De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Hoe lees ik de Bijbel?

Reformatorische christenen willen graag in gehoorzaamheid aan de Schrift spreken en handelen. Maar hoe leg je de Bijbel verantwoord uit en hoe maak je een juiste toepassing van wat er staat in het heden? Zoveel hoofden soms en zoveel zinnen. Zijn er 'leesregels' die voor alle tijden toepasbaar zijn? Of zijn we eigenlijk aan de steeds wisselende inzichten van uitleggers overgeleverd? Ooit schreef prof. dr. J. N. Sevenster (1956) een in die dagen bekend geraakte studie over 'Rome en de vrije Bijbel'. Eén van de vergaande gevolgen van de Hervorming was dat de Bijbel en haar uitleg werden weggehaald vanonder het Vaticaanse leergezag. Rome verweet de Reformatie dat men daarmee de traditie van de kerk der eeuwen verwierp. Sevenster stelt daartegenover dat kerken die geestelijk van de Reformatie stammen dikwijls juist heel bewust leven uit een belijdenis die commentaar op de Schrift wil zijn, nadere uitleg van de verkondiging van de Schrift. Elk reformatorisch gestempelde kerk of gemeente leeft toch eigenlijk min of meer bij de traditie van een bepaalde exegese, soms bewust, soms ook nauwelijks doordacht. Commentaren van Luther en Calvijn worden nog elke week geraadpleegd in menige studeerkamer waar de preek wordt voorbereid. Er wordt in dat opzicht telkens nog uit de traditie der eeuwen geput. Het kwartaalblad voor 'evangelische theologische bezinning' Soteria gaf onlangs een themanummer uit over 'Hermeneutiek' (18e jaargang 2001 nummer 1). Hermeneutiek wil zoveel zeggen als 'bezinning op de leesregels' om zo tot een juist verstaan te geraken. Op de Bijbel toegepast: hoe lees je dit 'oude boek' om tot een verstaan in het heden te komen? Eén van de bijdragen komt van de christelijk gereformeerde hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn prof. dr. H. G. L. Peels. Zijn bijdrage is getiteld: 'Heer, dat kunt u niet maken!' Marcionitische trekken bij Ter Linden. Hij doorlicht het bijbelverstaan van ds. Nico ter Linden naar aanleiding van de bekende reeks hervertellingen van de Bijbel van zijn hand onder de titel 'Het verhaal gaat...'. Eind vorig jaar verscheen deel vier, waarna er nog twee zullen volgen om zo de reeks af te sluiten. Prof. Peels begint zijn bijdrage door in te haken op de vraag of Ter Lindens hérvertellingen ons werkelijk bij de bron brengen. 'Iedereen weet dat tijdens het traject lezen-verstaan-vertolken onvermijdelijk subjectiviteiten insluipen. Elke hervertelling van een bijbelverhaal staat onder hermeneutische hoogspanning. Wij projecteren immers binnen de kortste keren onze eigen ideeën op de tekst, of we kortwieken de tekst naar eigen maatstaven. Niet het minst waar we op het palet van de bijbelse verhalen donkere kleuren tegenkomen', aldus prof. Peels. Hoe gaat Nico ter Linden om met de 'schaduwzijden' van het bijbelse beeld van God?

Marcion

Met 'schaduwzijden' bedoelt prof. Peels het bijbels spreken over Gods wraak, Gods vlammende naijver, Gods grimmige toorn, Gods vernietigend gericht. Hij noemt ook de 42 kinderen die na Elisa's vloekbede door twee berinnen worden verscheurd. En verder: de dood van Nadab en Abihu vanwege een cultisch 'foutje'. De oorlogsban op complete volkeren inclusief grijsaards en zuigelingen. Wat moeten we hiermee aan?

'Wij zijn vandaag de dag niet de eersten die vragen stellen over Gods "schaduwzijden", zoals we die vooral in het Oude Testament tegenkomen. Moeite hiermee kwam al vroeg in de kerkgeschiedenis aan het licht, bij Marcion. Deze bisschopszoon arriveerde ± 140 n. Chr. te Rome om de christelijke gemeente aldaar voor zijn ideeën te winnen. Hij deelde met de gnostiek de afkeer van de geschapen werkelijkheid en in het bijzonde van de geslachtsdrift. Daarom moest hij van het Oude Testament maar weinig hebben. De God van het Oude Testament is een strenge Schepper-God, een God van wet, recht, wraak en oorlog. Toen is Jezus, zo stelde hij, in een schijnlichaam uit de hogere wereld neergedaald om ons mensen te verlossen van het regiem van deze Schepper-God. Jezus' Vader, de God van het Nieuwe Testament, is een geheel andere, "vreemde" God, een God van liefde en barmhartigheid. Ook het Nieuwe Testament wilde Marcion zuiveren van invloeden van het Oude Testament, waardoor zijn bijbel praktisch gereduceerd werd tot de geschriften van Lukas en Paulus - hoewel hij naar het schijnt het Oude Testament nooit echt officieel overboord heeft gezet Marcion werd in de ban gedaan, maar zijn denkbeelden leefden voort. Ofschoon lang niet altijd in zulke radicale vormen, zullen ze steeds in de kerkgeschiedenis de kop weer opsteken. Het zou niet moeilijk zijn hier een lange rij klinkende namen te noemen van geleerden die blijk geven van een selectieve omgang met het Oude Testament, of van een onverhulde afkeer van alle bijbelse passages waar geweld een rol speelt. Binnen het kad van de algemene idee dat het Nieuwe Testament principieel anders is dan het Oude Testament - geestelijker, rijker, zuiverder - zijn vele varianten mogelijk.'

Welnu, hoe ziet in dit verband de populaire Bijbel van Nico ter Linden er uit?

'In een interview heeft Nico ter Linden al eens ondubbelzinnig gezegd, dat hij problemen heeft met de voorstelling van een God die vergeldt. "Er zitten in de bijbel sporen van een wrekende God. Daarvan denk ik wel eens: had die er nou maar uitgeknikkerd. Ik begrijp (...) dat er een wrekende God in een mensenhart kan opkomen, maar ik vind het jammer dat die de reis naar de definitieve versie van het boek heeft gehaald, jammer dat ze die niet hebben uitgezuiverd." Ter Linden is iemand die zijn mening niet onder stoelen of banken steekt, zodat we in elk geval weten waar we aan toe zijn. (...) Ter Lindens moeite met de "schaduwzijden" van de Schrift komt in de eerder verschenen delen nog duidelijker uit. Jezus' woorden over de buitenste duisternis, zijn "wee u" tot de Farizeeën, zijn niet authentiek, maar werden Hem door de anti-joodse Mattheiis in de mond gelegd (deel 2, blz. 227, 256, 269). De geschiedenis van de twee berinnen bij Betel is niet meer dan "een grimmig sprookje" (deel 3, blz. 239). Bij de opdracht aan Saul om Amalek uit te roeien: "Bedient de God van de verteller zich van dezelfde wapens als de verderfelijke Amalek?" (deel 3, blz. 113). Maar de meest sprekende voorbeelden ontlenen we aan het eerste deel: 

- Bij de zondvloed: de verhalenverteller heeft kennelijk geen moeite met een God die de sluizen des hemels openzet. Wij voelen meer met Jiska mee. (...) Zij weigert aan boord van de ark te gaan. "Cham, ik ga niet als jarig Jetje op die schuit met Gods elite zitten, terwijl alles en iedereen van wie ik houd verzuipt. Jouw God wil blijkbaar tranen, goed, daar mogen jouw vader Noach en de zijnen dan op drijven. Mij niet gezien" (blz. 40).

- Bij het offer van Izaak: of moeten we de verteller ter verantwoording roepen? (...). Eeuwenlang heeft hij mensen met het beeld van een sadistische God opgezadeld. Daarmee heeft hij masochistische gelovigen gekweekt (...) godgeleerden die een hemelse der ontwierpen die zijn eigen zoon aan het kruis liet nagelen. Die gelovigen werden er van de weeromstuit ook hard en meedogenloos van (blz. 97V.).

- Bij het gouden kalf: "Mozes, ik ben bitter teleurgesteld in jouw volk", zegt God. "Anders ik wel", zegt Mozes. "Maar waarom spreekt u over jouw volk? Is u dat wel eens opgevallen, Heer God: als het volk uw thora in acht neemt, zegt u altijd mijn volk, maar als het ongehoorzaam is, spreekt u ineens over jouw volk." "Het is mijn toorn die mij zo doet spreken, Mozes." "Ja, dat zal wel", zegt Mozes, "maar daar moet u zich toch niet zo door laten leiden! Wat schiet u daarmee op? (...) Waarom zou u zich onnodig kwaad maken? (...) Strijk toch uw hand over uw hart en vergeef het volk zijn zonden" (blz. 270).

- Bij de twaalf verspieders: Mozes schrikt. Hoort hij het goed? ! "Van mij kunnen ze de pest krijgen", zei God. Zijn dat woorden van God? ! Dat een mens in een opwelling van woede met zo'n wraakzuchtige gedachte speelt, ach, niets menselijks is hem vreemd. Maar als God nu ook al zo gaat reageren... Van de weeromstuit wordt Mozes er een beetje goddelijk van: "Heer, met uw welnemen, dat kunt u niet maken! U bent toch God?" (blz. 294).

Prof. Peels evalueert Ter Lindens omgaan met 'het verhaal'. Het Oude Testament is voor hem een collectie verhalen die slechts in de verte een band heeft met echte geschiedschrijving. Het Nieuwe Testament bevat veel gemeente-theologie. Veel bijbelverhalen verwijzen niet naar echte gebeurtenissen maar zijn meer illustraties van hogere en geestelijke waarheden. En ten slotte is er de ontsnapping van de psychologisering: het bijbelverhaal is projectie van innerlijke conflicten.

'Maar is het voor Nico ter Linden eigenlijk wel een probleem? Uiteindelijk niet. Hij geeft immers zelf aan dat we in de bijbel van doen hebben met "woorden van beneden", en dat God anders is dan mensenkinderen zich Hem fantaseren". Je hoopt natuurlijk dat ze met die menselijke gedachten en dromen en fantasieën warm waren (deel 1, blz. 12), maar zekerheid heb je nooit. Wie garandeert dat deze menselijk-religieuze imaginatie relevant is? Als verhalen slechts condensatievormen van menselijke ervaringen zijn, wat houd je er dan aan over? Ieder die opteert voor een literair-psychologische interpretatie uan de bijbeltekst met voorbijgaan aan historische referenties, brengt een nieuw hermeneutisch kader aan: dat van de eigen ervaringswereld. Het bijbelverhaal wordt gelijkenis. Dit levert een ander waarheidsbegrip op, en een ander godsbeeld. Over hermeneutiek gesproken. Nico ter Linden wordt, net zoals u; wij allemaal, sterk gekleurd door het denken van deze tijd, die zijn eigen normen en waarden meebrengt. Wat Ter Linden als ideaal godsbeeld voor ogen staat, blijkt uit de volgende passage: "Angst ontwerpt God als een almachtige, een dreigende God. Dan is God geen gezel, geen vriend, geen zorgende vader of moeder, geen goede herder. Een vreeswekkende God is hij, onverbiddelijk, wraakzuchtig, mensontkennend. In de schaduw van die God mag een zondig mens nauwelijks ademhalen. Trouw, eerbied en dankbaarheid zijn verplichte nummers, niet de spontane uiting van een vrij en gelukkig mens" (deel 1, blz. 293). Hebben we met het voorgaande Nico ter Linden weggezet als een volgeling van Marcion? Nee, natuurlijk niet. Zoals Marcion het zei, zal Ter Linden het niet zeggen. Als trouw leerling van de Amsterdamse school doet hij immers zijn best om het Oude Testament op nieuw ter sprake te brengen. Soms vangen we in zijn verhalen ook signalen van begrip voor het geweldthema op, zoals in zijn weergave van Nahums profetie, of van het AmaIak-thema. Maar daar blijft het dan ook bij. De formulering "Marcionitische trekken in de bijbel van Nico ter Linden" heeft recht van bestaan.'

Reden genoeg om te waarschuwen voor de gevaren die het lezen van Nico ter Lindens 'Het verhaal gaat...' oplevert. Maar prof. Peels wijst ook naar zichzelf en anderen die met hem de Schriften wel opvatten als Gods betrouwbaar en onfeilbaar Woord.

'Met de voorgaande constatering zijn we echter nog niet klaar. Want wat de vrijzinnige theoloog Nico ter Linden ronduit verwoordt, leeft in ons allemaal. Wat we ook van zijn werk vinden, hij is tenminste eerlijk. En ergens kan ik hem best begrijpen. Wij leven aan het einde van een tijdperk dat verzadigd is van geweld, terreur en vernietiging. Nog nooit in de wereldgeschiedenis werd zoveel bloed vergoten als in de 20e eeuw. De onbeschrijflijke ellende van twee wereldoorlogen en de voortdurende stroom gewelddadige conflicten tussen volken, rassen en culturen daarna hebben een innerlijke afkeer van geweld gekweekt. Het is al te vaak gebeurd dat met een beroep op "god" het geweld werd gelegitimeerd. Het menselijk leed is zo verbijsterend aan het licht gekomen dat het wel moest doorwerken in het godsbeeld. Aan een kolonel werd gevraagd: Gelooft u in God? Zijn antwoord: Pardon, ik was in Auschwitz. 

Wij hebben diep in ons de neiging om eerder de pastoor van Volendam bij te vallen die de vraag naar de vinger Gods ontweek, dan die minister in India, die aan kinderen uitlegde dat de recente aardbeving een straf van God was. De vraag komt dringend op ons allemaal af: wat doen wij nu met die "schaduwzijden" van de Schrift? Hoe vaak wordt door ons zorgvuldig om de heikele teksten heen gepreekt, of worden ze vergeestelijkt? Kinderbijbels hebben hun eigen selectie - David contra Goliat is een must, maar verder? Bij diverse spreekbeurten vroeg ik het publiek hoe vaak ze een preek over Nahum hadden gehoord. Het antwoord was: nooit, ook al had men tientallen jaren lang in de kerk gezeten. Een enkeling meldde een uitzondering: een preek over Nahum 1: 7 ("De Here is goed, een sterkte ten dage der benauwdheid; Hij kent hen die bij Hem schuilen"). Hoe moeten wij met de donkere pagina's van de bijbel omgaan? Voor Nico ter Linden vormen ze uiteindelijk geen probleem, voor ons wel. Voor ieder, die het bijbels getuigenis aanvaardt dat de Schriften méér zijn dan neerslag van menselijke ervaring. De bijbel is het Woord van God, waarin Hij Zich openbaart. Zeker: via mensen, via mensentaal, via kwetsbare formuleringen. Maar au fond normatief. Waar Hij spreekt, heb ik te luisteren. Dan begrijp ik dat een apostel als Paulus rustig over het Oude Testament kan zeggen: "Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust" (2 Tim. 3 : 16v.). De auteurs van het Nieuwe Testament geven nergens blijk van enig probleem met het Oude Testament, integendeel.'

Prof. Peels geeft ten slotte vier leesregels mee als kenmerkend voor de luisterhouding die past in de omgang met de Schrift: eerlijk luisteren, onderscheidend luisteren, eerbiedig luisteren en bescheiden luisteren. Om met een citaat uit het laatste onderdeel af te sluiten:

'Die bescheidenheid is geen "escape". Dat er gedeelten in de Schrift staan waar wij het moeilijk mee hebben, moet ook niet overgeaccentueerd worden. Steeds weer hebben te bedenken dat de grondlijn van de Schrift door een kind te verstaan is. "Een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen" (Ps. 30 : 6). Hij is de God, die in liefde en ontferming de mens zoekt en tegemoet treedt. De hoogspanning in de bijbelse godsopenbaring leidt tot Golgotha. Zijn eerste woord was: "Er zij licht", en dat zal ook zijn laatste woord aan al de zijnen zijn, want "er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten..." (Op. 22 : 5). Tussen zijn eerste en zijn laatste woord is zijn hele Woord zonder twijfel erop gericht om te redden en te behouden, uit het duister te brengen naar het licht. Aan deze God kan een mens, met al zijn vragen erbij, zich met een gerust hart toevertrouwen.

Heilig, heilig, heilig! Gij gehuld in duister, geen oog op aarde ziet U zoals Gij zijt. Gij alleen zijt heilig, enig in uw luister, één en al vuur en liefde en majesteit.'

J. MAASLAND

Info: Soteria is een uitgave van Merweboek uitgeverij, Postbus 217, 3360 AE Sliedrecht. Los nummer kost ƒ 12, 50 te verkrijgen na overschrijving op giro 464501 t.n.v. Merweboek Sliedrecht o.v.v. gewenst exemplaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 2001

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's