Het lijden van Christus in het licht van Zondag 15
In dit artikel wil ik aandacht vragen voor Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus. En dan met name voor vraag en antwoord 37. De vraag luidt: wat verstaat gij door het woordeken 'geleden'?
Bijgaand artikel werd ons door ds. A. Prosman te Zoetermeer aangeboden voor het paasnummer, dat vorige week verscheen. Aangezien de artikelen van dat nummer al waren geregeld, was er in dat nummer geen ruimte meer voor het artikel. Daarom plaatsen we het nu.
Zondag 15 is niet de meest spraakmakende zondag van de catechismus. De bewoordingen zijn niet zodanig dat we denken: hier worden spannende dingen gezegd. In algemene en zelfs abstracte termen wordt over het lijden van Christus gesproken. Er wordt namelijk gezegd dat Christus naar lichaam en ziel de ganse tijd van Zijn leven op de aarde de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft. Als we dat horen spitsen we niet meteen de oren. Maar bij nauwkeuriger lezing wordt dat anders. Zo verging het mij. Er vallen in antwoord 37 bepaalde beslissingen, die voor een belangrijk deel bepalen hoe wij tegen het lijden van Christus aankijken. Zondag 15 getuigt van een bepaalde blikrichting waarin de catechismus niet alleen staat; ook in andere belijdenisgeschriften komen we deze blikrichting tegen.
...de ganse tijd van Zijn leven op aarde...
Het eerste wat opvalt is dat van Christus gezegd wordt dat Hij aan lichaam en ziel 'de ganse tijd van Zijn leven op aarde' geleden heeft. Kuyper wil deze zinsnede van de catechismus graag onderstrepen, maar stelt dat Jezus lijden gedurende Zijn leven dikwijls te uitwendig verklaard is. Hij haalt aan wat hierbij gewoonlijk te berde wordt gebracht: het liggen in de kribbe, de kindermoord te Bethlehem, de besnijdenis, dat Hij honger had en dorst. Maar die uitleg bevredigt Kuyper niet. 'Wat toch merkt een pasgeboren wicht er van, of het in een kribbe ligt of in een wieg? Wat heeft een kindeke er voor wetenschap van, of zijn leven bedreigd wordt? Een enkele maal dorst te hebben rekent dit onder zoo bitter lijden mee?'... Leg dan het leven van Paulus, den heiligen apostel, (er)naast, en vraag u af, of Paulus' eigen opsomming van zijn velerlei wederwaardigheden en doodsangsten in macht en aantal van doorgestane smarten niet zeer verre het perk van Jezus' lijden overtreft'? , E Voto, I, 401, 402.
Kuyper wijst er op dat Christus' lijden niet zo nu en dan een lijden was, maar een blijvende toestand. Hij droeg een gestalte die niet bij Hem hoorde. Hoewel Kuyper deze tekst niet aanhaalt moeten we bij dit punt van de catechismus denken aan Filippenzen 2, waar staat dat Christus, die aan God gelijk was, Zich vernederd heeft en gehoorzaam is geweest tot in de dood. Hij heeft een leven aanvaard dat onderworpen was aan de macht van de dood. Dat is Zijn vernedering geweest en daarom heeft Hij gedurende Zijn hele leven geleden en niet alleen aan het einde van Zijn leven op aarde.
Christus' lijden en onze verantwoordelijkheid
In Zondag 15 wordt het volle accent gelegd op de toorn van God, die Christus gedurende de ganse tijd van Zijn leven, maar inzonderheid aan het einde van Zijn leven, gedragen heeft. Christus droeg Gods toorn. Niet zonder reden. Want Hij droeg de zonde van het ganse menselijke geslacht. Gods toorn is Zijn reactie op de zonden der mensen. Dat maakte Christus' lijden ondraaglijk zwaar. Hij had niet slechts van doen met ontrouwe en wrede mensen, Hij had met God van doen. Dat accent van de catechismus kan niet gemist worden. Anders missen we een heel wezenlijk aspect van Zijn lijden. Maar de vraag is of de mens en zijn verantwoordelijkheid voor het lijden van Christus hier onderbelicht worden. Als in Zondag 15 daar meer aandacht voor zou zijn geweest, was dan het schuldaspect niet beter uit de verf gekomen? Komt de mens er in Zondag 15 niet te gemakkelijk van af?
Valt in de evangeliën niet vooral de nadruk op wat mensen gedaan hebben met de Zoon van God? Wordt daar niet juist dat accent gelegd? Zij hebben Hem verworpen, zij hebben Hem bespot, zij hebben Hem gegeseld en de doornenkroon op het hoofd gedrukt. Zij riepen in koor: kruis Hem.
Ervoer Christus de toorn van God? In Gethsemane was Hij beangst. Niet angstig voor de Vader, maar angstig voor de dood en voor de hel. Banden des doods hadden Hem omvangen en angsten der hel deden Hem alle troost missen. Hij zocht steun en troost en hulp bij de Vader. Hij boog... Hij boog niet onder de toorn van de Vader, maar boog onder de wil van de Vader.
Denk verder aan Johannes 17: het hogepriesterlijke gebed. Een gebed uitgesproken vlak voor de gevangenneming. Als er één gebed is waarin sprake is van vertrouwelijke omgang met God dan is het wel dit gebed. Ontroerend is dat Christus belijdt dat de Vader Hem liefgehad heeft voor de grondlegging der wereld (vers 24). Hij verlangt ernaar om tot de Vader te gaan. Het klinkt als een refrein: Ik kom tot U (vers 11 en 13). Hij bidt om verheerlijkt te worden met de heerlijkheid die Hij bij de Vader had eer de wereld was (vers 5).
Golgotha: het failliet van de mens
Christus droeg de toorn van God. Ik kom daar straks op terug. Maar zoveel is wel duidelijk dat door de woordkeuze van de catechismus de mens met zijn schuld niet echt in beeld komt. De mens komt er te gemakkelijk van af. De catechismus spreekt te algemeen over de zonde van het ganse menselijke geslacht. Het gaat om wat gebeurd is op Golgotha: de duistere aanslag op God. Hier bevindt zich het dieptepunt van de geschiedenis. Als ergens de opstand tegen God en Zijn Gezalfde (Psalm 2) tot uiting is gebracht dan wel hier. Hier valt het masker. Hier blijkt wat in de mens is. Hier staren we in een afgrond. Wie spreekt over de val van de mens moet vooral spreken over Golgotha.
Tegelijk wil ik ook wijzen op de positieve kant van antwoord 37. Want door het zo te formuleren zoals de catechismus doet, voorkomt de catechismus dat de verantwoordelijkheid bij de joden wordt gelegd. Te prijzen is de voorzichtigheid van de opstellers van de catechismus. Het is er verre vandaan dat de joden beschuldigd worden van Godsmoord. Door te spreken van de zonde van het ganse menselijke geslacht wordt de verantwoordelijkheid bij alle mensen van alle tijden gelegd. De keerzijde is wel dat er nu in bijna abstracte woorden over zonde en schuld wordt gesproken. Dat is jammer. Juist Golgotha is onthullend, het is het failliet van de mens en van zijn beschaving en van zijn serieuze religieuze inspanningen.
Christus droeg Gods toorn, maar vooral de zonde Christus droeg de toorn van God, maar waarom? Het antwoord is: wegens de zonde. Zonde heeft allerlei betekenisaspecten. Maar de voornaamste betekenis is die van opstand tegen God. Juist daarom vertoornt God zich over de zonde, omdat zonde opstand tegen Hem is. Denk aan Psalm twee. Zonde is rebellie. Wie dat bedenkt gaat zich buitengewoon verwonderen over het lijden van Christus. Wat heeft het te betekenen dat Hij de zonde gedragen heeft? Het betekent dat Hij de menselijke opstand tegen God gedragen heeft. Dat is de meest erge kwelling die Hij doorstaan heeft. Hij, die niets anders wilde dan de wil van de Vader doen, voor wie de wil van Zijn Vader eten en drinken was (Joh. 4: 34), Hij wilde de zonde als opstand tegen de Vader dragen. Om die reden is de zonde als een vuur dwars door Hem heen gebrand.
Het lijden is dus niet alleen de toorn van God tegen Hem geweest. Dat was een gevolg van dat andere lijden en misschien nog wel grotere en zwaardere lijden: de opstand tegen de Vader. En de reactie daarop was dan de toorn van God. Dat kwam er ook nog bij. De catechismus vat in heel korte en compacte bewoordingen samen wat veel meer woorden vergt en veel meer uitleg. Door meteen te spreken over de toorn van God worden andere aspecten onderbelicht.
Wie leed: een persoon of een natuur?
Het derde aandachtspunt betreft de vraag: wie heeft geleden? Het antwoord lijkt vanzelfsprekend. Niemand anders dan Jezus Christus. En toch is dit een heel gevoelig punt en luistert het heel nauw welk antwoord hier gegeven wordt. Als geantwoord wordt: Jezus Christus heeft geleden en is gekruisigd, gestorven en begraven dan kan vervolgens gevraagd worden: heeft Hij als mens geleden of ook als God? Want Hij is waarachtig God en waarachtig mens. Hoe verhouden zich de twee naturen tot Zijn lijden en sterven? De catechismus gaat hier verder niet op in. Toch laat het antwoord zich niet moeilijk raden. In antwoord 37 staat dat Hij aan lichaam en ziel geleden heeft. Daarmee wordt Zijn menselijke natuur aangeduid. Over de goddelijke natuur zwijgt de catechismus. (Hoewel het wel opvallend is dat antwoord 40 spreekt van de dood van de Zoon van God; dat accentueert toch weer het God-zijn van Christus.) Ursinus stelt in het Schatboek: 'De Godlijcke nature en can niet lijden noch sterve: want hij is eewich, aller eenvoudichst, ende het leven selve, welcke niet sterven en can', fol. 146. Als men (in Zondag 15) zegt dat Christus geleden heeft, dan wordt dat verstaan van de menselijke natuur die kon lijden en naar welke natuur Hij ook gestorven is. Naar Zijn godheid heeft Hij niet kunnen lijden noch sterven want het lijden is een verandering, 'welcke in God niet en can wesen'. De godheid heeft de mensheid ondersteund in het lijden.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt ook over de verhouding van de beide naturen in het lijden. In artikel 19 wordt uitgesproken, dat 'deze twee naturen zó in één Persoon verenigd (zijn), dat zij zelfs door Zijn dood niet gescheiden worden'. En even verder: '(...) intussen bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, ook toen Hij in het graf lag'. Beide naturen zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden gebleven. Maar houdt dit ook in dat Christus naar Zijn goddelijke natuur geleden heeft?
De catechismus van Genève
Calvijn gaat in de Catechismus van Genève, afdeling 10, hierop in. Naar aanleiding van de godverlatenheid aan het kruis stelt hij de vraag: hoe kon Hij in zulk een vrees verkeren alsof Hij door God verlaten was, terwijl Hij zelf God is? Het antwoord luidt: 'Men moet dit zo begrijpen, dat Hij naar Zijn menselijke natuur in deze uiterste nood is geweest en dat Zijn goddelijke natuur zich voor een tijd als verborgen heeft gehouden, dat wil zeggen, haar kracht niet toonde' (De belijdenisgeschriften van de Nederlandse Hervormde Kerk, tweede herziene uitgave, 176).
Het is duidelijk dat hier moeilijke vragen liggen. Daarom slechts enkele opmerkingen: het gevaar is aanwezig dat de naturen van Christus (ondanks wat er staat in art. 19 van de NGB) uitéén gehaald worden. Namelijk zó, dat de menselijke natuur naar voren komt bij het lijden en sterven van Christus en dat de goddelijke natuur naar voren komt bij Zijn opstanding. Mogen op die manier de twee naturen verdeeld worden over de verschillende daden van verlossing? Brengt dat niet de eenheid van Christus' persoon en werk in gevaar? Geen natuur, ook geen menselijke natuur, heeft geleden en geen menselijke natuur is gestorven, maar Jezus Christus; en geen goddelijke natuur is opgestaan, maar Jezus Christus, Gods Zoon.
Er zijn genoeg uitspraken van Calvijn aan te halen waarin hij de eenheid van de persoon van Christus - en dus ook de eenheid van beide naturen - ten volle benadrukt. Tegelijkertijd wordt de goddelijke natuur buiten het lijden gehouden. De goddelijke natuur wordt dan even 'geparkeerd'. Als het gaat over de vraag hoe het verstaan moeten worden dat Christus toenam in kennis (Luc. 2 : 40) wordt gezegd dat de goddelijke natuur zich als het ware verborgen heeft gehouden. En als het gaat over het feit dat Christus sliep tijdens de storm op het meer (Matth. 8 : 24), wordt gezegd dat de goddelijke natuur intussen waakte. Maar doet dat niet tekort aan het lijden van Christus? De goddelijke natuur werd vernederd, steeds weer opnieuw (Filipp. 2). Als gezegd wordt dat de goddelijke natuur zich verborgen houdt dan kan dat opgevat worden als een vorm van een (tijdelijke) absentie van de goddelijke natuur. En als gezegd wordt dat de goddelijke natuur waakte, dan had die natuur dus geen deel aan de vernedering. Maar is dat nu juist niet het beslissende punt? Het gaat om de vernedering van Gods Zoon, waarachtig God en mens. Dat is vooral aan de orde bij het lijden in Gethsemane en aan het kruis. God staat niet buiten het lijden. Door Calvijn wordt de goddelijke natuur en dus God zelf in feite buiten het lijden gehouden. God is niet de lijdende God of de gekruisigde God. God staat buiten het lijden omdat Hij buiten de zonde staat. God voltrekt het gericht over de zondaar. Gods heiligheid is in het geding. Dat zijn belangrijke noties. Maar het lijkt me toch ontzettend belangrijk dat eraan vastgehouden wordt dat enerzijds God het gericht voltrok én tegelijk daardoor getroffen werd. God moet God blijven. Maar ten diepste is Hij God door op de laagste plaats te gaan staan. God torst de last der wereld. Graag geef ik door wat Koopmans schrijft bij zijn uitleg van art. 19 van de NGB: 'de godheid van Christus is meer dan alleen maar een 'natuur', namelijk ook persoon (...); het persoonvormende, het subject, het 'ik' van dezen mensch is de eeuwige Zoon van God', 96. 'Ook in het lijden van Christus naar Zijn menschheid is de Godheid het subject, die dit werk op zich nam. Het is Zijn goddelijk werk, dat Hij als mensch volbrengt', 97.
De spanning wordt eruit gehaald als juist op het moment dat het erop aankomt, als de definitieve doorbraak van Gods openbaring plaatsvindt, gezegd wordt, dat Christus slechts leed naar Zijn menselijke natuur en dat de goddelijke natuur Hem daarbij ondersteunde. Dat is beslist te weinig. Deed God niet meer? In Jezus Christus kwam Hijzelf. Hij droeg de zonde, Hij boog in het stof. Dat is toch het evangelie? Soli Deo Gloria.
A. PROSMAN, ZOETERMEER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's