Uit de pers
Gerespecteerd vreemdeling
Vandaag (15 februari) neemt G. J. Schutte, bijna twintig jaar Tweede-Kamerlid voor het GPV, afscheid van de Nederlandse politiek, alom geacht en gerespecteerd en met veel egards uitgewuifd. In de pers kreeg zijn aanstaande vertrek nogal aandacht. We citeren twee fragmenten uit gesprekken met hem. Om te beginnen uit het dagblad Trouw van vrijdag 2 februari 2001. Hans Goslinga en Marcel ten Hooven spraken met Schutte en zetten boven hun verhaal Vreemdeling in eigen land. Schutte is zich er altijd van bewust geweest tot een minderheid te behoren en daarom niet over macht te beschikken.
'Hij vergelijkt die positie met die van de verdrukte eerste christenen in de Romeinse tijd, die van de apostel Petrus de raad kregen niet gek op te kijken als hun iets vreemds overkwam. Hij ervaart dit vreemdelingschap in eigen land nog sterker sinds het aantreden van Paars II. "Onder het eerste paarse kabinet was het in de coalitie nog een kwestie van aftasten: wat kunnen we, nu we zonder een christelijke partij regeren? Kok was voorzichtig, hij presenteerde zich als premier van alle Nederlanders. Onder Paars II is er sprake van een radicalisering en het gaat ineens snel ook. Het openstellen van het huwelijk voor homoseksuelen, de euthanasiewet, het opschuiven in medisch-ethische kwesties, de coalitie houdt in die zaken geen rekening meer met de opvattingen en gevoelens van de christelijke partijen."
"Dat is een bewuste keuze. Paars is z'n onschuld kwijt: wij zijn de meerderheid en we doen het zo. Ik heb dat sterk ervaren in het debat over het homohuwelijk. Wij vroegen aandacht voor ambtenaren van de burgerlijke stand met gewetensbezwaren tegen het trouwen van homo's. Aanvankelijk stelde staatssecretaris Cohen zich op een onverbiddelijk standpunt: wet is wet, anders moet je maar geen ambtenaar van de burgerlijke stand worden. Pas in het debat draaide hij om. PvdA en WD bleven tegensputteren: moet dat nou? Ik ervaar dat als de tirannie van de meerderheid. Daarmee wordt gebroken met een traditie in ons land, die Ed van Thijn, toch niet de eerste de beste in de PvdA, ooit onder woorden bracht toen hij zei: democratie is de kunst om met minderheden rekening te houden. Van die lijn, die in de sociaal-democratie altijd aanwezig is geweest, merk je in de huidige PvdA bij ethische kwesties nog maar weinig. Bij de VVD is die gezindheid er nog wel als het om onderwijs gaat."
De radicalisering van Paars schrijft hij voer een deel toe aan een revanchisme jegens het CDA. "Dat zal wel meespelen, ja. Maar je moet wel behoorlijk gemotiveerd zijn als je, in het geval van het homohuwelijk, zo radicaal breekt met een cultuur die eeuwenoud en wereldwijd verspreid is." Wat hem zo mogelijk nog meer steekt, is dat de paarse meerderheid de christelijke partijen eigenlijk niet meer als politieke tegenstanders beschouwt, "maar als een curiositeit, eigenaardig, maar onschadelijk, aan wie je alleen nog maar respect hoeft te betuigen". Gestoord heeft hij zich aan het triomfalisme van het D66-kamerlid Dittrich. "Ik kan het accepteren dat hij zegt: we hebben lang voor het homohuwelijk en de euthanasiewet gestreden, ik ben blij dat het gelukt is. Maar hij is er trots op, als een slavendrijver die de slaven onder de voet heeft. Het straalde van hem af. Het betuigen van respect heeft dan geen betekenis meer. Respect en tolerantie omvatten meer dan een plichtmatig woord. Tolerantie moet ook iets kosten, in de zin dat je iets accepteert van een ander wat je niet zou willen. Dat is de kern van de traditie van geestelijke vrijheid in dit land.'"
Gerespecteerd vreemdeling dus. Maar niet zonder bijsmaak. Respect gedompeld in een soort mededogen: ach, je hebt ze nog steeds, weet u wel, van die nachtschuit uit vroeger dagen. Juist aan het politieke front komt aan het licht hoe ver de ontkerstening onder ons volk is doorgebroken. En christenen die aan dat front staan, hebben daar elke dag mee te maken. Zij verdienen óns respect en biddend meeleven. Zij vertegenwoordigen ons, tenminste dat neem ik aan. In het Reformatorisch Dagblad van donderdag 1 februari 2001 was een gesprek te lezen van B. J. Spruyt met Schutte en daaruit lichten we ook een fragment.
'Wat mij heeft getroffen als triest en ingrijpend is de secularisatie, die zich ook politiek heeft vertaald. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig was er nog iets over van de oude antithese tussen christelijke politiek en die van de anderen. Er is nu geen debat meer vanuit de tegenstellingen. Er is slechts de vergrauwing van het politieke midden. We zijn nu weer een generatie verder en die heeft geen enkele kennis meer van, noch enige affiniteit tot het christelijke geloof. Het geloof is in hun ogen de curiositeit van een kleine minderheid. De standpunten zijn soms misschien wel interessant, in de zin van eigenaardig, maar ze zijn niet gevaarlijk meer en dus hoef je ze ook niet meer te bestrijden. Zo worden we in toenemende mate uit het debat weggerespecteerd, zoals Veling dat in de Eerste Kamer heeft uitgedrukt. Het meest aangrijpende is voor mij echter het voortdurende proces van steeds verder gaande uitholling. De discussie over abortus begon nog onder het mom van een poging om een dam op te werpen. Nu is het standpunt dat mensen moeten kunnen doen wat ze willen en is er van de zijde van de overheid geen enkele bereidheid meer om bepaalde ontwikkelingen te sturen of af te remmen. Integendeel zelfs, de ministers vinden steeds weer argumenten om de weg naar beneden verder te effenen.'
Weg-gerespecteerd, inderdaad. Het geloof als een curiosum. Iets om op te bergen in het Openluchtmuseum. Niet meer geschikt in het tijdperk waarin de mens zijn eigen normen vaststelt.
Vervreemding
In Woord en Dienst van 20 januari 2001 had Kees Posthumus een gesprek met André Rouvoet, Tweede-Kamerlid voor de Christenunie. Onlangs verscheen van zijn hand een boek: Politiek met een hart. Beschouwingen over politiek en moraal. Ook in zijn woorden komt de vervreemding naar voren waar christen-politici op stuiten.
'Rouvoet bestrijdt het heersend postmoderne relativisme, waardoor elke moraal even goed schijnt. Vanuit de Bijbel is er voor hem wel degelijk een universele morele code, waaraan individuele keuzen ondergeschikt zijn. In de Kamer brengt hij dan ook volhardend de christelijke moraal ter sprake, waarop de Christenunie haar standpunten bouwt. En hij is het meer dan beu, om vanwege die opstelling uitgemaakt te worden voor moraalridder of betweter. "Meer dan eens heb ik gemerkt, dat andere woordvoerders niet ingaan op onze reële bezwaren en argumenten, vanuit de gedachte: hij is tóch tegen omdat hij christelijk is. Dat vind ik ronduit verwerpelijk. Je doet daarmee niet alleen afbreuk aan de inbreng van de ander, maar ook aan de kwaliteit van de besluiten. Bovendien: wat is de democratie nog waard, als je niet meer mag uitkomen voor je diepste overtuiging? Krachtig spreken namens je diepste overtuiging is beslist niet hetzelfde als het monopoliseren van de waarheid. Maar wanneer je je eigen waarheid niet meer voor absoluut waar houdt, verzanden we in een eindeloos relativisme. Dan kan en mag alles, is alles even goed. Ik spreek duidelijk en in absolute termen over goed en kwaad en daag anderen uit, om uit te komen voor hun waarden en normen, voor hun diepste overtuiging. Daar moet je elkaar ook op kunnen aanspreken. Dat gebeurt in de Kamer veel te weinig."
Er zijn ook christenen in de Kamer, die vanuit hun overtuiging een andere keuze maken. Heeft André Rouvoet het patent op "spreken namens christelijk Nederland"?
"Nee, natuurlijk niet. Een christen-politicus spreekt niet namens de kerken of alle christenen. Al zou ik wel willen, dat wij als christenen meer op een lijn zouden zitten. Ik zou nooit durven beweren, dat 100 procent van mijn eigen gemeente of van de christelijk-gereformeerden mijn standpunt altijd deelt. Ook bij ons zijn mensen lid van verschillende partijen, zelfs van GroenLinks of Partij van de Arbeid. Maar dat neemt niet weg, dat ons standpunt door een deel van de protestants-christelijke kerken massief gedragen worden. Het gaat mij erom, dat ook dat geluid gehoord wordt in een fundamenteel debat over moraal, over goed en kwaad. Het paarse kabinet laat zich te veel leiden door publieke opinie en maatschappelijk draagvlak. Paars faciliteert wettelijk, waar maatschappelijk behoefte aan is, zonder zich af te vragen of dat moreel goed of kwaad is. Men redeneert: er is behoefte aan een homohuwelijk, dus veranderen we de huwelijkswetgeving ingrijpend. Maar als je twee mannen met elkaar wilt kunnen laten trouwen, waarom dan niet drie, of zes? Dat is dan toch ook '"goed"'? Of regel je dat óók, als er in de samenleving draagvlak voor is? Op die manier is het einde zoek."'
Werkzaam binnen de kerken kom je veelmeer via de zijlijn in aanraking met de ontkerstening en de gevolgen daarvan: afname kerkbezoek, uitschrijvingen, onkunde, etc. Maar in de maatschappij en in de politiek wordt de diepgaande mentaliteitsverandering van mensen vertaald in concrete besluiten, vooral op ethisch terrein. Echter, zo kom je binnen de kerken ook een ander menstype tegen dan jaren geleden. Want kerkgangers zijn mensen van deze tijd: zelfbewust, sterk betrokken op het hier en nu, minder snel onder de indruk van gezag dat van elders komt (Bijbel, ambt, kerk). De gereformeerde accenten van verkiezing en verbond bijvoorbeeld schuren langs de eigentijdse beseffen van eigen verantwoordelijkheid en keus. Het is goed daar in verkondiging en catechese steeds weer rekening mee te houden.
J. MAASLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's