De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wulfert Floors visie op tegenslagen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wulfert Floors visie op tegenslagen

10 minuten leestijd

Donkere wolken pakken zich samen boven Nederland. De economische welvaart lijkt af te nemen en ons land zit in de greep van de veeziekten. Duizenden gezonde en zieke dieren worden afgemaakt. En zal het hier bij blijven! Wij leven in een bange, angstige tijd.

1865-1868

Wulfert Floor weet wat het is om in zo'n angstige en bange tijd te leven. De jaren 1865 tot en met 1868 waren voor hem, zijn familie en volksgenoten zeer moeilijke en onzekere jaren. In september 1865 greep de veepest om zich heen. In maart 1867 noteerde Wulfert Floor in zijn notitieboek, dat er ten gevolge van deze ziekte al 40.487 koeien afgemaakt waren. Het aantal gedode schapen, geiten en varkens is daar nog niet eens bij inbegrepen.

Het kon niet op in zijn tijd. Terwijl de veepest bijna zijn hoogte punt bereikt had, kwam daar ook nog bij de ziekte onder de mensen. De besmettelijke cholera ziekte deed begin 1866 zijn trede. In de maand juli van het jaar 1866 vermeldt Wulfert Floor, dat er in de stad Utrecht 1307 mensen aan gestorven zijn. In Driebergen verloor een smid in 21 uur drie van zijn volwassen dochters aan deze ziekte. Na ruim een halfjaar waren er in Nederland aan deze verwoestende ziekte 1642 mensen gestorven.

Terwijl de veepest en cholera in Holland om zich heen greep, werden er buiten onze grenzen bloedige oorlogen gevoerd. In zijn notitieboek geeft Wulfert Floor het volgende krantenverslag weer over een Oostenrijkse veldslag. 'Hoewel den geheelen dag 25 junij besteed is, met het wegbrengen der gekwetste en met begraven der dooden, liggend toch nog overal stapels lijken, en er zijn punten waar men letterlijk tot aan de enkels toe door het bloed baad. Geweeren, ransels, schakoo's en veldvlesschen, liggen nevens omgeworpen wagens en doode paarden, bij hoopen door malkander. De grond is zoodanig door de kogels doorwoelt, dat hij er uit ziet als omgeploegd.' Bij deze veldslag in Oostenrijk verloren 40.000 mensen het leven. In juni 1867 is de epidemie van de veepest en cholera drastisch aan het afnemen en in Oostenrijk is het gekletter van wapens voorbij. Nu komen de mensen weer tot leven. Zij beginnen hun vertier weer te zoeken in feesten en kermissen. Dan vraagt Wulfert Floor zich af: 'wat zal er nu weer komen? '

Wat nu nog?

Op die vraag hoeft hij niet lang te wachten. In juni 1867 wordt ons land getroffen met een verschrikkelijk droogte, die gepaard gaat met extreme hoge temperaturen. De hitte was zo in- ondraaglijk, dat men zowel overdag als 's nachts niet wist waar men blijven moest. Zelfs kwam het voor, dat mensen die gezond van huis gingen op straat door de hitte bevangen raakte en er aan stierven. Voor het grazende vee was er bijna geen drinkwater. Het koren stond te verbranden op de akkers. Doordat het zo droog was zijn hele stukken bos, boerderijen en woningen door de vlammen verteerd.

Deze droogte was niet van tijdelijke aard. Zeker het zal in die winter best wel eens geregend hebben. Maar in de lente van 1868 zet deze droogte zich onverminderd voort. Dan kan Wulfert Floor het niet nalaten om op deze situatie in te gaan tijdens een oefening. Als tekst heeft hij voor deze oefening gekozen Jeremia 3:3, waar staat: Daarom zijn de regendroppelen ingehouden en er is geen spade regen geweest. Maar ge hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.

Straf?

Nu begint Wulfert Floor zijn oefening niet met de woorden, dat dit de straffende hand van God is, of dat God met zijn oordelen ons bezoekt. Nee, hij plaatst de rampen van zijn tijd in het licht van de voorzienigheid Gods. Zijn eerste woorden in zijn voorafspraak zijn: 'Er geschiedt niets bij geval. Geen haar valt van ons hoofd, en geen musch valt op de aarde zonder den wil van den hemelschen Vader'. En vandaar maakt hij de link naar Zondag 10 van de Heidelberger Catechismus, waarin gezegd wordt, dat 'de almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welk Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoud en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jare spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand tot ons komen.

In dat kader plaats hij de droogte en ziekten onder mens en dier. Na de voorafspraak begint hij met de uitleg van de tekst. In zijn oefening over Jeremia 3 gaat hij uit van twee punten, namelijk: 1. 'Gods oordeel over Israël ten tijde van den profeet Jeremia. 2. Israëls verharden toestand onder het oordeel Gods.' Vanuit deze punten lijkt het nu, dat Wulfert Floor de tegenslagen van zijn tijd ziet als oordelen Gods. Als een straf Gods. Maar dat is niet geheel waar. Natuurlijk, de tegenslagen in zijn tijd waren een gevolg van de zonden van het volk. Dat benadrukt hij zeer sterk. Maar daar tegenover staat de liefde Gods. Dat er niets plaats vindt buiten Gods wil om. Dat God liefde is en niet onze verlorenheid op het oog heeft, maar ons behoud.

Letterlijk

En daar het zeer moeilijk is om op dit punt Wulfert Floors gedachten goed onder woorden te brengen, laat ik hem nu zelf aan het woord. Hoor hem daar spreken in de hete zomer van 1868:

'Maar nu, waarom had de Heere de regendroppelen ingehouden? Daarom, zegt Hij in onze tekst, en dan kunnen wij de duidelijke reden van dat daarom vinden, als wij maar letten op het vers dat onmiddellijk onze tekst voorafgaat, waar de Heere zegt dat het inhouden van de regendroppelen was geschied om hunne hoererijen, en omdat ze het land hadden ontheiligd met hunnen boosheid. Israëls nationale zonde, was dus de oorzaak van Israëls nationale bezoeking en van de straffen door de hand des Heeren. Hoe kon het ook anders, van een God die enkel liefde is (1 Joh. 4 : 8), en wiens goedertierenheid allen morgen nieuw is, (Klaagl. 3 : 22 en 23). De Heere was dus door de zonde van het volk genoodzaakt om Zijne roede te vertoonen en Zijne slaande hand over Israël op te heffen.

Ziet dan hier de ware oorzaak van alle straffen en plagen die op aarde kunnen worden opgemerkt; van alle oorlogen, hongersnooden, pestilentiën en andere volksrampen. Ziet hier in het bijzonder, de ware oorzaak van de ziekte onder de menschen, voor twee jaren, waaraan in korten tijd in ons kleine Nederland, zestien duizend zeven honderd en twee en vijftig arme zielen naar de eeuwigheid zijn weggerukt. De ware oorzaak ook van de pest onder het rundvee in het verleden jaar, daar wij zes en zeventig duizend en ruim honderd runderen aan verloren, die God ons ontnam, omdat wij het land hadden verontreinigd met onze boosheid; behalve die bijna negen en twintig duizend, die door de overheid zo moorddadig zijn omgebragt. En wat zullen wij nu zeggen van de zoo buitengewone hitte en ongekend droogte van dezen zomer, die zulk een naar gebrek onder het vee veroorzaakte, en die buiten twijfel groote duurte van levensmiddelen voor den mensch tot gevolge hebben? Is dat ook niet een vrucht van de boosheid, waarmee het land door overheid en onderdaan wordt ontheiligd? Zeker ja, mijne vrienden! En daarvoor behoeven wij de bewijzen niet ver te zoeken.'

Als bewijzen daarvoor voert Wulfert Floor aan: - het ontheiligen van de zondag; - het lasteren van Gods naam; - het verdraaien van Gods Woord; - het verloochenen van Gods Zoon; - het bespotten van Gods volk.

De kerk

En daar voegt hij dan ook nog aan toe de verscheurdheid en de wanorde van Gods Kerk. Dat er weinig liefde onder de kerkmensen is. Dat het een dorre, dode boel in de kerk is. In de kerk is 'weinig vreugde, omdat er weinig vrucht is, er is weinig troost, omdat er weinig gebed is. Des Heeren volk heeft zijn eerste liefde verlaten, is al te zeer in kleederpracht en huisraad aan de wereld gelijkvormig geworden, en verkeert in 't algemeen in een zeer kwijnenden staat. En is dat dan niet als oud Israël, het land verontreinigd door de boosheid? En nu, daarom kwamen de cholera, de veepest, en daarom heeft de Heere thans de regendroppelen ingehouden, en ons arm vee doen zuchten en ons doen vreezen voor de droevige gevolgen van deze zoo ongekende droogte. God is liefde, en het zijn maar onze zonden die Hem noodzaken om de roede over ons land en volk op te heffen.'

Gebed

Wulfert Floor eindigt zijn oefening niet in een treurzang. In een ach en wee geroep. Nee hij roept zijn volk op om te bidden.

'Bidt voor de algemeene belangen des vaderlands, en ook om regen en zegen over het dorstige aardrijk. Maar bidt vooral om een geestelijken regen; om een regen des Heiligen Geestes. Dat het mogt gaan door gansch Nederland en over de geheele aarde, zoals de Dichter zegt: Gij zult zeer milden regen doen druipen, o God! (Ps. 68 : 10). Dat over ons uitgestort mogt worden de Geest uit de hoogte, opdat de woestijn tot een vruchtbaar veld mogt worden (Jez 32 : 15), en dat de Geest tot ons mogt komen als een regen, als de spade regen en de vroeg regen des lands, (Hoz. 6:3)-'

Dat er niets bij geval geschiedt, blijkt wel uit Wulfert Floors oude jaarsoefening van dat zelfde jaar. Toen oefende hij op 31 december 1868 over de tekst: Kinderkens! Het is de laatste ure, (1 Joh 2 : 18). En in deze oefening laat hij tot uitdrukking komen, dat God tegenslagen wil gebruiken om mensen tot bekering te brengen. Dat komt duidelijk in deze oefening tot uiting. In de eerste plaats dankt hij God voor de lichamelijke gezondheid. Maar daar blijft het niet bij. Hij dankt God ook voor de geestelijke gezondheid van veel mensen. Want zegt hij: 'Dit jaar is voor ons geen dor jaar geweest. Hier zullen zich menschen in ons midden bevinden, voor wien het jaar 1868 een onvergetelijk jaar is, een jaar waarin zij zich' door genade aan de levende God hebben verbonden. Hij is dankbaar, dat God hen vrede en eensgezindheid gegeven heeft en hen voor twist en scheuring bewaart. Daarom kan hij zeggen: Eben Haézer, tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen.

Verootmoediging

In dat licht moeten wij ook in onze tijd de tegenslagen zien. Dat God door onze zonden in Zijn voorzienigheid ons bepaalt bij ons zondig leven. Maar dan wel met de bedoeling dat wij ons gaan verootmoedigen voor Hem. Zijn almacht gaat inzien en ons bekeren. In afhankelijkheid van Hem gaan leven. Dat Christus door zijn lijden, sterven en opstandig alles volbracht heeft. Voor de mens die in Hem gaat geloven een nieuw leven heeft verworven. Als we dat met Gods Geest gaan leren inzien, dan zullen wij ons niet alleen richten op dit aardse leven, maar ook op het leven na dit leven. Want dat is ons enig houvast. Ruwe stormen mogen woeden, Alles om mij heen zij nacht, God, mijn God zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht. Moet ik lang zijn hulp verbeiden, Zijne liefde blijft mij leiden: Door een nacht, hoe zwart, hoe dicht, Voert Hij mij in 't eeuwig licht.

KAND. J. MULDER, NIJKERKERVEEN

(Bronnen: Wulfert Floors oefeningen en notitieboeken. De oefening over Jer. 3 : 3 kunt u vinden in Al de Eenvoudige Oefeningen, J. H. Kok Kampen 1913, zesde bundel pagina 63-74 en de oefening over 1 Joh. 2 : 18 in de zevende bundel pagina 135-144).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wulfert Floors visie op tegenslagen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's