De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

H. M. Kuitert,
Over religie - Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars.
Uitgave Ten Have, 314 blz., ƒ 44,90.
Een boek van Kuitert lezen is zoiets als gehersenspoeld worden. Ik bedoel daar twee dingen mee. Zijn heldere stijl en vaak meeslepende betoogtrant hebben een prikkelende werking op de inhoud van je 'bovenkamer'. Ook al verzet zich tegelijk diezelfde inhoud tegen uitspraken en stellingen die je leest, het verliest zijn uitwerking intussen niet. En in de tweede plaats: het voelt aan als een hersenspoeling, je voelt de innerlijke druk om je overtuiging in te ruilen voor het nieuwe inzicht dat geboden wordt. Dat nieuwe inzicht wordt gebracht op een manier dat je begint te denken: hoe kan ik me nog langer met zoveel achterlijkheid en achterhaalde standpunten blijven inlaten. Zoals Kuitert bijvoorbeeld in een van de laatste hoofdstukken 'Aan de oudgedienden' schrijft en daarmee zich richt tot het behoudende deel van de christenheid: toch wel erg uit de hoogte al zal hij dat wellicht niet zo bedoeld hebben. Wie zichzelf daarin aangesproken weet, krijgt toch wel het beschamende gevoel zich nog altijd met 'gebakken lucht' bezig te houden.
De centrale vraag die Kuitert zich stelt, luidt: waarom doen mensen het nog steeds, vandaag soms zelfs fanatieker dan ooit tevoren, namelijk zich bezighouden met religie? Hij richt zich tot de groep die hij de 'liefhebbers' noemt. De mensen die religie weer ontdekt hebben als een verborgen schat die ergens te vinden moet zijn. Liefhebbers zijn ook zij die erbij opgevoed werden, maar intussen hebben afgehaakt omdat ze er op uitgekeken raakten. Vooraf meldt hij tegelijk waar hij mee afrekent. De voorstelling van God als persoon die op zichzelf bestaat en inzetbaar is op wens of gebed, kan niet meer. Theologisch gezegd: Kuitert Iaat het theïstisch Godsbegrip vallen. Dat heeft ook alles te maken met een voor honderd procent voor zijn rekening nemen van de evolutie. In die gedachtegang past geen persoonlijk God meer. God is veel meer een uitleg van iets anders: het je als mens aangesproken voelen door de behoeftige, in nood verkerende medemens. Religie is dat je vervolgens invult door Wat of door Wie je wordt aangesproken.JIe kunt het bidden daarom gerust voortaan achterwege laten want er is geen persoon buiten ons die ons hoort, laat staan dat hij daadwerkelijk zou ingrijpen op ons verzoek. We hebben alleen te maken met de werkelijkheid waarin wij leven en daarin horen we het appèl van medemensen die ons nodig hebben. Daar gehoor aan geven, aan die Stem die van buiten op ons toekomt, dat is religie die de toets van (Kuiterts) kritiek kan doorstaan. De uitdrukking 'God' is een manier van uitleg van wat hij hiermee bedoelt: je aangesproken voelen door een Macht via je behoeftige medemens.
Opmerkelijk is deze radicale wending in Kuiterts denken wel. Tot in zijn laatste publicaties was er altijd nog de God van wie hij met een oude psalmregel graag mocht zeggen: wie Hem aanroept in de nood vindt Zijn gunst oneindig groot. In zijn veelbesproken 'Het algemeen betwijfeld christelijk geloof' (1992) wijdt hij nog een heel hoofdstuk aan de communicatie met een persoonlijke God. Nu laat Kuitert deze gedachte geheel vallen. Hij vindt het onaannemelijk dat in een onmetelijk heelal een persoonlijke God zich met onze wereld en dan ook nog eens met ieder mens persoonlijk bemoeit. In een apart hoofdstuk (Herkomst en lotgevallen van het G-Woord) zet hij uiteen hoe het eigenlijk zit met de naam van God. Hoe zijn christenen ertoe gekomen in een persoonlijk God te geloven. Het antwoord was (en is): we belijden dat op grond van openbaring die we in de Bijbel hebben gekregen. Kuitert heeft daar allang mee afgerekend. Wat we in de Bijbel vinden is niet veel meer dan een zoekontwerp en ons godsbeeld is onderdeel van dat christelijk zoekontwerp. Trouwens, God is van oorsprong geen eigennaam maar een soortnaam net zoals mens dat ook is. Israël benoemde Jahweh tot haar God. Christenen zijn later in dat spoor ertoe gekomen hun God te zien als een soort 'uitvergroot mens'. Samenvattend zegt Kuitert: het is ouderwets, niet passend over een persoonachtig God te spreken. Ik noemde al het alternatief dat Kuitert biedt: de mens weet zich van buiten aangesproken, er komt een roep, een spraak op hem af met een zekere overmacht. Hij ervaart dat als een Macht waaraan hij zich gewonnen geeft. Ik herinner me uit de zestiger jaren (studententijd) de rel rond 'Honest to God' van de anglicaanse bisschop John Robinson die een soortgelijke stelling verdedigde: er is geen God meer boven en buiten ons. God kom je tegen in je naaste en zo in jezelf. Bidden is zorg hebben voor je naaste.
Kuiterts studie is een radicaal boek: het rekent grondig af met alle beelden en voorstellingen aangaande God en Jezus. 'Wat ik heb neergeschreven is de zeef van een levenslange ervaring gepasseerd', schrijft hij in het Woord vooraf. Opgevoed als gereformeerd jongetje met een tas vol voorstellingen. Door de jaren raakte de tas helemaal leeg. Niets meer overgehouden dan? Jawel, aldus Kuitert. Geloven althans in christelijke zin is wat anders dan er een aantal merkwaardige voorstellingen op na houden over God, Jezus, hiernamaals, enz. Niet dat ze geen rol spelen in het geloof. Maar ze kunnen niet vervangen waar het in het echte geloof werkelijk op aankomt: geloven als betoon van geest en kracht.
Kritiek op Kuitert valt er uiteraard te leveren. Gezegd is dat hij zich keert tegen een naïef rationalistisch geloof in een systeem van waarheden waarvoor de Bijbel, die dan wel onhistorisch wordt gelezen, de bewijsplaatsen moet leveren (E. P. Meijering). Maar Kuitert bestrijdt het rationalisme van de oude dogmatiek op een rationalistische manier. Maar zo kom je in wezen niet veel verder dan in een 'welles-nietes-sfeer'. Hij wil de oude beelden ruilen voor een in je gevoel aangesproken weten. Maar waar is het bewijs dat dat dan wel God zou zijn? Principieel blijft de vraag staan: Is er Iemand (God?) Die naar óns toekomt of zijn wij het die een 'god' creëren vanuit eigen behoefte aan bijvoorbeeld geborgenheid, leedverklaring, etc.?
Wat is tóch de les van het lezen en herlezen van dit boeiend geschreven boek, althans voor mezelf? Dat wij in verleden en heden soms wel al te makkelijk hebben willen laten geloven dat God aan ónze kant staat. Ons belijden is toch altijd geweest: God Gód laten zijn en laten blijven. Hebben wij toch niet soms te vlot gesuggereerd in onze gesprekken en preken over geloof en God dat wij het exact weten hoe het allemaal met Hem zit en is? Een vorm van metafysica waarvan Kuitert zegt dat het is alsof wij bij God op tafel kunnen kijken. De kleine mens die met zijn rede kan opklimmen tot de eeuwige, onzienlijke God en uitspraken over Hem doen. Hier manifesteert zich intussen een kloof tussen Kuitert en de 'oudgedienden': de laatsten blijven bij de Heilige Schrift als Gods onfeilbaar Woord. Voor Kuitert allang achterhaald, voor ons nog altijd laatste criterium.

J. MAASLAND

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's