Groot-Brittannië studeerde, en wel aan de universiteiten te Durham en Oxford. Hij deed dat bij zeer bekende nieuwtestamentici als James Dunn en Martin Goodman. Zijn proefschrift laat zien, dat het geen slechte keus geweest is om hem vanwege zijn kwaliteiten een beurs te verschaffen om in deze gerenommeerde universiteitssteden te studeren. Immers, de theologiebeoefening in Nederland kan zijn winst doen door het boek van dr. Van Kooten de aandacht te geven die het zonder meer verdient. Er waait mijns inziens in Engeland voor wat betreft de bestudering van het Nieuwe Testament aan sommige universiteiten een frisse wind. Zo snijdt men in de school van Dunn (Durham) thema's aan, die zeer verrijkend kunnen zijn en probeert men het Evangelie op grond van gegevens die meer en meer bekend worden, in een grootser daglicht te stellen dan voordien het geval was. Zoals dat ook aan sommige universiteiten in Duitsland gebeurt - met een grote kennis van zaken van de wereld waarin het Nieuwe Testament ontstond, orthodox en tegelijk in rapport met de tijd waarin wij leven. Men kan daar niet dankbaar genoeg voor zijn! Het lijkt me toe dat wij wat dat betreft in ons land niet helemaal in de pas lopen met deze ontwikkelingen in onderzoek en visie (uitzonderingen daargelaten).
Het mag gezegd worden dat het boek van dr. Van Kooten in een leemte voorziet. Wellicht dat er door zijn studie aan de theologische faculteiten en in de studeerkamers van pastorieën iets plaats kan vinden van bestuiving uit het buitenland.
Kosmologie
Dr. Van Kooten laat in zijn proefschrift zien hoe in Paulus' leven en geschriften aan de opdracht van Christus om Zijn Evangelie te brengen aan de volkeren inhoud is gegeven. Een hoogst belangrijk, maar vaak vergeten onderwerp snijdt hij in zijn proefschrift aan, te weten de vraag hoe de kosmologie, dat wil zeggen de leer van het heelal, er bij Paulus uitzag.
Voor velen is dat op het eerste gezicht wellicht een wat vreemde vraag. Dat is toch niet het geval. Als we haar iets anders verwoorden, zal het belang ervan eerder tot ons doordringen. Men kan de vraag namelijk ook als volgt stellen: Wat is het gevolg van Christus' werk op aarde, in Zijn geboorte, Zijn leven en sterven, zijn opstanding en hemelvaart, niet alleen voor de mens als individu, maar ook voor de geschapen werkelijkheid, hemel en aarde, ja de hele kosmos?
In Johannes 3 : 16 lezen we: "Alzo lief heeft God de wereld (de kosmos als geschapen werkelijkheid) gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft..." De kosmos is de door het Woord (de logos) geschapen werkelijkheid. In deze geschapen werkelijkheid is Christus gekomen en Hij leidt haar na Zijn werk volbracht te hebben door de geschiedenis tot haar voleinding. Johannes ziet Christus op Patmos, in zijn heerlijkheid, als de Zoon des mensen, met sterren in Zijn rechterhand. Hij ziet in zijn visioenen hoe de hele werkelijkheid van aarde, zon, maan en sterren door Christus getransponeerd wordt tot een nieuwe schepping. Dezelfde, die Johannes op het laatst van zijn visioenen nog steeds aanspreekt met de vertrouwelijke aanspraak "Here Jezus" (Openbaringen 22 : 20), zag hij op het eiland Patmos als de Zoon des mensen met zo'n overweldigende majesteit en heerlijkheid, dat hij als dood voor Hem neerviel (Openbaringen 1 : 17). Welk een uitbouw kende het Evangelie! Welk een vensters werden opengestoten, wat een vergezichten deden zich open!
Uitbouw binnen de Grieks-hellenistische cultuur
Het was er dr. Van Kooten in zijn proefschrift kennelijk om te doen om in het licht te stellen hoe soortgelijke tonen als bij Johannes ook in de brieven van de apostel Paulus voorkomen. Hij laat zien hoe Paulus in zijn tocht als 'uitverkoren vat' vanzelfsprekend in gesprek raakte met vertegenwoordigers van zogenaamde platoonse en stoïcijnse stromingen. Het hoeft ons, als wij het Nieuwe Testament enigszins kennen niet te verbazen, dat dit gezegd kan worden. Martin Hengel heeft in het al aangehaalde boek over 'Paulus tussen Damascus en Antiochië' er de vinger bij gelegd, dat Paulus in de tijd na zijn bekering, voordat Barnabas hem naar Antiochië riep, gewoond heeft in de buurt van zijn geboortestad Tarsus. Dit gebied vormde een brandpunt van de Grieks-hellenistische cultuur. In deze wereld heeft Paulus zijn Evangelie gebracht. Hij heeft er vele mensen gesproken en is vanzelfsprekend door hen beïnvloed. Ademend in dit Grieks-hellenistische milieu maakte hij kennis met de platoonse en stoïcijnse filosofie, met de mysteriereligies enz. Ook door zijn reizen heeft hij veel opgedaan van degenen die hij ontmoette. Daarbij werd hij gedreven door één passie: Christus te verkondigen als de enige weg tot behoud.
Dat Paulus hiervan de invloed heeft ondergaan, blijkt wel uit wat hij zegt in wat gold als hét culturele centrum van die tijd: Athene. Op de Areopagus haalt Paulus heel dankbaar één van de stoïcijnse dichters aan, Kleanthes, van wie de woorden zijn, dat wij ons in God bewegen en zijn ("gelijk een van uw poëten zegt: 'Want wij zijn ook Zijn geslacht'" - Handelingen 17 : 28). Uitgaande van deze notie, die hij in het heidendom aantrof, predikt Paulus het Evangelie door te spreken over een "Man die God gesteld heeft als rechter van de hele aarde, namelijk Christus, die Hij uit de doden heeft opgewekt." Welnu, gedreven door de passie om Christus te verkondigen, is Paulus in aanraking gekomen met de misère, maar ook met allure van de hellenistische wereld. En in de beste en grootse gedachten die hij aantrof, heeft hij materiaal gevonden om de heerlijkheid van Christus des te groter te laten uitkomen. Hij ontdekte parallellen, hij werd door degenen die hij sprak beïnvloed en heeft gedachten benut om op die manier te komen tot de visie, dat niet alleen enkelingen, maar de hele geschapen werkelijkheid met God verzoend is door Christus (Kolossenzen 1 : 19 en 20: het is "des Vaders welbehagen geweest (...) dat Hij (...) door Hem alle dingen verzoenen zou tot Zichzelf, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn"). Met andere woorden: Paulus werd meer en meer doordrongen van de implicaties van Christus' werk voor de hele geschapen werkelijkheid. De reikwijdte van Christus' werk is meer en meer voor hem opengegaan. De neerslag daarvan vinden we in Galaten 3, in het 15e hoofdstuk van de eerste brief aan de Korinthiërs en in de brieven aan de Kolossenzen en de Efeziërs. Duidelijk wordt dat Paulus een school heeft gehad, dat wil zeggen dat hij omringd werd door leerlingen, die nauw met hem samenwerkten, en die in zijn geest het Evangelie verder de wereld indroegen. Zij hebben, zo veronderstelt dr. Van Kooten, meegeholpen aan de totstandkoming van sommige brieven, die de geest van Paulus' pioniersarbeid ademen!
Het is verrijkend dit te lezen. Wanneer men het proefschrift van dr. Van Kooten leest, komt men diep onder de indruk van het grootse perspectief dat dit heeft opgeleverd. Het is voorzienigheid, dat het Evangelie in de hellenistische wereld het eerst geplant werd en wortel geschoten heeft. Dat in deze vruchtbare grond de Kerk tot bloei gekomen is, mag zeker geen toeval heten. Het heeft een vrucht opgeleverd voor alle tijden.
Zorgvuldige exegese
Een van de fraaiste passages uit het proefschrift, waaruit blijkt hoezeer Paulus' theologie zich leende voor een magistrale uitbouw, is de uitleg van 1 Korinthiërs 15 : 23-28. Dr. Van Kooten is zeer zorgvuldig in de exegese van deze teksten. Christus regeert, is de boodschap ervan. God heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen (Psalm 110). Dit is nog niet ten volle zichtbaar, maar eens zal blijken dat Hij de macht gekregen heeft, zelfs over de dood. Dan zal Hij het Koninkrijk overgeven aan zijn Vader, die alles zal zijn en in allen. In de brief aan de Kolossenzen komt tot uitdrukking, dat Christus alle dingen door Zijn kruisdood al verzoend hééft. De hele kosmos is in Hem geschapen en wordt nu al bijeengehouden door Hem - terwijl de zonde de kosmos dreigde te ontwrichten. In de Efezebrief wordt aan de kerk in dit geheel van kosmische verbanden een plaats gegeven. Ze is nu al de stad van God, waarvan de fundamenten gelegd zijn door Christus' werk op aarde, en waaraan de eer gegeven wordt om vrij van de desastreuze gevolgen van ontwrichting van de zonde, tegenover de (kosmische) machten van Christus' overwinning te getuigen. Straks bij de voleinding zal haar de ereplaats bij uitstek ingeruimd worden in de hele kosmische werkelijkheid, om te zijn de stad Gods, waarin God en waarin Christus wonen.
Bij deze vergezichten legt dr. Van Kooten de vinger. Ze vormen het sluitstuk en de bekroning van Paulus' theologische ontwikkeling.
Conclusie
Concluderend kunnen we zeggen, dat Paulus bij het ouder worden door zijn evangelieverkondiging in Klein-Azië en Europa meer en meer ging begrijpen van de reikwijdte van Christus' werk en dat hij in verschillende hellenistische geschriften het instrumentarium vond om het Evangelie in een magistraal licht te stellen. Het Evangelie is door toedoen van vooral Paulus in de hellenistische wereld binnengedrongen. Daar lagen voor de ontplooiing van de boodschap van het Evangelie rijker mogelijkheden dan in het farizeïstische jodendom, dat in Jeruzalem zo'n prominente plaats innam.
Het is de verdienste van de dissertatie van dr. Van Kooten dat hij veel van deze geschetste ontwikkeling én van de uitkomst ervan naar voren brengt.
Vanzelfsprekend werden tijdens de discussie tijdens de promotieplechtigheid kritische vragen gesteld. Hier en daar bleek dat men niet of slechts schoorvoetend bereid is om dezelfde positieve waardering van het hellenisme op te brengen, zoals dat in Duitsland en Engeland gebeurt. De vragen, die aan dr. Van Kooten gesteld werden, beantwoordde hij echter adequaat, op dezelfde doorwrochte en zorgvuldige manier als waarop het proefschrift geschreven is. Daarmee heeft hij zich een positie verworven, die er mag zijn. Van harte feliciteren we hem met deze prachtige prestatie.
DR. H. KLINK, HOORNAAR
De titel van het proefschrift luidt: The Pauline Debate on the Cosmos: Graeco-Roman Cosmology and Jeimsh Eschatology in Paul and in the Pseudo-PauIine Letters to the Colossians and the Ephesians, Leiden 2001.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's