Boekbespreking
Henk van Wijk,
De dans van de blinde bruid.
Over de kerk op weg naar haar voleinding.
Uitgave Merweboek, 272 blz., ƒ 38,50.
Dit boek van een niet-theoloog, die grondig met de theologie op de hoogte is, heeft men niet een-twee-drie uitgelezen. Hoewel men er wel toe in de verleiding komt . Er staat echter zoveel in dat lezing ervan de nodige tijd en bezinning kost. Met de blinde bruid (de titel van het boek acht ik niet zo gelukkig; het had beter verwisseld kunnen worden met de ondertitel) bedoelt de schrijver de kerk, die blind is voor haar eigen armoede. Die armoede is o.a. de grote verscheurdheid en verdeeldheid van de kerk, maar ook haar leer, die in vele opzichten afwijkt van de heilige Schrift. De schrijver zegt: er is geen enkele kerkelijke denominatie waar de volheid van de openbaring van Christus te vinden is. Veel kostbare elementen die herontdekt zouden moeten worden zijn te vinden in andere kerkelijke denominaties dan die waartoe men zelf behoort, maar door de verdeeldheid van de kerk hebben we daar geen zicht op.
In acht hoofdstukken komt veel aan de orde: de doop en de grenzen van de kerk, het wezen en de roeping van de kerk, de gaven van de Geest en de bedieningen van Christus, de aanbidding en de samenkomsten van de kerk, man en vrouw in Christus en een hoofdstuk over de kerk, Israël en de volken.
In het hoofdstuk over de doop wijst de schrijver de gedachte af dat we binnen de kerk zouden moeten leren leven met verschillende doopvisies. Wanneer er over de doop geen eensgezindheid bestaat heeft dat gevolgen voor het zicht op de kerk. De schrijver acht de kinderdoop vanzelfsprekend, vanuit de gedachte dat God de kleine kinderen al geloof geeft. Over het wezen en de roeping van de kerk zegt hij, dat de kerk zich ten onrechte macht toegeëigend heeft in plaats van dat ze vasthield aan Jezus' woorden dat ze in de wereld verdrukt zou worden: de kerk maakte zich schuldig aan slavenhandel, jodenhaat, bloedige kruistochten en kolonisatie. De grote maatschappelijke problemen, de derdewereldproblematiek, de milieuproblematiek en de uitbuiting van de aarde hadden hun beginpunt in de traditioneel christelijke wereld. De kerk bouwde zich een stad in plaats van dat haar weg in nederigheid en eenvoud was. Als de kerk ziet naar de secularisatie zal ze niet allereerst moeten wijzen op de onboetvaardigheid van de ongelovigen of op de tegenstand van de Boze, maar op het feit dat ze in haar verdeeldheid niet leefde naar Jezus' Hogepriesterlijk gebed, dat zij allen één zouden zijn, opdat de wereld geloven zou dat de Vader Hem gezonden heeft.
Hoofdstuk 4 gaat over gaven van de Geest en bedieningen van Christus. De schrijver pleit voor (meer) aandacht voor de gaven van de Geest. De gaven zijn aan de kerk gegeven om haar voor te bereiden op de bruiloft van het Lam. Het functioneren van de gaven moet pastoraal verantwoord zijn, in overeenstemming met de leer van Christus en in wijsheid toegepast. Gaven zonder de bedieningen leiden tot verwarring en de bedieningen zonder de gaven leiden tot verstarring.
In het hoofdstuk 'Aanbidding: de samenkomsten van de kerk' bepleit de schrijver een ruime plaats voor aanbidding. Is het waar dat het hart van de christelijke dienst de eucharistie is, zoals de schrijver zegt? En dat de kerk in de eucharistie (het heilig avondmaal) Christus' volbrachte offer op Golgotha aan God voorstelt? Is het niet juist andersom? Waar is het versterkende karakter van het sacrament? Of gaat het in de eucharistie alleen om de aanbidding van God?
Er zou nog veel meer te zeggen zijn van dit boek, zoals wat de schrijver zegt over de onderscheiden plaats van man en vrouw in de gemeente: vrouwen kunnen in de gemeente in tal van situaties van grote betekenis zijn, maar nooit zal dit naar Paulus' woorden een vorm mogen krijgen die de vrouw verheft boven de man of boven de bedieningen van de kerk. Of wat de schrijver zegt over Israël: Israël heeft vanwege Gods trouw een blijvende plaats in Gods plan met deze wereld. De manier waarop Israël in haar roeping gefaald heeft zien we op dezelfde manier terug in het falen en de zonden van de kerk. Net zo duidelijk als de joden in Jezus de Messias hadden behoren te herkennen, had de kerk behoren te leven vanuit de stellige verwachting dat de verharding die over Israël ligt eenmaal zal worden weggenomen. En: Israël keerde in 1948 terug in zijn land, maar zonder boete en bekering. Daarom zal het in het vuur van de verdrukking onder de macht van de antichrist komen, totdat God zal ingrijpen in de wederkomst van Christus.
Ik heb ook een aantal vragen. Is het juist om een is-gelijk-teken te zetten tussen de doop en de wedergeboorte en te zeggen dat in de doop een scheppend handelen van God verborgen ligt? (blz. 19-20). Gaat het in de doop niet veeleer om de beloften van God, die zich in het leven van de gelovigen verwerkelijken in de weg van geloof en bekering? Hetzelfde geldt de veronderstelling bij de kinderdoop dat God de kleine kinderen geloof zou geven en de Heilige Geest in de geest van zelfs ongeboren kinderen kan werken. Het Schriftbewijs van het kindeke (Johannes de Doper), dat van vreugde opsprong in de schoot van zijn moeder, heeft mij niet overtuigd. Wat de gaven en bedieningen betreft: is het waar dat het 'ontdekken' van de bedieningen in de gemeente alleen door het licht van de Heilige Geest in de profetie kan gebeuren? (blz. 90-91). Bedoelt de schrijver dat de ambtsdragers bijvoorbeeld niet gekozen moeten worden met meerderheid van stemmen, maar door profetische aanwijzing? Ik houd het erop dat de (ook kerkordelijke) orde van de kerk de orde van de Heilige Geest is als op een goede wijze met deze orde wordt omgegaan. Miskent de schrijver ook de gebrokenheid van de aardse bedeling niet als hij spreekt van het mysterie van de onfeilbare kerk dat openbaar kan worden naarmate haar eenheid in Christus openbaar wordt? (blz. 103).
Een boek dat dus veel stof tot nadenken geeft, hier en daar ook prikkelt tot tegenspraak, maar dat in grote bewogenheid werd geschreven. Voor christenen uit alle mogelijke denominaties, niet alleen voor de theologisch geschoolden maar 'voor alle leden van de kerk die van de gemeente hebben leren houden als van het huisgezin van God', lees ik in het voorwoord. Het boek heeft 78 bladzijden noten, wat heel uitzonderlijk is. In die noten vindt men echter veel waardevolle gegevens ter verduidelijking van wat de schrijver bedoelt.
De schrijver studeerde geografie en economie in Utrecht en Amsterdam, werkte in het onderwijs en daarnaast in de reiswereld als samensteller van kerkhistorische reizen. Hij is lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk.
H. VELDHUIZEN, HUIZEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's