Bloei en ondergang van de kerk in Noord-Afrika
HET BLOED DER MARTELAREN EN HET ZAAD VAN DE KERK
Het verhaal is overal beschreven. Perpetua, dochter van een aanzienlijk man in Carthago, vond met vier andere christenen op 7 maart van het jaar 203 in de arena van Carthago haar levenseinde, omdat ze krachtig bleef getuigen van Christus te zijn en niet van de keizer. Bij de publieke veroordeling op het marktplein stond een jonge rechtskundige, Tertullianus, die het vermaarde woord sprak Het bloed van de christenen is zaad. Tertullianus zelf was, toen hij zag hoe christenen hun geloof trouw bleven tegen de verdrukking van de keizer van Rome in, op 35-jarige leeftijd tot bekering gekomen. Later schreef hij: 'christenen worden gemaakt, niet geboren'. Tertullianus zou een grote rol gaan spelen in de vroeg-christelijke kerk.
Zaad
Toen ik dezer dagen opnieuw in Noord-Afrika vertoefde, las ik het indrukwekkende Engelstalige boek van Robin Daniël This Holy Seed, dat in 1993 voor het eerst in Engeland verscheen, met als ondertitel 'Geloof, hoop en liefde in De Vroege Kerken van Noord-Afrika'. Daarin beschrijft hij de 'dramatische christelijke groei' in de eerste vier eeuwen van onze jaartelling, gevolgd door een langzame weg van neergang en dood. Wat was het geheim van de groei, wat waren (wellicht) de oorzaken van de neergang?
In het jaar 198 schreef Tertullianus zijn Apologie, een krachtige verdediging van het christelijk geloof, aan de Romeinse gouverneurs. Hij schreef daarin, dat de christenen bepaald geen 'duistere minderheid' vormden: 'We begonnen pas gisteren en toch hebben we iedere plek gevuld, die u toebehoort: steden, eilanden, kastelen, vergaderingen, zelfs uw militaire kamp, de senaat, het forum'. Vijftien jaar later verklaarde hij dat christenen in die regio bijna in de meerderheid waren.
Waar lag het geheim van de groei? Want de christenen leefden toch in een heidense samenleving? Ze zochten een licht te zijn voor de stad, het zout dat smaak aanbracht; ze gingen in liefde om met elkaar, ook met de heidenen. Waarom werden ze dan toch vervolgd? Omdat ze niet aan de publieke offers meededen en niet wilden zweren bij de goddelijke macht van de keizer. Omdat ze ook niet aan de publieke feesten deelnamen, het theater, het circus en de arena niet bezochten. Ze vierden zelf hun twee grote feesten, Pasen en Pinksteren en verder de wekelijkse zondag. 'We maken de zondag tot een werkelijkse feestdag', zei Tertullianus. En op de viering van het avondmaal volgde de agapèviering, als gemeenschapsmaaltijd. En verder: waarheid en eenheid gingen hand in hand.
Als het om de gehoorzaamheid aan Christus ging waren er geen compromissen, ook geen akkoordjes met de overheid. Tertullianus benadrukte dat christenen geen enkel compromis met 'de politiek' zouden sluiten. Daarom hadden de christenen het gedaan als de Tiber of de Nijl overliep, als er geen regen was of een aardbeving of als de pest uitbrak: 'De christenen voor de leeuwen'. En de steeds herhaalde insinuerende vraag was wat de christenen wel uitvoerden bij hun avondmaalsvieringen achter gesloten deuren. Complotten smeden? Het meest stak misschien nog wel, aldus Daniël, de onderlinge liefde, die schrijnend afstak bij die van de heidenen. Daarmee confronteerden ze de samenleving met de sociale misstanden van die dagen. Ze waren het geweten van de samenleving.
Intussen was Tertullianus van oordeel, dat christenkinderen naar heidense scholen moesten gaan. Ze mochten geen analfabeet blijven en moesten hun tijd kennen. En een kind, dat thuis een goede christelijke opvoeding krijgt, zal er veilig zijn. 'Gif dat men krijgt aangereikt, hoeft men nog niet te drinken.' Over geestelijke weerbaarheid gesproken!
De Schriften
Intussen mag men zich in verwondering afvragen of de algemene gesteldheid van een heiden liefde van het toenmalige christendom er óók toe heeft bijgedragen, dat we tot vandaag een gecanoniseerde Heilige Schrift hebben ontvangen. Het Oude Testament kon in die dagen al gelezen worden door diegenen, die de Hebreeuwse taal kenden, terwijl bovendien omstreeks 200 voor Christus al een Griekse vertaling ervan, De Septuagint, tot stand was gekomen. De brieven van de apostelen circuleerden al wel in de gemeenten en Tertullianus maakte al gebruik van de vier Evangeliën. In het midden van de vierde eeuw werden alle boeken (27), die nu het Nieuwe Testament uitmaken, als 'echt en gezaghebbend' ervaren. Maar pas een brief van Athanasius, kerkleider in Alexandrië, geschreven in het jaar 367 werd het begin van de definiëring van de canon van het Nieuwe Testament, dertig jaar later op een kerkvergadering in Carthago.
De vroege christenheid geloofde, dat de geschriften van het Nieuwe Testament op dezelfde wijze waren geïnspireerd als de boeken van Mozes. Daarvoor was geloof nodig. Op deze Schriften werd de heilige leer gebaseerd, bij Tertullianus bijvoorbeeld die van de Drie-eenheid.
Wij, in onze dagen vinden het 'normaal', dat we de Heilige Schrift bezitten als Boek van Gods Openbaring. Kennisname van hoe de canon tot stand kwam doet echter omzien in verwondering. Zou in onze tijd de wereldkerk in staat zijn te komen tot gemeenschappelijke aanvaarding van goddelijke Schriften door mensenhanden geschreven?
Verval
De groei en de bloei van de kerk was 'dramatisch'. Dat was niet minder het geval met het verval, dat uitliep op de dood van de kerk. Teken van verval was, dat in de vierde eeuw stelling moest worden genomen tegen dwaalleer.
Arius ontkende de godheid van Christus en kreeg Athanasius tegenover zich. In de geloofsbelijdenis van Nicea werd de leer van Arius verworpen (325). Aanvankelijk werd het Credo van Nicea ook in Noord-Afrika aanvaard, maar later werd door invloeden vanuit Azië de leer van Arius breed omhelsd. Er is vandaag niets nieuws onder de zon.
De leer van Pelagius, die inhield de vrije wil van de mens, met de ontkenning dat de mens 'in zonde' was ontvangen en geboren vanwege de val van Adam, werd op verschillende kerkvergaderingen verworpen. Pelagius kreeg Augustinus tegenover zich.Maar zo ontstond voor de kerken de noodzaak om belijdend kerk te zijn, waarbij het credo de functie had om de ketterijen te weren en de leer der Schriften op een aantal wezenlijke punten vast te leggen.
Nog één moment moet hier worden genoemd. De kerk werd meer en meer instituut. Onder Cyprianus, wiens leven dertig jaar overlapte met dat van Tertullianus, ging men van 'Katholieke Kerk' spreken. De kerk werd heilsinstituut, met kerkleiders, waarvan de hoogste ten slotte in Rome zetelde. Dat had op den duur onvermijdelijk tot gevolg, zegt de schrijver, dat niet meer het persoonlijk geloof in Christus maar het behoren tot de kerk beslissend werd voor het heil.
En ten slotte: onder keizer Constantijn kwam er de erkenning van het christendom. De vervolgingen waren voorbij. De keizer nodigde zelfs de kerkleiders uit om bij hem te komen dineren. De eerste dag van de week werd ingevoerd als publieke rustdag. Er kwam vrijheid om het geloof te propageren.
Maar intussen bracht de vrijheid, zegt de schrijver, een nieuw type christen, gekenmerkt door 'luie onverschilligheid' met betrekking tot de roeping van Godswege, tot het leven naar de morele standaarden van Christus en tot het ingaan op de noden van de wereld.
Conclusies
Waarom aandacht gegeven aan dit boek, dat al enkele jaren geleden in Engeland verscheen?
Niet alleen omdat het een boeiend historisch overzicht geeft van de eerste eeuwen van het christendom, waarbij alle theologen en leiders voor het voetlicht komen, alsook de worsteling om het verstaan van de Schriften voor leer en leven. Ik noem hier ook de ontwikkeling in visie op de (kinder)doop en op de geestelijke gaven. Maar ook omdat het boek ons in onze tijd een spiegel voorhoudt. Geschiedenis herhaalt zich en wie er niet van leert moet haar opnieuw beleven. Er zijn veel momenten in de geschiedenis, ook ketterijen, die zich herhalen. De kerkgeschiedenis begint niet pas bij de Reformatie. De auteur, die zelf Christus leerde kennen door het getuigenis van de 'Evangelical Christian Union' aan de universiteit en vervolgens tien jaar met de nu verdrukte kerken in Noord-Afrika samenwerkte, geeft aan het slot van zijn boek een voorzichtig antwoord op de vraag waarom de kerk in Noord- Afrika verdween. Hij noemt drie oorzaken. In de eerste plaats raakten de kerken hopeloos verstrengeld met niet christelijke krachten. De christelijke kerk werd bijvoorbeeld gecompromitteerd door een pact met de Romeinse staat. In de tweede plaats ging de onderlinge gemeenschap ontbreken, omdat de kerk steeds meer afhankelijk werd van en bepaald werd door kerkleiders. En ten slotte verloor de kerk haar hoge roeping om Gods liefde uit te zeggen in de wereld. Was de vroegchristelijke kerk een gemeenschap van vaak eenvoudige christenen, die door het persoonlijke werk van de Heilige Geest in hun leven ook weerbare christenen waren, langzaam maar zeker won de nadruk op het institutaire van de kerk het van de gerichtheid op persoonlijke vroomheid door het werk van de Heilige Geest.
Is de teloorgang van de kerk in Noord- Afrika definitief? De schrijver hoopt op en gelooft in een late grote oogst. Want het bloed der martelaren zal ook in de toekomst zaad van de kerk zijn. Wie weet, God mocht Zich wenden. Daarom zijn er ook nu werkers in het Evangelie op harde rotsbodem in Noord-Afrika.
Pelagius
Het boek van Robin Daniël is een vertaling in het Nederlands waard. Om in onze multiculturele samenleving en multreligieuze cultuur gescherpt te blijven en om moed en hoop te blijven houden in een wegzinkende vanouds christelijke culuur.
Daarbij noem ik nog een specifiek element. Het boek bevat twee aanhangsels. Allereerst de geloofsbelijdenis van Nicea vanwege de telkens in de geschiedenis opduikende ketterij van Arius met betrekkig tot de godheid van Christus. In de tweede plaats een aanhangsel over 'Voorkennis en vrije wil'. De auteur geeft daarbij aan dat het merendeel van de evangelicale christenen in de wereld een semi-pelagiaanse positie innemen, dus tussen Pelagius en Augustinus in, waarbij het ging om het besluit Gods tot zaligheid voor sommigen of de aanbieding van het heil aan allen. Aan het eind van de evangelikale verklaring merkt de schrijver op dat voor een gesprek over deze materie geraadpleegd zouden moeten worden 'Gods strategie in de geschiedenis van de mensheid' van Forster en Marston (1973) inzake het semi-pelagiaanse standpunt en de 'Souvereiniteit van God' van Pink (Banner of Truth Trust, 1928) met betrekking tot de positie van Augustinus en Calvijn. Ook Rome beroept zich op Augustinus. Hoe zit dat dan?
De dwaling van Arius wordt vandaag onder bijbelgetrouwe christenen in het algemeen resoluut verworpen. Met de leer van Pelagius ligt dat anders. Men moet niet uitsluiten dat die leer (in allerlei tussenvormen) niet alleen bij evangelikalen maar ook bij velen in de traditie van de Reformatie wordt aangehangen. Zijn de posities hierin nog dezelfde als in de vroegchristelijke kerk? Wat zijn de consequenties van de leer-positie in deze voor de zendings- en evangelisatiedrift? De theologische bezinning hierop zal naar mijn oordeel bijbelse actualisering en contextualisering moeten hebben en niet moeten blijven steken in alleen de verwerping van 'Pelagius'. Het boek van Roberts geeft voor die bezinning een sterke aanzet.
v .d. G.
N.a.v. Robin Daniël, This Holy Seed, Uitgave Tamarisk, Harpenden, Engeland, 490 pag.
Dit artikel werd eerder geplaatst in het Reformatorisch Dagblad d.d. 22 maart ll.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's