Globaal bekeken
Een lezer vond in familiestukken op een stoffige zolder een lang gedicht uit 1895 in verband met de veepest van 1865 en volgende jaren, bevattende een gesprek tussen een boer met zijn koe. Het is hier en daar kreupelrijm. Het is ook veel te lang om in het geheel op te nemen. Vanwege de actualiteit volgt hier een klein gedeelte, ontdaan van taalkundige fouten, met handhaving van de spelling in die tijd.
Boer:
Waartoe mijn reden strekt
Deel ik U heden mêe
Een landman had gesprek
Met zijn besmette vee
Wat deze zaak betreft
Het is een vreemd geval
Doch zoo gij het beseft
Toch weI begrijpen zal
Het vee heeft geenen stem
Te melden zijnen geest
De landman spreekt voor hem
En ik spreek voor het beest
De landman heeft zijn stal
Met droevig oog aanschouwd
Daar hij door ongeval
zoo weinig vee behoudt
Hij slaat zijn oogen rond
Bemerkt het wonder ras
Het beest waarbij hij stond
Was hevig aangetast
Wat klaagt gij stomme beest
Hoe staat gij zonder lust
En zoo bedroefd van geest
En nergens van bewust!
Gewis is ook het kwaad
De pest tot U gekomen
Terwijl gij daar zoo staat
VAN ALLEN LUST BENOOMEN
Zult gij ook, stomme dier
Alhier den adem geven.
Gelijk zoo velen hier
Beroofd zijn van het leven?
Ik moet dit ongeval
Met droefenis aanschouwen
Dat men toch overal
Zijn vee niet kan behouden
Koe:
Ja, land! 't Valt wel hard
Wij zijn den mensch tot nut
Wij lijden grooten smart
En dalen in de put.
Ja landman 't is beslist
Ik voel het aan mjjn leven
En zal, dat is gewis
Uw veld niet meer betreden
Ja droevig ongeval
Wij worden weggetogen
Maar droevig bovenal
De mensch blijft onbewogen!
De mensch wil niet verstaan
De oorzaak onzer smart
Hij trekt zich dat niet aan
Het gaat hen niet aan 't hart
Boer:
Wel beest wat zegt gij daar?
Wat zegt gij ongezouten (niet goed leesbaar, red.)
Ik dacht dat gij voorwaar
Des menschenhart niet kende
Gij zegt onnoozel dier
Het gaat ons niet aan 't hart
En krant en nieuwspapier
Vermelden ons uw smart
Ziet wat men heden doet
Als ik mijn huis verlaat
Elk mensch die mij ontmoet
Vraagt mij naar uwe staat
Ja welken klagen nood
De koop en ambachtsman
Zoo dat hij uwen dood
Zeer goed bemerken kan
Want zoo gij ons verlaat
Gij zijt ons kostbaar pand
De grond van onze staat
De welvaart van ons land
(...)
Koe
God neemt mijn adem weg
wie wijs is merkt die dingen.
En geeft verstandig acht
op 's Heeren handelingen.
Zoo vol van Geest en macht.
V.d.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's