Globaal bekeken
Op de verlovingsdag van Willem Alexander en Maxima was u op paleis Noordeinde. Wat deed u daar? Deze vraag werd door de redactie van het Nederlands Dagblad gesteld aan majoor Bosshardtvan het Leger des Heils. Hier volgt het antwoord.
'Het had niks te maken met Maxima. Al sinds 1965 nodigt Beatrix mij een of twee keer per jaar uit. Nu was ik begin maart door de hoofdsecretaresse mevrouw Leendertse gebeld voor een afspraak op vrijdag de dertigste. Haar werkkamer grenst aan die van Beatrix. Aan de andere kant heb je dan nog een kamer waar vijf meisjes en een meneer werken. Mevrouw Leendertse zei toen ik kwam, dat het een beetje rommelig was. Maar eigenlijk was het secretariaat van Willem Alexander er drukker mee dan dat van Beatrix, en dus hadden ze me toch maar laten komen. Anders dan anders aten mevrouw Leendertse en ik dit keer niet in de kantine beneden, maar een paar straten verderop in een restaurant. Normaal eten we in de kantine van het paleis. Soms, als Beatrix tijd beeft, eet zij ook mee. We praten bijna nooit over politieke dingen. Wel hoe het bij het Leger is, hoe het met de kinderen gaat. Een paar jaar geleden zei ze nog dat het wel tijd werd dat Alexander ging trouwen.
We praten wat over het geloof. Ze heeft me wel eens verteld dat ze daar met mij makkelijker over kon praten. In haar kringen was dat een stuk moeilijker, zei ze. Een enkele keer at Claus ook mee. Hij zei dat hij wel geloofde, maar het erg moeilijk vond om erover te praten. Elke keer dat ze een kind kregen, heb ik ze een kinderbijbel cadeau gedaan. Steeds een andere. Daar was Beatrix wel blij mee. Ik ben gelukkig dat ze allemaal zo bewust geloven. Daarom vond ik die huwelijksdienst van Constantijn en Laurentien ook zo mooi. Ach, ik heb altijd wel gemerkt dat het een christelijk gezin was. Maar tegen mij kunnen ze natuurlijk ook anders praten dan tegen anderen.'
***
Bij het blad Marnix was een bijlage gevoegd, bevattende een uitgebreide beschrijving van leer en werk van ds. j. B. van Mechelen, in de 19e eeuw afgescheiden predikant te Holten, en vervolgens in Vrijhoeve-Capelle. Toen hij het beroep naar Vrijhoeve-Capelle- Sprang kreeg, stond men erop dat hij zich zou vertonen 'met steek, maar zonder baard':
'In voorgaande jaren had ik wel eens met zaken over de steek te maken gekregen, maar ik bezit er geen, omdat de gemeente te Holten dit niet vergde. Ik hechtte er niet meer dan middelmatige waarde aan en was bereid, als dat tot de dienst nuttig was, een hoed of een pet of een slaapmuts of een steek te dragen. Dit had ik de kerkenraad ten antwoord gegeven. Voorwaarde mijnerzijds was, dat de gemeente de kosten van aanschaf, 10 gulden, en het onderhoud nadien uoor haar rekening zou nemen. Dat werd aanvaard. Ik schakelde een collega in, die meer verstand van steken en hun fabrikanten had. Een knappe naaister vervaardigde enige nette beffen. Verder werd er gezorgd voor een lange strook fijn laken met zijden streep. Deze noem de men "mantel". Zelf dacht ik aan een strijkplank.
Het geheel werd gecompleteerd met een "korte broek" met zilveren gespen, zwarte zijden kousen en lage schoenen, wederom met grote zilveren gespen. Ik was dus van top tot teen een echte dominee uit de oude tijd. Voordat ik vertrok uit Holten liet ik mij eerst - zien in vol ornaat bij de eerdergenoemde vriend, de Koning van Holten. Eerst herkenden ze mij niet, omdat ik uit het halfdonker tevoorschijn kwam, maar toen ik in het licht trad, ging er een schaterlach op. Alle huisgenoten van de "Koning" waren eenstemmig, dat het een mooi geheel was, maar... zeiden ze: "Bij de steek past ook een deftig/effen gezicht". Dit vermochten ze blijkbaar niet aan te treffen. Nadat ik had beloofd hier proeven mee te nemen, feliciteerden ze mij met mijn steek. Voordat ik uit Holten vertrok, schoor ik mijn baard af, want ik wist van ouds, dat zij de baard het teken achtten van de onbesnedene van hart.
In zaken van ondergeschikt belang wilde ik aller dienaar zijn. Zonder ironie had ik aan de kerkenraad geschreven, dat ik bereid was zelfs een witlinnen hemd over al mijn kleren te dragen, indien dit voldoening zou geven. Ik voegde daar echter wel iets aan toe, namelijk, dat de kerkenraad hier geen verkeerde conclusies uit moest trekken, want "in andere zaken ben ik onverbiddelijk streng".
Ik kreeg van de kerkenraad wel permissie de "korte broek" te verruilen voor een lange; mijn motief, dat ik geen kuiten had en daar niet om uitgelachen wilde worden, vond de kerkenraad gegrond. Ik kreeg bericht, dat zij "tevrede waren met 'n steek". Alzo kon mij de mantel met twee haken aan de rok worden geknoopt onder de kraag, waardoor mijn rugzijde tot de kuiten werd gedekt. Mijnerzijds wees ik ook een voorbeeld van mijn strengheid aan. "Wanneer gij nog de gewoonte hebt, voordat gij naar de vergadering gaat, die-en-die '"Moeders-in-lsraèl" te gaan vragen hoe de zaken moeten behandeld worden... en na afloop der vergadering haar gaat vertellen, hoe ze behandeld zijn... en wat die-en-die broeder gezegd heeft, dan zullen we spoedig ruzie hebben." Met zo'n geschoren gezicht en voorzien van een steek deed ik dus intrede en maakte op een manier entree, die mij tot dusver tamelijk vreemd was.'
V.D.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's