Over de christelijke vreemdelingschap [2]
'WIJ ZIJN HIER VREEMDE GASTEN'
Maatschappelijke verantwoordelijkheid
Als we inzicht willen krijgen in de roeping van een christen in deze wereld, dan is ook de eerste brief van Petrus van groot belang. Hij schreef, net als Jeremia, zijn brief aan ballingen, aan hen die in de diaspora, in de verstrooiing zijn. Petrus schrijft zijn lezers aan als vreemdelingen. Hij gebruikt dan onder meer het woord paroikos (inwoner, bijwoner). Een christen is in deze wereld geen politès, geen burger, geen ingezetene, die hier zijn thuisland heeft. Maar hij is ook geen xenos, geen volstrekte vreemdeling of vijand, die met zijn omgeving niets te maken heeft, en daar ook geen verantwoordelijkheid voor draagt. Tussen de politès en de xenos staat de paroikos.
Met grote klem bindt de apostel zijn lezers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op het hart. Hoezeer ook vreemdelingen, ze maken deel uit van de samenleving, en daar moeten ze hun plaats innemen. 'Zijt alle menselijke ordening onderdanig', schrijft Petrus (1 Petr. 2 : 13). De nadruk bij het woord hupotassomai ligt niet op het voorvoegsel hupo ('onder') maar op het werkwoord tassomai dat zoveel betekent als: je voegen in een bepaalde orde. Petrus' vermaan richt zich niet zozeer tegen rebellie, als wel tegen emigratie. De spits van de vermaning is niet: je mag niet in opstand komen, maar: je mag je niet onttrekken aan de samenleving met haar instituties. Participeer daarin, neem je verantwoordelijkheid in de verbanden van de samenleving, in gemeentebestuur en ouderraad, in winkeliersvereniging en ondernemingsraad.
In deze verbanden zal een christen een levende getuige en een leesbare brief van Christus dienen te zijn. Hij moet participeren zonder te assimileren. Want hoezeer de christenen hun plaats ook in de samenleving moeten innemen, tot hen komt tegelijk het apostolisch vermaan om zich te onthouden van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel (1 Petr. 2 : 11). Dat is de kritische distantie. Een vreemdeling past zich niet aan aan de heersende moraal. In de maatschappelijke ordeningen levend, hebben ze te wandelen in vreze de tijd van hun inwoning (paroikia). Niet in mensenvrees, maar in de vreze des Heeren. Deze vreze Gods wordt echter niet beoefend in een kloostergemeenschap, maar staande midden in de maatschappij.
Hemelse wandel
En wie daar staat, ervaart de vervreemding. Zo was dat voor de eerste lezers van deze brief. En zo is dat ook vandaag. Wie ervaart die vervreemding niet, in onze moderne van God losgeslagen samenleving? Vreemdelingschap betekent ook vandaag dat we ons onthouden van de vleselijke begeerten, van de afgoderijen van het moderne leven, in hedonisme (genotzucht) en consumptisme, in sportverdwazing en sexverslaving, in allerlei vormen van goddeloosheid en wetteloosheid. Wie door een willekeurige winkelstraat loopt, of kennis neemt van het programma-aanbod van de commerciële tv-zenders, of wie wat rondsurft op internet ervaart toch een stuk vervreemding. In wat voor wereld leven wij? En zo oordelen wij niet in geestelijke hoogmoed, want we zijn van dezelfde lap gescheurd. Echter, als het goed is, ook losgetrokken, losgekocht uit onze ijdele wandeling en gezet in de adelstand van de kinderen Gods. Hemelburgers.
Maar adeldom verplicht. Dan hebben onze Statenvertalers toch gelijk als ze het woord politeuma in Filippensen 3 vertalen met 'wandel'. Met het hemelburgerschap correspondeert een hemelse wandel, een hemelse stijl van leven. Dan wordt het leven in de vreemdelingschap heel concreet. Niet geforceerd, in allerlei buitenissigheden. Christenen zijn geen antieke wereldvreemde figuren die drie modes achterlopen en de taal van een paar eeuwen geleden spreken. Dat werpt alleen maar drempels op voor hen die (nog) buitenstaan. Ze hebben geen hang naar het verleden. Christenen zijn geen mensen die terugzien, maar vooruitzien. Het heimwee richt zich niet op het verleden, maar op de toekomst. Het gaat om een christelijk vreemdelingschap. Een vreemdelingschap dat wordt beleefd en geleefd in de verbondenheid aan Christus en in de navolging van Christus.
In de navolging van onze Zaligmaker hoeven we de vreemdelingschap niet te zoeken, ze wordt ons opgedrongen in een samenleving als de Nederlandse die zo zeer aan het Woord van God ontzonken is. Wie leven in de vreze des Heeren, wie wandelen naar Gods gebod, worden in deze wereld meer en meer als 'vreemde gasten' bestempeld. Een bruidspaar dat rein het huwelijk ingaat, en elkaar niet eerst 'op proef neemt, wordt wat meewarig aangekeken. Wie zich teweer stelt tegen de verruiming van de euthanasiewetgeving plaatst zich buiten de politieke en maatschappelijke discussie. Onze minister Borst heeft het contact met zulke mensen allang verloren. En haar collega-minister noemt ze onaanvaardbaar onverdraagzaam.
Vreemdelingenhaat
De apostel vermaant zijn lezers heilig te leven. Niet in een onvruchtbaar isolement. Het vermaan heeft juist een missionaire strekking. De apostel roept zijn lezers op een zegenende houding aan te nemen ten opzichte van hen die buiten staan. Die zegenende houding sluit niet uit maar in dat christenen in de huidige godloze cultuur ook steeds vaker geroepen zijn een profetische protesthouding aan te nemen. Het stil protest in Den Haag was daar een goed voorbeeld van. De tijd van de grote ontkerstening lijkt aangebroken. Maar toch... van het ideaal onze samenleving waar mogelijk onder het beslag van Gods Woord te brengen mogen we nooit afstand doen. De aarde en haar volheid is des Heeren. Daarmee zijn christenen geen optimistische wereldverbeteraars. Petrus weet dat het anders-zijn van christenen uitloopt op het conflict. Hij schrijft: de wereld houdt zich vreemd als je niet meeloopt. Wij leven in een land waarin niets vreemd gevonden wordt zolang het maar maatschappelijk geaccepteerd is. Maar die godzalig leven wil naar het Woord van God wordt vreemd gevonden. Die gehoorzaam aan Gods geboden een andere denkrichting en een ander leefpatroon hebben, worden vreemd gevonden. Dan houdt men zich vreemd, schrijft Petrus. Daar wordt een woord gebruikt dat is afgeleid van xenos. Net zoals ons woord xenofobie...
Vreemdelingschap leidt vanzelf tot vreemdelingenhaat. De situatie van de gemeente vandaag lijkt identiek aan de situatie van de eerste lezers van Petrus' brief. Misschien is het vandaag nog moeilijker. Petrus schreef in een voorchristelijk tijdperk. Wij leven in een wereld die in menig opzicht een postchristelijk karakter draagt. Een samenleving die leeft uit het beginsel van de ontkenning (dr. W. Aalders). Een samenleving waarvan de kracht en vreugde ligt in afbraak en protest. Denk aan het onverholen paarse triomfalisme bij de steeds verdere afbrokkeling van christelijke waarden en normen.
Onaangepast
Petrus bereidt zijn lezers erop voor dat de heilige wandel vanzelf tot een botsing leidt met de omgeving. In de klas, in de beroepsuitoefening, in Eerste en Tweede Kamer. Waarom? Omdat de vreemdelingschap op aarde door de wereld als vijandschap wordt ervaren. Dit was zo in Petrus' dagen. Christenen zondigden tegen de grondregel van de hellenistische wereldbeschouwing: het principe van harmonie en vreedzaam samenleven. Christenen waren nonconformisten, onaangepaste figuren. Hinderlijke dwarsliggers op het platgetreden pad. De afzondering van de goddeloze levensstijl werd beschouwd als haat tegen het mensengeslacht.
Zien we iets dergelijks niet ook vandaag? Het dogma van de tolerantie wordt verabsoluteerd. Wie zich beroept op absolute waarden en normen stuit op steeds heftiger verzet. Het leven naar Gods Woord wordt beschouwd als onaangepast gedrag. Er wordt al gesuggereerd dat er inburgeringscursussen moeten komen om allochtonen de waarden van de Nederlandse liberaal-seculiere samenleving bij te brengen. Dit om hun integratie in onze samenleving te bevorderen. Wacht christenen die die waarden niet delen straks hetzelfde lot?
Refo-zuil
Toch ligt in de brief van Petrus alle nadruk op de wervende houding die een christen moet aannemen. Maak van de nood een deugd, lijkt de apostel te zeggen. Het conflict met de omgeving biedt de kans om eigen normen te verhelderen en buitenstaanders te winnen voor Christus. Een christen is opvallend anders. En als dat anders zijn vragen oproept, moet hij bereid zijn rekenschap af te leggen van de hoop die in hem is. Dat is vandaag niet anders. Laten we ons leven daaraan toetsen. Maar moeten we hierop niet ook de reformatorische zuil beoordelen, die onder ons is opgericht? Ik denk aan allerlei instellingen met een gereformeerde grondslag als RD, Eleos, RMU, en het reformatorisch onderwijs.
Daar valt ongetwijfeld veel goeds over te zeggen. We zijn in ons land bevoorrecht met de mogelijkheid om ons als christenen te organiseren zeker op terreinen waar levensbeschouwing een grote rol speelt. Dat neemt het gevaar niet weg dat we door deze zuilvorming ons kunnen opsluiten in een reservaat, in een zelfgenoegzaam en onvruchtbaar isolement. En dat is niet minder dan een anticipatie, een vooruitgrijpen op het Koninkrijk. En net zozeer als wereldgelijkvormigheid een loochening van de vreemdelingschap. Je terugtrekken in een refo-zuil is wat anders dan de bijbelse vreemdelingschap uideven. We hebben ons vandaag meer dan ooit te hoeden voor een gettomentaliteit waarbij wij ons opsluiten in eigen kring. Waar de godzalige wandel door de Geest zo gauw verwordt tot een groepscode bestaande uit allerlei regels en vormen. En hoe minder dergelijke regels aan Gods Woord getoetst worden, des te willekeuriger worden ze.
Het is niet denkbeeldig dat door de toenemende secularisatie straks ook de refo-zuil zal worden afgebroken. Dat is op zich geen reden tot paniek. Een reformatorische zuil kan gemist worden. Maar als dat gebeurt, zal alleen een vernieuwd leven uit Christus door de Geest stand kunnen houden. Zullen wij daarin niet onze kracht moeten zoeken? Zijn wij als christenen voorbereid op een situatie waarin we • als christenen steeds meer uit de toon zullen vallen omdat we begeren te leven op de toonhoogte van het Woord? Het is voluit bijbels dat het lijden inherent is aan het leven van een christen. Zullen wij in onze tijd niet moeten gaan leren, wat christenen in andere delen van deze wereld al geleerd hebben? De gemeente van Christus is gemeente onder het kruis. Tot lijden gewillig, want ze zien op de vergelding des loons.
Ligt daarin ook voor de ambtsdragers onder ons niet een machtige taak om in prediking, pastoraat en catechese de gemeente daarop voor te bereiden, daarin weerbaar te maken en daarvoor toe te rusten tot een leven als lichtend licht en zoutend zout in deze wereld?
H. RUSSCHER, OUD-BEIJERLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's