De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

A. F. J. Klijn, Apocriefe handelingen van de apostelen, buitenbijbelse verhalen uit de vroege kerk. Uitg. Ten Have, Baarn 2001, 149 blz. f29, 90- ;

De apocriefe boeken van het Nieuwe Testament worden door geen enkele christelijke groepering als canoniek beschouwd, ook niet door Rome. Toch zijn ze op zichzelf heel indrukwekkend omdat ze ons waardevolle informatie verstrekken over de theologische visies en het wereldbeeld van de vroege christelijke kerk. Hoewel feit en fictie door elkaar heenlopen, was het voor de kerkvader Tertullianus in het jaar 200 geen belemmering om te verwijzen naar de apocriefe Handelingen. In dit boek wordt een vijftal geschriften behandeld die te maken hebben met Petrus, Paulus, Johannes, Thomas en Andreas. Met name komt naar voren dat het evangelie ethische eisen stelt en dat dit de ergernis opwekt van de gevestigde orde. De boodschap, die daarachter ligt, is dat de mensen door de vergankelijkheid moeten leren heenzien om het ware te ontdekken. Dan is de uiteindelijke verlossing van de mens bij zijn dood, wanneer hij opstijgt naar de andere werld. Dr. A. F. J. Klijn, emeritus hoogleraar in Groningen, geeft ons in zijn publicatie een evenwichtige belichting van de structuur van de apocriefe handelingen der apostelen.

J. BROEKHUIS, BARNEVELD

K. A. D. Smelik, Ruth, Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel, Commentaar voor bijbelstudie, onderwijs en prediking. Uitg. Kok, Kampen 2000, 174 blz.

Deze commentaar is een uitstekend hulpmiddel om te lezen wat er staat. Het lezen uit de Hebreeuwse Bijbel doe je per definitie hardop. Gelezen wordt wat geschreven staat. Dan hóór je ook de harmonie in de echo's van dezelfde woorden. Zo leer je luisteren naar de Schriften en al luisterend hoor je ze in hun samenhang. Een voorbeeld: in de Hebreeuwse Bijbel staat het boek Ruth achter Spreuken, dat eindigt met de 'lof op de deugdzame huisvrouw' (31:10). In de ogen van Boaz is Ruth zo'n 'deugdelijke vrouw' (3 : 11). In het Hebreeuws wordt dan hetzelfde woord gebruikt. Zij is een 'krachtige' persoonlijkheid. Boaz en Ruth zijn aan elkaar gewaagd, want ook hij wordt aan ons voorgesteld als een 'man, machtig en krachtig' (2 : 1) (20; 118). Het boek Ruth sluit op verschillende plaatsen nauw aan bij het boek Genesis: 'Zoals het in het eerste bijbelboek gaat om het ontstaan van het volk Israël, gaat het in het boek Ruth om de voorgeschiedenis van Israëls koninklijke dynastie' (73).

Een moeilijk punt in de exegese van het boek Ruth blijft de vraag of en in hoever het huwelijk van Boaz en Ruth is op te vatten als een toepassing van de wet op het Ieviraathshuwelijk uit Deuteronomium 25. Smelik wijdt daar een speciale excurs aan (129-135). Een strikte toepassing is niet aan de orde, want Boaz is geen broer van Machlon, de overleden echtgenoot van Ruth. Wat bedoelt Ruth dan wanneer zij tot Boaz zegt: 'Gij zijt de losser?' Ze doet daarmee een beroep op zijn plicht tot verzorging en bescherming. De betekenis heeft dat woord ook in de uitspraak van Job: 'Ik weet, mijn Losser leeft' (19 : 25). Het is 'de vleugels over iemand uitspreiden'. Indirect is er wél verband met Deuteronomium 25. Boaz zegt immers tegen de eerste in aanmerking komende losser dat het niet alleen gaat om het kopen van de akker van Elimelech maar dat daaraan ook de verplichting gekoppeld is 'om de naam van de dode in stand te houden op zijn erfdeel' (4:10) (134; 151). Machlon wordt niet meer genoemd (155). De auteur gaat uit van het 'fictionele karakter van de tekst' (11). Men moet er dus niet van uitgaan 'dat alles zo is opgeschreven, omdat het in werkelijkheid op die manier zo is gebeurd'. 'Het ontkennen van het fictionele karakter van bijbelse prozateksten geldt in bepaalde groepen zelfs als teken van vroomheid. In feite heeft het vooral bijgedragen aan de groei van de kloof tussen geloof en wetenschap en is het gezag van de Bijbel erdoor aangetast, juist het tegengestelde van wat men wil bereiken' (12). Wie durft na deze uitspraak nog iets in het midden te brengen? Toch waag ik het erop. Ik vraag mij namelijk af of de joden bij de totstandkoming van de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de Septuaginta, het 'verhaal' van Ruth ook hebben opgevat als een fictie. Het feit doet zich namelijk voor dat het boek Ruth in de canon van de Septuaginta een plaats heeft gekregen in de rij van de historische boeken tussen Richteren en Samuël. Die historische lijn is ook voor de evangelist Mattheüs een feitelijk gegeven in het geslachtsregister van Jezus. Evenzo is in de joods-synagogale traditie Ruth niet opgevat als een fictieve figuur maar als een feitelijk probleem. De rabbi's discussiëren over de vraag of David, gelet op zijn stamboom, volgens de wet wel gerechtigd was om de strijd met Goliath aan te binden. Er staat namelijk in Deuteronomium 23 dat geen Ammoniet noch Moabiet in de vergadering des Heeren zal komen (vs. 3). Dat probleem wordt dan zo opgelost dat in de Deuteronomium staat 'geen Moabiet' en niet 'geen Moabitische' (Yebamoth 76b). Om bij een verklaring van de Hebreeuwse Bijbel de targoem, dat is de vroeg-joodse vertaling, te betrekken, is alleen maar winst. Maar daar hoort zeker ook de vroeg-joodse toepassing van de Tora in Misjna en Talmoed bij. Methodisch gezien vallen daar dan m.i. het Nieuwe Testament en de vroeg-christelijke traditie weer buiten. De waarde van deze serie commentaren voor de prediking is daarom beperkt. De christologische en pneumatologische perspectieven ontbreken. Ondanks de fundamentele kritiek die tegen deze aflevering is in te brengen, leert Smelik ons te lezen wat staat geschreven.

H. J. DE BIE, HUIZEN

Marja Bos-Meeuwsen en Henk van Dam (red.), Met kinderen onderweg. Wegwijzer voor geloofsopvoeding in het gezin. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 260 blz-, ƒ 37, 35-

Dit boek geeft vanuit verschillende invalshoeken een bijbelse kijk op de geloofsopvatting van kinderen.

Onder geloofsopvoeding verstaan de schrijvers het leren kennen van God, wat als een rode draad door het hele boek heen loopt, maar ook allerlei andere terreinen van de opvoeding waar het Evangelie evenzeer richtinggevend is.

Er komt veel aan de orde. Men zou het boek met recht een handboek voor de (geloofs)opvoeding kunnen noemen. Ik doe slechts een greep: godsdienstige opvoeding, rituelen of voorleven, het gezin als een speelplaats, de verstandelijke ontwikkeling van de kinderen, de emotionele ontwikkeling bij baby, peuter, kleuter en het kind tot ongeveer twaalf jaar, kun je kinderen leren geloven, communiceren met kinderen, de taalontwikkeling bij de kinderen, enz.

Het boek heeft twee delen. Het tweede deel gaat over de praktijk van de (geloofsopvoeding, zoals bidden met kinderen, bijbellezen, vieren, zingen, praten over God en hoe kinderen zich door de wijze waarop dat gebeurt een Godsbeeld vormen, praten over goed en kwaad, het leren van waarden en normen, enz. Een apart hoofdstuk is gewijd aan kinderen in de kerk: de sfeer van de zondag, kinderen horen er in de kerk bij, het voor en tegen van de kindernevendienst, hoe kinderen (meer) bij de kerkdienst te betrekken, de zondagsschool, de kinderclub, enz. Het laatste hoofdstuk gaat over rouw- en verliesverwerking bij kinderen: hoe rouwen kinderen? , emoties en reacties van kinderen, handreikingen voor het rouwproces van kinderen. Een paar citaten uit het boek: 'Het gevaar bestaat, doordat kinderen geen oog hebben voor symboliek, dat zij bepaalde dingen heel concreet opvatten, bijvoorbeeld: hoe kan God in mijn hartje wonen? Wordt mijn hart echt zwart van de zonde? De sfeer en de kwaliteit van de huwelijksrelatie is van grote invloed op de sfeer in het gezin en de opvoeding van de kinderen. Schreeuwen is een uiting van onmacht en pedagogisch gezien zeer ongewenst. Kinderen ervaren het als bijzonder dat er voor hen gebeden wordt, maar ook dat ze voor elkaar en hun vader en moeder mogen bidden'. Over het huisbezoek: 'We krijgen huisbezoek; papa en ik zouden graag willen dat jullie daar bij zijn. De gezichten betrekken: ik ken die ouderlingen niet goed. Wat gaan ze dan vragen? Moet ik dan ook wat zeggen en hoe lang duurt dat dan? Er zijn gemeenten waar kinderen vanaf ongeveer dertien jaar, als ze dat willen, apart bezoek krijgen van jonge leden van de gemeente'.

Het boek geeft vele praktijkvoorbeelden en vragen tussen de verschillende paragrafen, zowel om het eigen denkproces te bevorderen als om het onderlinge gesprek van de ouders of leden van een gespreksgroep te stimuleren.

Een enkele vraag kwam bij mij op, zoals bij: de kinderen schrijven een brief aan God, alle brieven worden verbrand, er wordt een gebed over uitgesproken en de rook stijgt op naar God. Of als het gaat over de hemelvaartsdag als een uitgaansdag, of de invulling van de zondagmiddag. Gaat het boek als regel uit van de gedachte dat er maar één dienst per zondag is? Twee diensten op de zondag heeft m.i. bijbelse wortels (het morgen- en avondoffer). Men hoeft het echter niet met alles eens te zijn om het toch een goed boek te vinden.

Ik heb het boek als zeer leesbaar en helder ervaren. Men kan het in één adem uitlezen, en daar is ook niets op tegen. Maar men moet niet nalaten het vooral ook te gebruiken als naslagwerk, in allerlei situaties die zich kunnen voordoen.

Een boek voor ouders, ook voor de ouder die er alleen voor staat. Maar ook voor gespreksgroepen en voor ieder die met kinderen te maken heeft.

Marja Bos is orthopedagoog. Henk van Dam toerustingswerker, speciaal met het oog op ouders met kinderen. Andere medeschrijvers zijn Henk Algra, orthopedagoog met name op het terrein van de (verstandelijk) gehandicaptenzorg, Nynke Dijkstra- Algra, theoloog en moeder van drie tieners, Site van der Gugten-de Jong, die cursussen geloofsopvoeding geeft, en Johan 't Lam, die de pastoraal-psychologische leergang in Utrecht volgde en hervormd predikant in Wezep is. Een (h)eerlijk boek. Zeer aanbevolen!

H. VELDHUIZEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 2001

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 2001

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's