De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zo ik niet had geloofd... [2]

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zo ik niet had geloofd... [2]

9 minuten leestijd

Zoals ik een vorig keer schreef mag het aanbod van genade in de prediking ruim aan de orde komen. Wanneer dat gebeurt, is dit altijd in navolging van de Schrift. Ik ga niet alle voorbeelden uit de Schrift opsommen, toch wil ik er één noemen. Ik denk aan de magistrale rede van de apostel Petrus in Handelingen 2. Zonder enige voorwaarde te stellen zegt hij tot allen die naar hem horen: 'En het zal zijn, dat een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden'. Let wel: onder de hoorders waren ook de spotters die zeiden dat hij en anderen zich te buiten waren gegaan aan wijn. Het woord 'iegelijk' in Handelingen 2 : 21 spreekt voor zichzelf. Het is niet van belang wie men is of hoe het verleden geweest is, het gaat erom dat de Naam des Heeren aangeroepen wordt. Wie dat doet, zal zalig worden. Hoe gul in zijn woorden is de apostel Petrus eveneens als hij het woord richt tot allen die in hun hart verslagen werden. In Handelingen 2 : 39 horen wij hem tot hen zeggen: 'Want u komt de belofte toe, en allen, die daar verre zijn en zovelen als de Heere onze God toeroepen zal'. Bedoeld zijn allen die onder de prediking van het Evangelie komen. God heeft hen allen op het oog. Zonder enige restrictie d.i. zonder enige beperking.

Wanneer wij de Schrift goed lezen is de prediking van de apostelen er altijd een geweest waarin geloof en bekering in het middelpunt stonden. Joden en heidenen werden opgeroepen tot geloof en bekering. Dit laatste is door de Dordtse Leerregels terecht opgepakt als er van de prediking staat geschreven dat zij behoort te zijn met bevel tot geloof en bekering. Aan het bevel gaat geen enkele voorwaarde vooraf. Wellicht zullen wij ons nog herinneren dat ik een vorig keer van het bovenstaande een voorbeeld uit de kerkgeschiedenis heb gegeven. Ik heb toen Andrew Gray genoemd. In een van zijn preken zegt hij dat Christus gemakkelijk te krijgen is als wij Hem maar willen aannemen. Wij zullen Christus ontvangen als wij maar willen horen. Want er staat immers in Jesaja 55 : 3: 'Hoort en uw ziel zal leven'.

Gray is echter niet de enige Schotse prediker die nauw in het leven, doch ruim in het aanbod was. Heel bekend onder ons is Ebenezer Erskine. Steeds opnieuw dringt hij in zijn prediking aan op geloof en bekering. Het aannemen van Christus is volgens Erskine geen vermetelheid en heiligschennis. Het is niet Gods eer omlaag halen als men Christus omhelst in het geloof. Het zou wel vermetelheid zijn en tot oneer van God als Hij Christus niet had gegeven om aan te nemen. Evenals bij Comrie is 'geloven' bij hem: Christus aannemen of omhelzen. Om dit aan te tonen, wijst Erskine dan op Johannes 3 : 16: 'Want alzo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft (of Hem aanneemt) niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe'. Zowel bij Gray als bij E. Erskine kan men meer dan eens in hun preken lezen: 'Omhels dan deze Zaligmaker, Die aan u gegeven is en neemt Hem met dankbaarheid en lofzegging aan. Wanneer u dit niet doet, zult u verloren gaan'.

Doop

Tot eenieder mag gezegd worden dat Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Daarin is geen onderscheid! Wie Christus nodig heeft, kan Hem krijgen. Of men gedoopt is of niet, het maakt niets uit. De prediking met bevel tot bekering en geloof gaat tot eenieder uit. Daarmee bedoel ik eenieder die de prediking hoort.

Toch is het een voorrecht, wanneer men als gedoopte onder de prediking zit. Want wat wil het zeggen: gedoopt te zijn? Dat houdt onder meer in dat wij in het genadeverbond zijn opgenomen. De Heere heeft Zijn Naam aan onze naam willen verbinden. Dat is een groot wonder! In de doop verbindt de Heilige Zich aan de onheilige. Vanzelfsprekend niet met de bedoeling dat de onheilige onheilig zal blijven. Maar wat is dan de bedoeling? Geen andere dan dat wij zullen gaan geloven dat wij in Christus heilig zijn. Geen heiligheid dus in of van onszelf, maar alleen in Christus! Deze heiligheid wordt ons toegezegd in de doop. Wij weten er weliswaar nog niets van als wij het teken en zegel van de doop ontvangen, toch wordt het ons alles wat wij in Christus hebben toegezegd. Maar hoe wordt het dan ons eigendom wat wij in Christus hebben? Het wordt ons bezit door het in het geloof aan te nemen. Maar - zo zal iemand zeggen - is daarvoor dan niet de Heilige Geest nodig? Inderdaad, hebben wij de Heilige Geest daarvoor nodig. Anders gezegd: het is de Heilige Geest die ons handen schenkt om alles wat wij in Christus hebben aan te nemen. In het geloof omhelzen wij Christus. Daarbij moeten wij niet vergeten dat de Heere ons óók de Heilige Geest heeft toegezegd. Wie z'n doop recht verstaat, zal er al het heil in zien dat de Heiland verworven heeft. Hoe het ook zij: op grond van het genadeverbond wordt ons alles toegezegd en kunnen wij alles ontvangen wat wij van huisuit niet bezitten.

Kort samengevat: het verbond dat de Heere met ons gesloten heeft spoort ons aan om Jezus Christus in het geloof te omhelzen. Ook van de doop gaat er een prediking met bevel tot geloof en bekering uit. 't Gaat zowel in de Schrift als in de belijdenisgeschriften én in de formulieren altijd weer om het geloof. Zoals duidelijk zal zijn: het waarachtig zaligmakend geloof. Zonder geloof - en dat moeten wij niet vergeten - is het onmogelijk Gode te behagen.

Verkiezing

In het pastoraat hoor ik wel eens zeggen: 'Ik kan niet geloven! Ik moet eerst weten of ik uitverkoren ben en dan kan ik pas geloven'. Nu is het mij niet onbekend dat dit gezegd kan worden om het ongeloof goed te praten. Wanneer dit het geval is, moet men als pastor of als ouderling er maar niet al te zeer op ingaan of het moet zijn dat men de pastorant (het gemeentelid dat bezocht wordt) aanspoort om z'n ongeloof te laten varen en zich aan de Heere over te geven zoals men is. Toch kan het ook zijn dat er wordt geworsteld om het geloof en dat de verkiezing als het ware een barrière vormt om tot het geloof te komen d.i. Christus te omhelzen. Wellicht dat dit in de ene gemeente meer gevonden wordt dan in de andere, toch zal eenieder die zich met het pastoraat bezighoudt dit wel eens tegen zijn gekomen. Wat is de remedie (het geneesmiddel) om mensen er achter te laten komen dat de verkiezing geen barrière is om tot het geloof te komen? Het beste en enige geneesmiddel is het Woord. Niets meer en niets minder! Want wat leert het Woord ons? Het leert ons dat de apostelen niet de verkiezing gepredikt hebben, maar het geloof. Zoals ik reeds eerder schreef: zij predikten het Evangelie, dat Jezus Christus gekruisigd en opgestaan was met bevel tot geloof en bekering. Ik zeg niet dat zij in prediking nooit eens de verkiezing hebben aangesneden. Zij hebben dit echter niet als het centrale thema van de prediking gesteld. Altijd riepen zij op om tot de gekruiste en opgestane Christus te komen, Hem te omhelzen en in het geloof uit Hem te leven.

Zo behoort de prediking ook in onze tijd te zijn. Als er in de prediking over de verkiezing gesproken wordt, behoort dit evenals in de prediking van de apostelen een loflied op de barmhartigheid van God te zijn. Vele jaren geleden hoorde ik A. A. van Ruler zeggen dat de verkiezing een dogma is, maar - zo voegde hij eraan toe - een dogma dat de lof op Gods liefde van eeuwigheid bezingt. Wanneer het zo gezien wordt, kan men op dit dogma niet stuk lopen.

Echter... er valt nog iets van te zeggen. De verkiezing is geen muur waar men tegen aanloopt. De verkiezing is een poort (Calvijn). Men mag ook zeggen: de verkiezing is een deur. Wie bedoel ik met de deur? Niemand anders dan Jezus Christus. Hij zegt: 'Ik ben de deur; wie door Mij ingaat zal behouden worden'. Jezus Christus is naar de woorden van Calvijn de spiegel der verkiezing. Jezus Christus toont ons dat God is liefde. Hij laat ons zien dat God geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich bekere en leve. Met dit alles wil ik maar zeggen dat de verkiezing nooit een dam opwerpt om Jezus Christus als Borg te omhelzen.

Verbond en verkiezing

Wellicht wrijft iemand zich de ogen uit als hij dit kopje leest: Verbond en verkiezing! Moet het niet zijn: verkiezing en verbond? Dat is toch de juiste volgorde? Ik zal het niet tegenspreken! In tijdsorde gesteld gaat de verkiezing voorop, en daarna volgt het verbond. Eerst dus de verkiezing en daarna het verbond. Doch let wel; als ik het zo stel, zie ik het bij God vandaan. De Heere is - met eerbied gesproken - met de verkiezing begonnen en daarna volgde het verbond. Toch is ook het kopje 'Verbond en verkiezing' niet verkeerd. Waarom niet? Omdat de Heere in ons leven allereerst komt met Zijn verbond. Terecht heeft I. Kievit ons voorgehouden dat de Heere Zijn verkiezing realiseert in Zijn verbond. En zoals ik hierboven schreef, worden wij door middel van het verbond opgeroepen om te geloven in wat wij in Christus hebben. Ja, wij worden opgeroepen om Christus aan te nemen. Maar de verkiezing, hoe zit het daarmee dan? Het antwoord is eenvoudig: wanneer wij Christus hebben omhelsd in het geloof als onze enige troost in leven en in sterven, gaan wij roemen  in het welbehagen Gods. Van Gods verkiezing gaan wij iets verstaan als wij door de poort zijn gegaan. Ik denk hier aan de Christenreize van J. Bunyan. Wanneer Christen voor de poort staat, leest hij boven de poort: ' Kom allen tot Mij', en als hij door de poort d.i. Christus gegaan is, leest hij (let wel: aan de andere kant): 'Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods'. Christen eindigde in de verkiezing, maar hij begon - om zo te zeggen - met het verbond. Wie tot geloof komt, Christus omhelst, zingt: 'Het is door U, door U alleen om 't eeuwig welbehagen'. Met de apostel der liefde wordt er gejubeld: 'Wij hebben U lief, omdat U ons eerst liefgehad hebt'. Het zal duidelijk zijn dat verbond en verkiezing, ook in die volgorde, geen tegenstelling vormen. (Wordt vervolgd.)
G.S.A. DE KNEGT, BARNEVELD

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Zo ik niet had geloofd... [2]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's