Globaal bekeken
Bij een bezoek van het bestuur van de 'Stichting Vrienden van het Cheider' aan Aalten, waar zich een synagoge en een joodse begraafplaats bevinden, memoreerde een lid van het bestuur een passage over Zwarte dood uit een boek van W. H. Heitling, De Achterhoek: Kriskras langs Berkel en Slinge:
'In Ruurlo wordt verteld dat er ooit een heer Van Roderlo moet zijn geweest, die verliefd werd op een joods meisje. Het hele dorp moet daar schande van hebben gesproken, maar de heer Van Roderlo ging zijn eigen weg. De straf bleef niet uit: de joden brachten de zwarte dood binnen Ruurlo en algauw kwam men handen te kort om de slachtoffers van de vreselijke ziekte te begraven. Het gevolg was natuurlijk dat de joden gruwelijk werden vervolgd. Er zijn allerlei lezingen van dit verhaal. De een zegt dat de joden het drinkwater vergiftigden, een ander maakt het nog mooier door te zeggen dat het jodinnetje de ridder een dodelijke kus gaf. Maar als de ridder werkelijk besmet is geworden dan zal hij dat wel te wijten hebben aan een doodgewone vlo, alle romantische verhalen spijt.
De Ruurlose legende werpt evenwel een duidelijk licht op twee fragmenten uit onze historie, de pestepidemieën en de jodenvervolgingen. Het tweede kwam dikwijls uit het eerste voort, want men moest een zondebok hebben. In 1603 werd gevraagd om een algemene boetedag omdat "die handt des Heren" was "verheven om ons ahn aller hoecken der Graefsschap mit swaere siekten der pestilentiën te besoecken". Een halve eeuw verder durfde men uit Barchem niet naar de kerk van Lochem te gaan omdat daar de zwarte dood heerste. In 1630, 1636 en 1666 worden epidemieën vermeld in de Achterhoek, maar er is geen enkel volledig overzicht over het optreden ervan in de geschiedenis, noch over het aantal slachtoffers. Alleen de verhalen over hofsteden, die meer dan een mensenleeftijd lang onbewoond bleven duiden op de omvang. Men zegt dat in de veertiende eeuw de helft van de Gelderse bevolking in korte tijd aan de pest is gestorven. De joden kregen de schuld. Dat de rattenvlo de pest overbracht kon men toen nog niet weten. Een andere vervolgde groep was die van de heidens; zigeuners zeggen we tegenwoordig. De naam heiden leeft nog voort in menig stukje grond waar zij hebben gekampeerd of waar zij werden terechtgesteld. Aanvankelijk waren ze feestelijk binnengehaald. Deventer en Zutphen hebben in hun boekhouding van de vijftiende eeuw posten voor het onderhoud van deze mensen. Er kwamen er echter steeds meer het afstropen en de aanvankelijke genegenheid keerde in het tegendeel. Men ging heidenjachten organiseren in de vorm van klopjachten. Wie zich verweerde werd ter plaatse doodgeschoten ; en misschien was hij er het beste aan toe. Want de anderen werden neus en oren afgesneden, sommigen werden gegeseld of ter dood gebracht, van enkelen werd het hoofd als afschrik op een paal gezet.
Zij werden het onderwerp van allerlei verhalen. In 1671 is te Arnhem de heiden La Fleur onthoofd, die in dronkenschap te Lochem iemand had gedood. De beroemde dokter Knikking in Groenlo had zijn kunst van de heidens geleerd, zei men. Nog op 24 mei 1726 is in onze streek een heidenjacht gehouden. Een compagnie uit Groenlo marcheerde uit Eibergen over Neede naar Gelselaar; ondertussen marcheerde de campagnie uit Bredevoort door het Ruurlose Broek eveneens naar Gelselaar, via Ruurlo. Gewapende knechten hadden de wegen afgezet, opdat geen heiden zou ontsnappen.'
***
In mijn artikel 'Naar de kerk, naar de kerk, zei de dominee' (17 mei II.) citeerde ik de versregel 'Mijn rechter buurman is vannacht gestorven, en ik heb nooit één woord tot zijn behoud gezegd'. Ik schreef die regels toe aan wijlen dr. Okke Jager. Een lezer knipte het al in de vijftigerjaren uit een blad. Het is waarschijnlijk wel geciteerd door Jager maar blijkt afkomstig te zijn van C. J. Nobel. De titel is Mijn buurman en de dood. Hier volgt het:
Mijn rechter buurman is vannacht gestorven,
hij had een maagkwaal en is doodgebloed.
Hij had zich hier een goed bestaan verworven,
ik vraag mij af, hoe hij het boven doet.
Hij was een trouw genoot en zorgzaam vader,
zijn doodsbericht laat daar geen twijfel aan.
Een boos gezwel zat op een hoofdslagader,
geen zorg of trouw maakt zoiets ongedaan.
Hij heeft gedacht aan hen die achterbleven,
een joch van drie en een nog jonge vrouw;
een assurantiepolis op zijn leven,
dat was dan voor 't geval hij sterven zou.
En dat is zo gebeurd; er was geen vechten tegen,
het flitsend mes van den chirurg ten spijt.
Hoe zwaar zal nu zijn zorg en trouw gaan wegen,
gewogen in de waag der eeuwigheid?
Ik vrees voor hem, dat hij zijn goede zorgen
slechts tot en met den dood heeft uitgestrekt,
het brood voor heden en de huur voor morgen
land en - dat verzekering niet alle schaden dekt.
Ik vrees, dat spijts deskundig overleggen
hij deze schade zelf niet heeft begroot.
Ik had ook, toen 't nog kon, hem moeten zeggen
zich te verzekeren voor na den dood.
Want 'k vrees, dat hij alleen en zeer verlaten
het goddelijk gericht moest ondergaan.
Wat kan, in dit gericht, een mens nog baten
als Jezus zélf niet voor hem in wil staan?
Doch, wat ook 't deel zij, dat hij heeft verworven,
het is voorbij, voor hem is 't pleit beslecht.
Mijn rechter buurman is vannacht gestorven,
en ik heb nooit één woord tot zijn behoud gezegd.
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 2001
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's