Sterven of streven - wil de ware mens opstaan?*
Broeder Smit zit op een lijdenszondag in de kerk. Aandachtig luistert hij naar de preek over het stervende Tarwegraan. Zoals de Heere Jezus vrijwillig de weg van het sterven is gegaan om in die weg vrucht te dragen, zo worden ook de gelovigen in Zijn voetspoor geroepen tot zelfverloochening en kruis dragen. De volgende ochtend heeft Smit op zijn werk een functioneringsgesprek. Hij weet dat het best wel een moeilijk gesprek kan worden. Hem wordt verweten dat hij zich te weinig waarmaakt, zich te weinig profileert en zich te veel door anderen in de schaduw laat stellen. Zal de baas weer beginnen over die assertiviteitscursus? En hoe brengt hij dat nu bij elkaar: de boodschap van het Woord op zondag en die mentaliteit waarmee hij dagelijks te maken heeft van jezelf waarmaken, desnoods ten koste van je collega's? Smit is niet de enige die met deze vraag zit. Eigenlijk zitten we er als gereformeerde christenen allemaal wel mee. Het is waar wat de Catechismus zegt in Zondag 3 dat de gevallen mens 'onbekwaam is tot enig ('zaligmakend' zou ik willen toevoegen) goed en geneigd tot alle kwaad'. Maar tegelijkertijd vinden we dat we onszelf mogen aanvaarden, dat we dankbaar mogen zijn met ons bestaan, dat we gerespecteerd moeten worden in onze (mensen-)rechten en dat we geroepen zijn onze gaven en talenten te ontplooien. Ligt hier niet een groot spanningsveld? Komen we daar uit door met Calvijn te spreken over de 'vonkskens' die na de zondeval nog overgebleven zijn van het oorspronkelijke beeld Gods, dat we eens in het paradijs hebben vertoond? Of kan Abraham Kuyper ons verder helpen met zijn leer van 'de gemene gratie', de algemene genade, waardoor Adam na zijn val toch nog zou meevallen?
Dialoog met Küng
Op 7 februari jongstleden promoveerde ds. H. de Leede, rector van het Theologisch Seminarium Hydepark, aan de Rijksuniversiteit te Leiden tot doctor in de theologie. Eerder is hij in dit blad gelukgewenst met het bereiken van deze mijlpaal. Terecht, want zijn dissertatie is een gedegen werk, geen eersteling van een jong, aanko-mend theoloog, maar een studie die een rijp karakter draagt. En het gaat over een relevant onderwerp: over precies de vragen en spanningen waar broeder Smit mee zit. De titel geeft dat duidelijk aan: Waarachtig mens-zijn: sterven of streven. In gesprek met de bekende rooms-katholieke theoloog Hans Küng (1928) komt de verhouding tussen (modern) mens-zijn en christenzijn in dit boek uitvoerig en diepgaand aan de orde. Het betreft uiteraard een wetenschappelijk werk, voer voor theologen dus. Vanuit een geduldig volgehouden en intense luisterhouding laat De Leede zijn gesprekspartner ruimschoots aan het woord, waarbij de theologische ontwikkelingsgang van Küng helder wordt getekend. De dialoog concentreert zich op het in 1973 verschenen werk Christ sein (Nederlandse vertaling: Christen zijn, Hilversum 1976). In dit boek poneert Küng de stelling: waarom moet men christen zijn? Het antwoord luidt verrassend: 'om waarachtig mens te zijn!' In telegramstijl: Geen christen zijn ten koste van het mens-zijn, maar ook geen mens-zijn ten koste van het christen-zijn. Geen christen zijn naast, boven of onder het mens-zijn. De christen moet geen gespleten mens zijn, want het christelijke is niet de ontkenning, maar de 'Aufhebung' (de opheffing en bewaring op een hoger niveau) van het menselijke. Dit betekent voor Küng dat het 'streven', het emancipatieproces van de moderne mens met zijn toegenomen mondigheid en verantwoordelijkheid, in het ware mens-zijn opgenomen is. Ten diepste is de drang tot zelfontplooiing die de moderne mens zo kenmerkt, een verlangen naar waarachtige humaniteit. En dat streven wordt gehonoreerd in het christen zijn!
Wellicht dat de lezer die een en ander tot hiertoe heeft gevolgd, verzucht dat hier weer typisch zo'n optimistische roomse benadering blijkt. De genade sluit zomaar aan bij de natuur, naadloos als een extra bovenverdieping op het mens-zijn. Zullen we het maar niet liever houden bij die preek uit de lij— denstijd die broeder Smit met zoveel stichting beluisterde? Moet niet in geloof en bekering al onze mondigheid en zelfbeschikking ingeleverd worden, zodat God alleen de eer krijgt en Hij alleen gewicht in de schaal legt in ons leven?
Kloof en brug
In die reactie steken waarheidselementen, maar terecht waarschuwt De Leede voor eenzijdigheid. God en mens zijn toch geen concurrenten? In de erkenning van de Schepper komt het schepsel toch juist tot zijn recht en krijgt het toch de ruimte tot ontplooi-
ing? Het lijkt erop dat we staan voor een onoverbrugbare kloof tussen christen-zijn en modern mens-zijn.
schaduw komen te staan. Het is bijzonder boeiend te zien hoe dr. De Leede daartegenover Gods betrokkenheid bij het gebeuren intekent vanuit het belijden van de drie-eenheid van God met - in navolging van A. A. van Ruler en O. Noordmans - bijzondere aandacht voor het werken van de Heilige Geest. Vanuit dit zicht op God komt er ook een andere belichting van waarachtig mens-zijn met nadruk op de bewogenheid met de naaste in nood en het instaan voor de ander bij de breuklijnen van het leven. Meer dan Küng weet De Leede de aspecten van 'streven' en 'sterven' met elkaar te verbinden. Een praktisch-pastorale vertaling van de inzichten uit dit boek zou broeder Smit helpen om toch een verbindingslijn te trekken tussen zijn geloof in het evangelie van het stervende Tarwegraan en zijn inzet op de werkvloer om zijn talenten te ontplooien en van- 210
schaduw komen te staan. Het is bijzonder boeiend te zien hoe dr. De Leede daartegenover Gods betrokkenheid bij het gebeuren intekent vanuit het belijden van de drie-eenheid van God met - in navolging van A. A. van Ruler en O. Noordmans - bijzondere aandacht voor het werken van de Heilige Geest. Vanuit dit zicht op God komt er ook een andere belichting van waarachtig mens-zijn met nadruk op de bewogenheid met de naaste in nood en het instaan voor de ander bij de breuklijnen van het leven. Meer dan Küng weet De Leede de aspecten van 'streven' en 'sterven' met elkaar te verbinden. Een praktisch-pastorale vertaling van de inzichten uit dit boek zou broeder Smit helpen om toch een verbindingslijn te trekken tussen zijn geloof in het evangelie van het stervende Tarwegraan en zijn inzet op de werkvloer om zijn talenten te ontplooien en van- 210 uit een reële visie op zijn eigen sterke en zwakke kanten gezond assertief te zijn en tegelijkertijd wars te blijven van een egoïstische ellebogenpolitiek.
Ander paradigma?
Behalve kritische distantie ten aanzien van Küng is er in het boek van De Leede ook nauwe aansluiting bij deze theoloog op te merken. Herhaaldelijk valt het woord 'paradigma'. Het gaat dan om een geheel aan voorstellingen, een wereldbeeld, een 'symbolisch universum', dat in een bepaalde tijd of cultuur opgeld doet, maar daarna zijn tijd gehad heeft en door een nieuw paradigma wordt vervangen. Denk bijvoorbeeld aan de opvatting van vóór de tijd van Copernicus dat de aarde het middelpunt van het heelal zou zijn, een zogenoemd geocentrisch wereldbeeld. Toen eenmaal aanvaard was dat de aarde om de zon cirkelt, kwam er
een nieuw paradigma op, een heliocentrisch wereldbeeld. Küng wil theologiseren vanuit het eigentijdse paradigma van de mondige mens en niet vanuit het klassieke en zijns inziens achterhaalde paradigma van de orthodoxe rooms-katholieke (of ook de reformatorische) traditie. Wat nu opvalt, is dat De Leede een heel eind hierin meegaat. Ook hij voelt ervoor theologisch in te spelen op een nieuw paradigma en hij verbindt dat met het doorgaande werk van de Geest die wegen schrijft in de tijd. Bij zijn aanvaarding van het moderne, evolutionistische paradigma behoort dat hij uitdrukkelijk afstand neemt van de overtuiging dat er een opeenvolging is geweest tussen een staat der rechtheid in het paradijs, een historische zondeval en daarna de huidige, gevallen situatie van mens en wereld. De reformatorische theologie zou vandaag het oude paradigma van een periodisering 'van (een volmaakt goede) schepping - zondeval - heilsgeschiedenis - verzoening in Christus - voleinding, theologisch los moeten laten'.
Kritische vraag
In het nummer van ons blad van 15.02 jongstleden is bij dit punt al de vinger gelegd door dr. ir. J. van der Graaf, die met instemming de kritische vraag citeerde die door dr. W. Verboom tijdens de promotieplechtigheid te Leiden aan collega De Leede werd gesteld. De komst van de pedel verhinderde dr. De Leede toen om antwoord te geven op de vraag waarom deze klassieke benadering 'om bijbels-theologische, om godsdiensthistorische en natuurwetenschappelijke redenen' onhoudbaar zou zijn, zoals op blz. 251 van het proefschrift wordt gesteld. We mogen zeker verwachten dat hij dit antwoord alsnog zal geven. Daarbij hoop ik van harte met Verboom dat De Leede op dit punt terug zal komen. Maar dit zal niet eenvoudig kunnen gebeuren door even een (gedeelte van een) stelling te schrappen. Aan De Leedes keuze om de historiciteit van Adam te laten vallen, is ongetwijfeld een grondige theologische bezinning voorafgegaan. Hij zal niet lichtvaardig tot deze ingrijpende stap zijn gekomen. Des te belangrijker is het dan om zijn lezers uitvoerig deelgenoot te maken van zijn argumenten. Wat mij betreft, ik zie juist doorslaggevende bijbels-theologische redenen om nadrukkelijk vast te houden aan de historiciteit van Adam en daartegenover geen dwingende godsdiensthistorische en natuurwetenschappelijke redenen om dat niet langer te doen. De Heere Jezus spreekt heel duidelijk over hoe het 'in den beginne' is geweest en de apostel Paulus gaat in zijn brieven al evenzeer duidelijk uit van Adam als onze eerste voor-
ouder en representant. Zouden we durven stellen dat hun denken zich binnen achterhaalde paradigma's bewoog? Gaat het hier niet om de blijvende geloofsinhoud in plaats van om een wisselende inkleding van geloofsvoorstellingen? Raken we niet het zicht op de goedheid van God, op de noodzakelijkheid van Christus, op het wonder van de wedergeboorte door de Heilige Geest kwijt, wanneer we niet meer willen weten van 'de val en ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva, in het paradijs' (Zondag 3 H.C.)? Misschien dat hiertegenover wordt ingebracht dat we door zo vasthoudend te zijn onszelf in een isolement manoeuvreren en onverstaanbaar worden voor de moderne mens. Maar dat argument kan nooit doorslaggevend zijn als het erom gaat bijbelse kernen te bewaren. Onnodig vervreemdende elementen moeten we zoveel mogelijk voorkomen en wegnemen, maar de wezenlijke boodschap dienen we frank en vrij over te dragen in de taal van onze tijd. Mijn voornaamste bezwaar bij het boek van De Leede is deze hantering van het begrip 'paradigma', dat in de natuurwetenschappen wellicht goede diensten kan bewijzen, maar dat ten aanzien van de leer des heils misplaatst moet worden geacht. Vanwege deze insteek bij wisselende paradigma's is het De Leede niet goed mogelijk vanuit een direct bijbels-theologische argumentatie de dialoog met Küng te voeren. Dat is toch wel een groot gemis. Natuurlijk moeten we zeer voorzichtig zijn met een beroep op de Bijbel omdat we bij het lezen van de Bijbel altijd onze beperkingen meebrengen. Maar in gepaste bescheidenheid mogen we toch het beroep op bijbelse hoofdlijnen en kernen niet opgeven.
J. HOEK, VEENENDAAL
J. HOEK, VEENENDAAL
* Dr. H. de Leede, Waarachtig mens-zijn: sterven of streven. In gesprek met Hans Küng over de verhouding van christen-zijn en modern mens-zijn, Boekencentrum - Zoetermeer 2001, 288 blz., ƒ 55, -.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's