De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IJkpunten van identiteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IJkpunten van identiteit

OVER HET LEVEN VAN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE

21 minuten leestijd

OVER HET LEVEN VAN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE

Inleiding

Als het waar is wat een van de christelijke kranten vorig jaar bij mijn benoeming als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond op de voorpagina meldde, namelijk dat het bestuur een nieuwe leider had aangewezen, zou ik hier en nu een officiële gelegenheid hebben mijn kerkpolitieke program te ontvouwen. Maar het is niet waar. Geen nieuwe leider, bestuurlijk en beleidsmatig hopelijk wel continuïteit. Dat neemt niet weg dat ik dankbaar ben vandaag in deze ontmoeting met u als onze leden het woord te mogen voeren. Om aan te geven op welke wijze ik richting wil geven aan mijn werk in uw midden, laat ik me inspireren door vier personen, die ik allen met mijn geboortegrond in Ede verbind. Een anekdotische inzet, met een serieuze ondertoon.

Wie in de pastorie geboren wordt, leest later in de aangelegde albums dat er meer dan gemiddeld predikanten de kleine kwamen bekijken. Wie waren daarbij, in Ede? Ik noem allereerst ds. J. van den Heuvel, vader van de huidige kerkordekenner, die ik in het begin van de jaren tachtig vooral ontmoette als voorzitter van de IZB. Hij vertegenwoordigt daarom voor mij onze roeping om gericht te zijn op de doorwerking van het Evangelie naar hen die van het Woord van God vervreemd zijn, de blijvende opdracht erover na te denken welke kloof er overbrugd moet worden, nu zowel als vroeger, naar het hart van de hoorder. Daar was ook ds. R. Kok, toen christelijk gereformeerd predikant te Ede. Dan denken we aan de inhoud van de Evangeliebediening, aan de betrouwbaarheid van de beloften van God en de noodzaak om door de Heilige Geest in een waar geloof die beloften te omhelzen, om zo de vergeving van zonden te ontvangen. De vastheid van wat God gedaan en gesproken heeft en het geloof als de weg waarlangs de zondaar Christus als Zijn Verlosser leert kennen en liefhebben, zijn onopgeefbaar de boodschap van de kerk. Daarop mogen we elkaar aanspreken. Daar was ook ds. Joh. van der Poel, een van de meest geciteerde oud-gereformeerde voorgangers in de Waarheidsvriend. En dat gebeurde met name omdat deze man zichzelf bleef. Wie een ander wil nadoen, is niet zich-zelf. Dat geldt ook voor hen die geroepen zijn ten dienste van de gemeenten te werken.

Tot slot doet Ede mij denken aan ds. G. Spilt, die we ons herinneren als de in 1975 gekozen synodepreses. Hij was, zeg ik nu, man van de kerk. Met liefde tot de kerk, waarin het Evangelie de jaren door bewaard gebleven en van geslacht op geslacht overgedragen is, mogen wij binnen onze vereniging ons werk doen. Het is met nadruk dat ik dat hier zeg. Want liefde tot de kerk is niet aangeboren. Liefde tot de kerk staat door allerlei oorzaken ook zwaar onder druk. Maar blijvend is onze gerichtheid op de verbreiding en de verdediging van de Waarheid binnen de Nederlandse Hervormde Kerk.

Kerk en gemeente

Het is de opmerkzame lezer wellicht opgevallen dat in tegenstelling tot wat vele jaren usance was, in de titel van deze inleiding het woord kerk of kerkelijk ontbreekt. De vraag is gewettigd of het richten van de schijnwerper op de gemeente aansluit bij een zichtbare trend om de kerk als instituut te relativeren. Niet het minst is dat verschijnsel momenteel waar te nemen in de kring van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. In een vraaggesprek met het Nederlands Dagblad (16 dec. 2000) ging de VU-historicus dr. G. J. Schutte in dit opzicht wel heel ver. Ik citeer letterlijk: 'De jongere generaties - en daarmee bedoel ik de mensen onder de zestig of daaromtrent - kiezen ter plekke een kerk uit, ongeacht de organisatorische structuur op landelijk niveau. Wat, bijvoorbeeld, - en hij noemt hier namen van twee mensen die in dienst van de Geref. Bond zijn, PJV - ook willen, de jongeren luisteren niet. Ze zijn niet geïnteresseerd in hun hoogkerkelijke betogen. De Gereformeerde Bond bestaat überhaupt slechts in de hoofden van een aantal dominees, om zo te zeggen. Het is een organisatie van boven naar beneden. En daar beneden, bij hervormden net zo goed als bij vrijgemaakten, daar heeft de jongere generatie door dat de verschillen eigenlijk miniem zijn. Je ziet het toch gebeuren? Ik kom allerlei mensen tegen die gemakkelijk overstappen van de ene naar de andere kerkformatie. Als er ter plaatse maar een levendige, actieve, aantrekkelijke gemeente is.' Prof. dr. J. Douma gaat hierop eveneens in in zijn vorige maand verschenen publicatie Hoe gaan wij verder? In een weergave van deze studie werd de vraag opgeworpen of toekomstige generaties kerkgangers nog moeite willen doen voor institutionele toenadering.

Hoe is dit onder ons? Hervormd-gereformeerden hebben altijd in grote liefde en met grote trouw hun plaats in de Nederlandse Hervormde Kerk ingenomen. Het is bekend dat ten aanzien van de kerk die zich aandient, welke naam zij ook zal dragen, een proces van vervreemding optreedt. Hier dus geen relativering van de eigen kerkelijke geschiedenis, maar beïnvloeding door een lange, hobbelige en bochtige weg van kerkhereniging die zó niet begeerd is, maar waarin wij wel betrokken zijn én vanwege de verantwoordelijkheid voor de kerk waarvan wij deel uitmaken, ons ook betrokken hebben te weten.

Dat neemt niet weg dat kritisch mag worden gekeken naar de wijze waarop de afgelopen generaties - waarbij we onszelf geheel dienen in te sluiten - hun positie in de kerk hebben ingenomen. Brede weerklank en herkenning vond de brief die dr. W. Verboom aan zijn kinderen en kleinkinderen schreef over de betekenis van Jezus' opstanding voor zijn geloof, afgedrukt in het paasnummer van de Waarheidsvriend. Hij schrijft: 'Ik moet bekennen dat jullie in mijn leven ook dingen gezien hebben die in strijd waren met dit getuigenis van het geloof in de Opgestane Christus. Ik bedoel dit persoonlijk, maar ook als iemand van een generatie die het er vaak slecht heeft afgebracht. Die bijvoorbeeld tot op de dag van vandaag ruzie heeft gemaakt in de kerk. Die tekortgeschoten is als het erom ging te helen wat gedeeld is. En werkelijk, ik voel me vaak schuldig en machteloos. Ook als het gaat om Samen op Weg. Ik weet ook niet hoe het moet. Vergeef het mij en ons. En laat je er niet door van de wijs brengen. Wij faalden vaak, en toch, ondanks alles... Jezus leeft.'

Het citeren van deze woorden is niet bedoeld als ondergraving van de beleidsmatige koers die gegaan is, sterker, waarvan we overtuigd zijn dat die gegaan moest worden. Want de kerk is ons lief. En haar grondslag weegt ons zwaar. En de eenheid van kerk en gemeente is onze roeping. Maar veertig jaar nadat 'de achttien' hun appèl tot kerkelijke eenheid deden en waarop van meet af aan terecht kritiek geuit is - 'Bewogen door de verwachting van het Rijk Gods en de opdracht der kerk in de wereld zijn wij er gezamenlijk van overtuigd dat naar eenwording gestreefd moet worden' - moeten we constateren dat uitvoerige discussies en verlammende patstellingen weinig wervend voor de kerk geweest zijn, zowel naar binnen als naar buiten. Wie deelt daarom niet de door ds. Verboom uitgesproken schuldbelijdenis en verlegenheid? Daarbij kan niet ontkend worden dat ook onder onze jongeren het zicht op de kerk en haar belijdenis, op het verbond schaarser wordt, onder invloed van welke beweging of zuil dan ook. Ze ondergaan gemakkelijk een invloedssfeer die hen aanspreekt, veelal van evangelische snit.

Gemeente bewaren

Ondertussen herinner ik aan de zinsnede in de Nadere verantwoording inzake Samen op Weg, die het hoofdbestuurvan de Gereformeerde Bond kort na de vorige jaarvergadering naar de gemeenten stuurde, waarin beklemtoond werd dat het hart van de kerk daar klopt waar het Woord en de sacramenten zijn, en dat zij zich allereerst manifesteert in de plaatselijke gemeente. Wij weten ons geroepen in de huidige kerkelijke situatie de gemeente te bewaren bij de gereformeerde belijdenis, bij het getuigenis van de Schrift aangaande de gemeente. Ik pleit ervoor in een tijd waarin de kerk als instituut een geringere plaats krijgt toebedeeld op het scorebord van belangrijke levenszaken, kerk en gemeenten blijvend op elkaar te betrekken. We mogen hen niet loszien. De kerk is onmisbaar, als gestalte op weg naar het aanbreken van Gods Koninkrijk. En haar hebben we lief. Maar daarin gaat het om de gemeente, waarin de heerlijkheid van Christus openbaar dient te komen. 'Alleen het geestelijke oog doet ons de gemeente vinden, ' schrijft dr. W. Aalders (In verzet tegen de tijd, pag. 108). 'Wie dat geestelijke oog niet bezit, blijft vastzitten aan de buitenkant. Hij denkt als de Wijzen uit het Oosten dat de schriftgeleerden en priesters in Jeruzalem de gemeente zijn, terwijl de echte gemeente in Jeruzalem bestond uit Simeon en Anna, in Bethlehem uit de herders en Maria en Jozef, in Bethanië uit Maria, Martha en Lazarus.' Die gemeente bestaat niet los van de kerk, maar is te vinden in haar bedding, wordt bewaard in haar gang door de geschiedenis. Christus oefent in de kerk Zijn macht uit, maar Hij doet dat door de prediking van het Evangelie. Daarvan hangt het voortbestaan van de kerk af. Die overtuiging komt niet in mindering op de waardering van de ambtelijke vergaderingen. We weten ons daarin te staan in de gereformeerde traditie. Onze vaderen begeerden niet anders dan dat door die vergaderingen de gemeenten plaatselijk zouden worden gebouwd. 'Ten aanzien van synoden, maar ook ten aanzien van classicale vergaderingen zien we bij gereformeerden van de zestiende en zeventiende eeuw een opmerkelijke ijver, bijkans hartstocht', schrijft drs. K. Exalto ('Plaatselijke gemeente en algemene kerk', de Waarheidsvriend 29 april 1971). 'Men heeft wat afgesjouwd, van de ene vergadering naar de andere. Men is dagenlang, wekenlang ervoor op pad geweest. Eén voorbeeld: Gisbertus Voetius ging steeds van Heusden naar Gorinchem voor een classicale vergadering, ondanks de afstand en de Waal die ertussen ligt. En zij waren er dan toch steeds maar weer! Wil een gemeente plaatselijk beschermd zijn en kunnen groeien, dan is het nodig eenheid in geloof, het behoud van de zuivere leer, de handhaving van de ware religie, de voorziening in de predikantennood en zovele andere dingen meer, die op meerdere vergaderingen dienen te worden afgehandeld.' De betekenis van de gemeente moet benoemd worden als de plaats waar onder de uitrichting van de bediening der verzoening door het Evangelie de deur van de hemel opengaat (Calvijn). Daar functioneert de prediking. Dr. W. Balke verhaalt in een opstel over de eigenschappen van de kerk ('De kerk'; pag. 267) over de patriarch uit Griekenland, die zijn kerk in de begintijd van de Reformatie wilde verlaten. Hem werd door vooraanstaande gereformeerden geadviseerd om te beginnen met te ijveren voor een nieuwe bijbelvertalingen een ruimere plaats voor de prediking. Zo is onder invloed van de Reformatie in de Grieks-orthodoxe kerk een nieuwe bijbelvertaling tot stand gekomen en heeft een eeuw lang de prediking een belangrijkere plaats ingenomen. Balke eindigt met de vraag: 'Zouden wij vandaag nog de wijdheid hebben om zo op te treden?'

Al de gemeenten

In de verhouding tussen de kerk en de gemeente gaat het daarbij ook om al de gemeenten. De heidenapostel Paulus schrijft dagelijks overvallen te worden door de zorg voor alle gemeenten (2 Kor. 11). Dat betekent dat wanneer wij de kerk aanspreken op haar belijden, wij ons ook richten tot alle (hervormd-gereformeerde) gemeenten. Dat betekent dat ambtsdragers binnen de kerk ook verantwoordelijkheid dragen voor elkaar en we ons niet terugtrekken mogen binnen de eigen gemeente. De vraag is gewettigd of hier functioneert wat wij voorstaan. Is het niet zo dat wat vanuit onze gemeenten naar het geheel van de kerk gezegd wordt, alleen rechtens gezegd kan en mag worden als er inclusief gesproken wordt? Wie zelf niet op de juiste wijze tegenover God staat, mist de overtuigingskracht en de diepte in zijn spreken tegen anderen. 'Het is immers mogelijk dat men al maar roept: handhaving aan de belijdenis, maar innerlijk vreemd is aan het leven uit de belijdenis' (ds. G. Boer). Wat in de ambtelijke vergaderingen van de kerk omgaat, heeft zijn weerslag in de gemeente. Maar ook een negeren van die ambtelijke vergadering, heeft gevolgen voor de gemeente, in haar zicht op de kerk en in het bewaren van alle gemeenten bij haar belijdenis. Daarom mag de vraag klinken als een appèl of we er zijn op de plaatsen en posten waar we geroepen worden getuigenis te geven van het Evangelie van het kruis. Daar vertegenwoordigen we de gemeente waartoe we behoren én dienen we al de gemeenten. Het verdraagt zich toch niet met onze roeping als we weglopen zodra gereformeerde ambtsdragers in een gezamenlijke vergadering aanwezig zijn? Want ambtelijke leiding moét gegeven worden. Laten gebed en verantwoordelijkheid de twee pijlers blijven die onze kerkelijke positie dragen. Het één kan niet zonder het ander.

Roeping van de gemeente

De gemeente is in vele plaatsen in ons land gesmaldeeld. De groeiende verscheidenheid ook onder ons maakt dat het nakomen van de inspanningsverplichting om elkaar vast te houden, groter wordt. Spanningen waren er ook in de vroegchristelijke gemeente. Paulus stootte op Petrus, Jacobus op Paulus, jodenchristenen en heidenchristenen waren het niet eens, en Barnabas en Silas ervoeren verbittering. Maar tot lering van ons: men ontmoette elkaar en negeerde elkaar niet. Ik denk omdat ondanks verschil van inzicht, waarin de Heilige Geest de juiste weg gewezen heeft, het besef levendig was dat de gemeente toebehoorde aan Christus. Kan dat besef geen basis zijn voor kerkelijk gesprek en geestelijke ontmoetingen? Noodzakelijk is het dan wel blijvend aandacht te vragen voor wezen en identiteit van de gemeente. Binnen het bestek van deze inleiding moet ik me sterk beperken. Wellicht al te lang hebben we al stilgestaan bij de overigens ook cruciale relatie tussen kerk en gemeente, die onder ons onder druk dreigt te komen. Maar het is mijn verlangen om vandaag ook iets door te geven inzake de bijbelse roeping van de gemeente. Niet om nieuwe dingen te zeggen, maar als een appèl om elkaar te stimuleren te blijven bij wat de gemeente krachtens haar roeping is. Nu ze meer en meer minderheid in de samenleving geworden is, tot in de dorpse verbanden toe, nu toenemende verscheidenheid in haar midden gevonden wordt en er vragen gezet worden bij haar structuur, nu een gefragmentariseerd leven en toenemend individualisme de samenhang in de gemeente aantast, is het meer dan ooit nodig na te denken over haar wezen.

Ik zou kunnen inzetten bij de spiegel die Handelingen 2 ons voorhoudt, waar de vier onderdelen van het hart benoemd worden: de leer, de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden. Ik kies echter voor de Efezebrief, waar Paulus in hoofdstuk 4 de gemeente bidt om te wandelen met de roeping waarmee zij geroepen is. Dr. W. van 't Spijker heeft er de vinger bij gelegd dat het opvallend is dat niet gesproken wordt over de roeping waartoe, maar de roeping waarmee ('Eenheid in verscheidenheid? De identiteitscrisis binnen de Gereformeerde gezindte'; pag. 29) Prachtige gedachte! Dat is haar basis: om elkaar in liefde te verdragen, vol ijver van de Geest om de vrede te bewaren, te getuigen van de hoop, één te zijn in de Heere, in geloof, in de doop. Van 't Spijker vult die roeping in door te verwijzen naar een van de eerste godsdienstdisputen die in Zwitserland gehouden werden, namelijk in Bern 1528, waar als eerste van tien stellingen beleden werd: 'De heilige christelijke Kerk, waarvan het enige Hoofd Christus is, is geboren uit het Woord van God, en zij blijft daarin en hoort niet de stem van een vreemde.' Gehoorzaamheid aan het Woord is het continuüm in de geschiedenis van de gemeente. De gemeente is ontstaan door dat scheppende Woord en mag leven van de rijkdom ervan, opdat de heerlijkheid van Christus in haar midden zal schitteren. De voortgang van het werk zoeken we dus ook in 2001 in de Schrift zelf. Hoe aangevochten het getuigenis aangaande Christus ook is, van Zijn werk leeft de gemeente. Zijn kruis en opstanding hebben verzoening bewerkt. Daarvan zijn de Schriften vol. En daarom zal de gemeente alleen bij het Woord hebben te leven, hoe haaks de Openbaring ook lijkt te staan op wat in onze cultuur voor aannemelijk gehouden kan worden. 'De Vader Die Mij gezonden heeft, heeft Zelf van Mij getuigd, ' zegt Jezus in Johannes 5. En in het Hogepriesterlijk gebed bidt Hij dat Zijn gemeente mag blijven in de waarheid, mag vasthouden aan de belijdenis van Zijn Naam. Hooggestemd zijn de woorden waarmee de gemeente in de brieven wordt aangeduid: de heiligen, de uitverkorenen, de geliefden, de geroepenen, de bruid. Voordat Paulus de punt van zijn pen aangescherpt heeft om de verdeeldheid, de ontucht, de zedeloosheid of de ontheiliging van het sacrament te hekelen, noemt hij de gemeenteleden in Korinthe de geroepen heiligen. Moet hier niet veel meer de inzet gekozen worden, als wij over de gemeente spreken? Om zo als ambtsdragers in een voortdurend gebed tot God te worstelen om haar behoud? Om haar op te roepen te zijn tot wie zij in Christus is, wetende de schrikkelijke toorn voor hen die het bloed van de Zoon onrein achten? Om zo valse stichtelijkheid, bedreigende lauwheid of openlijke terzijdestelling van de geboden Gods aan de orde te stellen? Om de horizon van de gemeente te richten op het Koninkrijk Gods? Om haar eens als een reine bruid Christus te mogen voorstellen.

Ambten

Wie de continuïteit van een leven naar de Schrift zoekt in de roeping om naar Gods stem te horen en alzo te wandelen, zal de eenheid van de gemeente ook beleven in de van God geschonken ambten. De regering van de kerk heeft immers niets anders ten doel dan de gemeente te laten zijn tot wat zij krachtens haar roeping is: lichaam van Christus. Ook hier is de vraag legitiem of die eenheid der gemeente ook in het ambt beleefd wordt, waarin het profetische, priesterlijke en koninklijke van Christus' werk in de gemeente present is. Het gaat daarbij niet om formele bevoegdheid, maar om de volmacht om naar het Woord te spreken. Hier ligt in de neergang van het kerkelijke leven naar mijn mening de sleutel: om het Woord tot klinken te brengen, in het geloof dat de Heilige Geest garant staat voor de doorwerking in levens van mensen. Dat vraagt van allen die tot het ambt geroepen zijn de opdracht tot oefening in de verborgenheden van het geloof, getrouwheid, zelfverloochening, bewogenheid, opmerkzaamheid. En in het stimuleren van de gaven in de gemeente mag dit aan alle leden gevraagd worden. Dan komen verschillen van inzicht in de gemeente, noem het tegenstellingen, in een ander licht te staan.

De heerschappij van Christus in de gemeente heeft onze eerste passie te zijn, boven het kritiseren van synodaal beleid, een verlammend gesprek over het gezag van het ambt, de groeiende diversiteit in de gemeente. Wij kritiseren geen prediking of predikers, maar de prediking brengt ons leven tussen de polen van wet en evangelie. Gods akkerwerk is de gemeente. Hij werkt in haar, door middel van hen die de verhoogde Christus haar gegeven heeft, om op te roepen tot dienstbetoon. Wat is een ambtsdrager, wat is de gemeente, zonder de bediening van de Heilige Geest? 'Het ontvangen van de Heilige Geest is het wezenlijke en constitutieve element van de gemeente in de nieuwtestamentische bedeling. Dat is gemeente-zijn! (...) Is misschien niet de schaarsheid van het gebed in de gemeente het bewijs dat er nauwelijks meer geloofd wordt in de mogelijkheid van een doorbraak van het Woord Gods vol macht in de gemeente of de Kerk als geheel, waarbij allen worden uitgedreven tot schuldbelijdenis en tot vernieuwde en volstrekte gehoorzaamheid? Waar op deze zeer reële en concrete wijze niet meer voor de kerk en gemeente geloofd wordt en daarom voor haar gebeden en gewerkt wordt (en zeer velen kunnen het niet meer!), daar gelooft men niet meer in de Heilige Geest, die haar immers vergadert, maar ook beschermt en onderhoudt' (W. Aalders: 'De oer-christelijke gemeente'; pag. 16 en 141).

Eenheid

Die eenheid van de gemeente wordt ook gesymboliseerd door de ambten. Wie door Christus geroepen is, staat in Zijn dienst, om Zijn gezag te vertegenwoordigen in de gemeente, in pastoraat, diaconaat en apostolaat. De vraag is of dit representant zijn van Christus in de gemeente die leeft in een gedemocratiseerde samenleving, voldoende gezien en beleefd wordt. Zij zijn er immers voor niets anders dan dat de zin van Christus gehoord wordt. De ambtsdrager zelf heeft te beseffen dat hij in zijn dienst het geheel van de gemeente op het oog heeft. Hij is geen spreekbuis voor verontrusten, noch pleiter voor vernieuwingsgezinden. Dankbaar mogen we zijn voor de uitvoerige en gedetailleerde voorschriften voor hun verkiezing, opdat duidelijk blijve dat zij nimmer over de gemeenten heersen mogen. Onze gerichtheid op God, op Zijn werk in de gemeente, zal de onderlinge eenheid bevorderen en stimuleren. Paulus begint zijn brief aan de Galaten met de genade van Christus, 'Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader.' Vanuit Hem mogen we arbeiden, wetend dat de eenheid binnen de gemeente ligt verankerd in de eenheid in Christus en in God. Die eenheid is een zaak van geloof, een geestelijke zaak, maar dient vervolgens ook concreet gestalte te krijgen. Waar de mens en zijn ervaringen in het middelpunt komen, in welke vorm dan ook, waar hoogmoed en dwaalleer gevonden worden, wordt de eenheid gebroken, terwijl gehoorzaamheid aan de Schrift, een luisteren naar de stem van God, en een ootmoedige levenshouding de eenheid stimuleren.

Eusebius beschrijft in zijn kerkgeschiedenis - dit najaar in een nieuwe editie verschenen - dat een gebrek aan druk van buitenaf de christenen aan het einde van de derde eeuw deed vervallen tot ijdelheid en onverschilligheid. Hij schrijft: 'We werden jaloers op elkaar; de een verguisde de ander; op verschillende plaatsen bevochten we elkaar; zoals men lansen op elkaar mikt, zo hadden wij het met woorden op elkaar gemunt; de ene geestelijke leider was met de ander in conflict; het ene kerkvolk stond tegen het andere op; huichelarij, haast niet te beschrijven. Toen begon het goddelijk oordeel zich te laten gevoelen, later werden de gebedshuizen verwoest.' De geschiedschrijver merkt op dit te beschrijven, opdat zijn eigen én latere generaties er profijt van hebben. Daarom is eendracht zo nodig. Zoals de discipelen met de vrouwen en de broeders des Heeren eendrachtig bijeen waren. Biddend om de komst van de Heilige Geest, die in de waarheid leidt. Zowel de belofte van Christus als hun eigen onmacht deed hen samen bidden. Deze eendracht is nergens een doel in zichzelf, maar gericht op de lóf van God. Daarop moet al het werk in de gemeente en de kerk gericht worden. Dan is er ruimte voor een zekere verscheidenheid aan gaven, ons door God geschonken. Maar die verscheidenheid is er wel ten dienste van de eenheid in Hem, ten dienste van de opbouw van de gemeente. Die eendracht en eenheid hebben we te zoeken, ieder op onze eigen post, in de verlegenheid waarin we veelal zitten, gezien de verbrokkeling van het kerkelijke leven, gezien het zo gemakkelijk langs elkaar heen leven binnen de gemeente. Daar ligt bijbels onze roeping, het streven naar eenheid en eendracht op grond van de verzoening die Christus aangebracht heeft. Zijn werk brengt scheiding. 'Wie niet voor Mij is, is tegen Mij.' Eensgezindheid moet daarom gedragen worden door de liefde tot Christus.

Toekomst

Dan mogen we de kerk en de gemeenten ook veilig weten in Zijn hand. Dan leren we leven met de gebrokenheid van deze bedeling, niet om ons erbij neer te leggen, maar wel beseffend dat de trend in de samenleving dat alles maakbaar moet zijn, voor de kerk niet opgaat. Want de volkomenheid komt nog. Waar dat zicht ontbreekt, kunnen we elkaar ook kwijtraken. Een perfectionistisch geloofsleven en dito gemeenteleven is hier een utopie. Een ideale gemeente zou geen herders, geen ambtsdragers meer behoeven. Strijd tegen de zonde is een voortdurende oefening, in het geloof in de overwinnende kracht van de genade. Vermaning tot heilig leven is altijd weer nodig, overeenkomstig de waardigheid der gemeente als lichaam van Christus. Zo nemen we de gemeente serieus, in haar roeping van Godswege, maar evenzeer in haar verschijningsvorm. Zo zijn we gericht op de gehele gemeente, op haar welzijn, op haar Heere. Deze gemeente is verbonden met Christus, ook naar de toekomst toe. Hij heeft haar liefgehad, 'en Zichzelf voor haar overgegeven, opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.' Daarnaar mag zij uitzien, naar de tijd dat de gerechtigheid volkomen zal heersen. Ondertussen heeft zij de opdracht om alle volken te maken tot Zijn discipelen en zal haar levensstijl evangelisatie moeten zijn. En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis alle volken; en dan zal het einde komen. En wie volharden zal tot dat einde, die zal zalig worden.

P. J. VERGUNST

Inleiding, uitgesproken op de 95e jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, gehouden op woensdag 30 mei 2001 in Schakel in Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 2001

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

IJkpunten van identiteit

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 2001

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's