Onophoudelijk het Woord doorzoeken
Ds. H. VISSER (75):DE HEERE GEEFT NOOIT MINDER DAN HIJ BELOOFT, WEL EENS MEER
Psalm 25, daarmee begint en eindigt ds. Visser ons gesprek. 'Wie heeft lust de Heer te vrezen, 't Allerhoogst en eeuwig goed.' De regels verwoorden zijn verlangen als kind om de Heere te dienen. En de psalmverzen komen terug, als hij vertelt over de dienst in Gods Koninkrijk, ook van zijn kinderen, ook op het zendingsveld. 'En zijn Godgeheiligd zaad, zal 't gezegend aardrijk erven. De Heere geeft nooit minder dan Hij belooft, wel eens meer. Daar heb ik alles meegezegd.'
Ds. H. VISSER (75): DE HEERE GEEFT NOOIT MINDER DAN HIJ BELOOFT, WEL EENS MEER
Huizen is de bakermat van de jonge Hendrik Visser. 'Van jongsaf aan had ik een aantrekkingskracht tot de dienst des Heeren, ging ik graag naar de kerk. Het kerkelijk leven in Huizen betekende tegelijkertijd de omgang met God. Ik had veel affiniteit met de prediking, al begreep ik niet alles. Het verlangen was er om de Heere te dienen. Het was voor mij een hoogtepunt toen Psalm 25 : 6 gezongen werd: Wie heeft lust de Heere te vrezen. De keus voor de Heere en Zijn dienst heeft mijn leven gestempeld.
Je had groot respect voor de predikanten en voor mensen van wie je wist dat ze God kenden. Die kwam je nogal eens tegen. Wat waren dat voor mensen? Geen mensen die sterk dogmatisch dachten, maar die uitstraalden wat de vreze des Heeren was. Ik ben niet opgegroeid in een sfeer waarin je allerlei dingen eerst moet kennen, al waren er wel hoofdlijnen, al kwam 'de orde des heils' wel aan de orde. Maar het ging om de kennis van Christus als je Borg en Zaligmaker. Dat maakte mij altijd jaloers. Ik wilde al jong dominee worden, maar ik wilde nog liever kind van God worden. Als ik dat nu weten mocht in mijn leven...
Ja, de kinderen Gods die ik in mijn jeugd ontmoette, waren geen schematici, maar ze hadden wel wat anders. Een vriendin van mijn moeder hoorde ik graag praten over hoe ze de Heere had leren kennen. Zij was op een gegeven moment tot ruimte gekomen. Moeder zei toen op een woensdagmiddag tegen me: 'Henk, nu moet je eens naar Anne toegaan, naar Annetje Kriek, en haar vragen of het waar is wat moeder van haar gehoord heeft, namelijk dat God haar in de ruimte gesteld heeft.' Het is een van de mooiste boodschappen geworden, die ik ooit in mijn leven gedaan heb. Ik was twaalf, dertien jaar. Ik kwam bij haar: 'De complimenten van mijn moeder en ik moet vragen of het waar is wat moeder van je gehoord heeft.' 'Ja lieverd, het is waar, maar zeg maar tegen je moeder dat als ze erom vraagt aan de Heere, ze het ook krijgt. En jij ook.' Zo was Huizen! Het ging dus niet in een sfeer, waarin je eerst allerlei zaken moest beleven.'
Een vruchtbare tijd
'De uitstraling tot de dienst des Heeren, het allerhoogst en eeuwig goed, heeft mijn jonge leven gestempeld. Dat heeft te maken met de trouw van God. Wat de genade betreft hebben we leren denken in de lijn van de geslachten. Dat heb ik in Huizen heel vaak gehoord. Je hoorde dat vaders en moeders én grootouders in het gebed met God worstelden, of Hij aan Zijn verbond wilde gedenken, of de kinderen ook toegebracht mochten worden. Dat was een vruchtbare tijd.
In Huizen werd je gestimuleerd om de Heere om genade te vragen! Je werd herinnerd aan de gebeden van het voorgeslacht. Dat gaf je moed, maar je wist ook dat je wel bekeerd moest worden, datje je zonden voor de Heere moest belijden, dat God wat moest doen in je leven, datje wederom geboren moest worden. Het was geen vanzelfsprekendheid, het moest een persoonlijke zaak zijn, maar tegelijkertijd was men heel ruim.
Dit klimaat is geen tendens meer in onze tijd, al kom je het soms verrassend tegen. Het is er nog, omdat God getrouw is. Hij gaat door en wij hoeven niet alles te zien. Het leven met God wordt ook anders verwoord. Ik ontmoette pas een jongere die geen verhaal vertelde, maar wel iets uitstraalde van zijn leven met de Heere en tegen me zei: 'Hoe meer ik de Heere Jezus leer kennen, hoe vreemder ik op de aarde word.' Dat vind ik evenzeer verblijdend.'
Spontaniteit
'Die trouw van God bracht mij ook tot het ambt. Ik had geen late roeping, het was een roeping die later vervuld is. Toen ik op 37-jarige leeftijd in Groningen bij prof. Lekkerkerker kwam, om over de studie te spreken, zei ik: 'U kunt het een late roeping noemen, maar het verlangen om in de dienst des Heeren te mogen staan, ligt er al vanaf mijn vijfde jaar.' Die roeping was niet laat, maar de weg was wat langer. In die weg heeft God Zijn beloften vervuld. Hij vormt je tot die roeping.'
Ds. Visser diende zowel drie gemeenten aan het water - Urk, Nieuwe Tonge en Katwijk aan Zee - als drie gemeenten in het midden van het land - Epe, Barneveld en Woudenberg. 'Tijdens mijn verblijf in Epe hebben we de kerkelijke integratie van de evangelisatie mogen helpen voorbereiden, die vijf jaar na mijn vertrek tot het vormen van een buitengewone wijkgemeente heeft geleid. In het spreken over eigen geloofservaring is de Veluwse mens vaak iets terughoudender dan in sommige andere streken van ons land, maar het stille geloofsleven is er soms wel zo diep. Ik ben van de Veluwse mens gaan houden om de echtheid, de trouw, de rust. Het spontane reageren ligt mij van nature makkelijker, maar de verdieping waardeer ik zeker. Ik heb de mensen leren waarderen in hun eigenheid, zowel aan de zee - spontaan en luidruchtig - als op de Veluwe - stil en voorzichtig.'
Door het geloof
De rode draad in zijn prediking en pastoraat is bij ds. Visser ook de rode draad in zijn publicaties, zoals 'Tot Mijn gedachtenis', 'Geloof en wedergeboorte', artikelen over onder meer geloofszekerheid voor het Gereformeerd Weekblad alsmede een dagboek over de Heidelbergse Catechismus. 'Ik wilde niet anders weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Met dat dagboek over de catechismus hoopte ik de mensen de leer des heils helder voor ogen te stellen. Ik wil de mensen bij de Heere Jezus brengen, wil dat ze weten dat Christus hun Zaligmaker is. Je hebt zelf de ontdekking gedaan dat je door het geloof wedergeboren wordt. Dat heeft me gedreven om die kernnoties voor de gemeente helder te krijgen. Als mensen zelf hun geestelijke polsslag gaan voelen of ze wel kenmerken van hun wedergeboorte zien, lopen zij het gevaar in de kenmerken te blijven steken, terwijl het gaat om de kennis van de drie-enige God, door het geloof in Christus Jezus. In Huizen hoorde ik de noodzaak om met God verzoend te zijn, veel meer dan het doorleven van 'de stukken'. Je leert in je leven de ruimte en de breedte van het werk Gods te zien. Een uitdrukking uit mijn jeugd als 'Er is geen blad aan een boom hetzelfde' komt nu vaak terug. Je bemerkt dat God veel meer invalspoorten heeft dan jij altijd dacht. Met vele jonge predikanten heeft ds. Visser contact, onder meer in een kring voor oud-Katwijkers en in een preekkring die vanwege de Gereformeerde Bond in Noordeloos gehouden wordt. 'Ik sta hen heel graag bij, waarbij ik het volle accent op de exegese leg. De bezinning op de prediking is nodig, voortdurend, en dan kijk ik in eerste instantie naar mezelf. Ik heb die bezinning onafgebroken nodig, niet omdat de tijd verandert, maar omdat het Woord zo rijk is. Na vijftig jaar in dit werk te staan, heb nog zo weinig van de rijkdom van het leven met God kunnen vertolken. Dat wil ik doorgeven. Niet om van jonge dominees redenaars te maken, maar opdat ze door het Woord heenkruipen en uitdelers mogen zijn van de menigerlei genade Gods. Ik heb de inmiddels overleden ds. L. Blok eens horen zeggen: 'Kruip er maar doorheen, je wordt er niet stoffig van.'
Het belangrijkste is dat je als predikant onophoudelijk het Woord doorzoekt, speurt welke schatten erin liggen en dit doet in confrontatie met de tijd waarin je leeft. Je moet vanuit het spreken van de Heere de lijnen zien liggen naar de vragen van deze tijd. Mensen hebben daar behoefte aan, omdat ze in zulke ingewikkelde situaties zitten. Je kunt vandaag de dag niet over Pasen preken en euthanasie buiten beschouwing houden.'
Verdieping in het Woord
'Het klinkt hautain als ik zeg negatief over de prediking te zijn, terwijl ik zelf voortdurend ook op de leerschool ben. Ik hoor ook te weinig dominees om een eerlijk oordeel te kunnen geven. Het is goedkoop een waardeoordeel te geven over preken in het algemeen.
Positief geformuleerd: ik ben altijd heel blij als ik merk dat men het hart van de zaak raakt. Maar ik ontken niet dat we moeten oppassen om geen dingen kwijt te raken. We moeten dat meer stellend dan polemisch duidelijk maken. Door polemiek vervreemd je van elkaar. Er is in het geheel van de kerk een grote brok onwetendheid. Nodig is voor ons allen steeds de verdieping in het Woord van God. Ik vind het heel wezenlijk om in de kerk positieve bijdragen te leveren. Het gaat niet om ons, het gaat zelfs niet om de Hervormde Kerk, het gaat om Hem! Ik ben in dat opzicht Kohlbruggiaans: 'Werp het Woord er maar in.' Zij zullen door uw woord in Mij geloven. Die tekst heeft mij in mijn ambtelijke bediening veel kracht gegeven, evenals de woorden: 'Als Ik u uitzond zonder buidel en zonder male, heeft het u aan iets ontbroken? 'Dan antwoord ik: 'Nee, Heere.' Ik moet zelf ook van die genade leven. Als die genade meer en meer persoonlijk gestalte kreeg, dan zouden we onder elkaar meer affiniteit hebben. Waar God met Zijn Woord is en ondanks ons nog ik geen afscheid heeft genomen, moeten wij blijven. Maar dak moeten we wel met Zijn Woord erin blijven. Neem het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Daar ligt het front, ook voor de hervormd-gereformeerden. Laten we waakzaam zijn dat het Woord van God op alle fronten zijn gezag behoudt.
Verder dienen wij bereidheid te tonen eigen uitgangspunten op een goede manier te relativeren. Grenzen trekken, naar welke kant ook, is niet zo moeilijk, maar oog hebben voor legitieme en dus bijbelse verscheidenheid, met openheid naar wat we van elkaar kunnen leren, vereist een grote mate van zelfverloochening. Dat is iets anders dan verloochening van de ene Naam, die onze hope is.' Als voorzitter van de Mannenbond is ds. Visser opvolger van ds. A. Vroegindeweij en ds. G. H. van Kooten, die in meer of mindere mate bekendheid kregen vanwege hun vlammende openingswoorden op de jaarlijkse toogdag. In dit opzicht staat hij niet in hun traditie. 'Ik heb dat bewust niet gedaan, heb er geen behoefte aan. Het is nodig dat we de hand in eigen boezem steken, dat we geconfronteerd worden met wie we zijn voor Gods aangezicht.
Wij moeten niet de kerk of de politiek, maar onszelf op de korrel nemen. Als wij niet op de juiste wijze tegenover God staan, hebben we ook niets tegen anderen te zeggen. Een houding om anderen te kapittelen bevordert de hoogmoed en de verstarring.'
Vreemdelingschap
'Vreemdelingschap wordt vooral sterker naarmate je dichter bij de Heere leeft. Dan zie je duidelijk dat je niet alleen vechten moet tegen euthanasie en homohuwelijk, maar dat er ook in de gemeenten vervreemding optreedt van het leven met God. Alles heeft zijn invloed op de gemeente. Die vreemdelingschap spitst zich ook toe, als je niet meer met elkaar kunt spreken over wat de Heere Jezus voor jou betekent. Daar is het hart van de zaak. Als je dat min of meer gaat missen, dan word je vreemdelingschap sterker. Het is geen automatisme dat die vreemdelingschap sterker wordt bij het ouder worden. Ook al ben je ambtsdrager, blijft de opdracht deze wereld niet gelijkvormig te worden, maar veranderd te worden door de vernieuwing van je gemoed. Je hebt zoveel strijd met jezelf. Tegenover wereldgelijkvormig staat Zijn beeld gelijkvormig. In Hem zijn Gods kinderen volmaakt. Ik ben blij ook te mogen leren van mijn kinderen die in het ambt staan, die in 2001 leven. Als je ziet op de trouw van Gods verbond, kom ik weer bij Psalm 25 : 6: 'En zijn Godgeheiligd zaad, zal 't gezegend aardrijk erven.' En daar heeft Hij er al een van thuisgehaald. Dat vers kwam terug, toen ons oudste zoontje op sterven lag. Als ik daarvan de laatste tijd soms iets oplicht in de prediking, doe ik dat om te illustreren hoe goed God is. Dat vers kwam ook terug, toen we moesten aanvaarden dat onze oudste dochter en schoonzoon naar het zendingsveld terugkeerden. Samen weten mijn vrouw en ik één ding: De Heere geeft nooit minder dan Hij beloofd heeft, wel eens meer. Daar heb ik alles mee gezegd.'
P. J. VERGUNST, APELDOORN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's