De waardering van de Augsburgse Confessie [I]
Onlangs gaf ds. C. J. P. van der Bas een brochure in het licht over De Augsburgse Confessie, onder de gelijknamige titel, waarin hij dit belijdenisgeschrift aan een kritisch onderzoek onderwerpt en tot een beoordeling komt die nagenoeg tegengesteld is aan de waardering die ik in deze kolommen indertijd kenbaar maakte. Ofschoon aan de brochure een uitvoerige oriëntatie ten grondslag ligt, had ik bij de lectuur toch het gevoel dat aan de diepste intenties van Melanchthon onvoldoende recht werd gedaan en dat deze interpretatie om een reactie vroeg. Die reactie zette ik op papier.
Alvorens die te publiceren, vond schriftelijk overleg plaats met collega Van der Bas en arrangeerden we een ontmoeting, waarbij we een langdurig en openhartig gesprek hebben gevoerd. Hoe broederlijk het verloop van deze samenspraak ook was, het verschil van inzicht bleef op belangrijke punten bestaan. Ik wil nu proberen om duidelijk te maken hoe ik, ook na herhaald overleg, bij mijn positieve visie op de Augustana meen te moeten blijven.
Voordat ik inhoudelijk op de brochure inga, lijkt het me dienstig om enkele opmerkingen te laten voorafgaan over de manier waarop ik zelf met de Augustana omga.
Ten eerste. Bij het lezen van dit belijdenisgeschrift ben ik vooral gespitst op de theologische kernen en het vroomheidsgehalte ervan. Wat die kernen betreft ben ik tot de overtuiging gekomen, dat de Augustana een waardig reformatorisch geluid laat horen. En de vroomheid die zij ademt, roept bij mij zoveel herkenning op, dat ik die van harte kan combineren met de 'religie' van onze gereformeerde confessies. De houding waarin ik de Augustana lees is dus deze, dat ik daarin de geloofsinhoud en de geloofsbeleving van kerk en eigen hart vertolkt weet.
Ten tweede. De Augustana is niet het eindpunt, laat staan het toppunt van het reformatorische belijden. Ze is er wel een beginpunt van. Hiermee duid ik op twee aspecten. Om te beginnen dat de vreedzame en voorzichtige opstelling van Melanchthon in dit vroege stadium van de Reformatie valt te begrijpen én te respecteren. Men was met Rome, juist toentertijd, nog in gesprek. Om de dialoog zowel eerlijk als wervend te voeren, stond Melanchthon voor de mijns inziens vaak onderschatte taak om enerzijds niets van de reformatorische beslissingen prijs te geven, en anderzijds zoveel mogelijk te articuleren dat de Reformatie voluit in de traditie van de kerk der eeuwen stond. Zij was geen schisma en nieuwlichterij, maar reformatio, herstel en wederkeer. De wijze waarop Melanchthon zich van deze zware taak gekweten heeft, dwingt respect af.
Dat de Augustana geen eindpunt, maar startpunt van het reformatorische belijden is, betekent vervolgens ook, dat dit belijden in de loop der jaren is aangevuld, verhelderd en aangescherpt. Daar mag men dankbaar voor zijn. Het zou dan ook dwaasheid zijn om latere reformatorische confessies in te ruilen voor de Augustana omdat zij de oudste is. Maar ik vind het niet fair om de zuiver reformatorische teneur van deze vroege belijdenis vanwege haar incompleetheid te miskennen.
Ten derde. Natuurlijk heb ik me afgevraagd of dit respect voor de Augustana wel spoort met de kritische kanttekeningen waarmee Calvijn en de Nederlandse gereformeerden - én ondanks zijn hoge lof zelfs Luther al - hun waardering lieten gepaard gaan.
Ben ik niet welwillender dan zij? Ik denk het inderdaad. Maar dat heeft een reden. Terwijl hun kritiek werd ingegeven door wat de Augustana mist (namelijk volledigheid, aanscherping van de polemiek), is mijn waardering gebaseerd op wat zij biedt (namelijk een klaar getuigenis van vrije genade). Hiermee wil ik niet ontkennen dat de calvinistische bezwaren tegen de Augustana van inhoudelijke aard waren. Zoals gezegd misten de gereformeerden er een heldere toespitsing in, met name betreffende de wijze waarop Christus in het Avondmaal tegenwoordig is. Daarom dachten zij er - zoals collega Van der Bas terecht schrijft - niet over, om de NGB in te ruilen voor de Augustana en deze tot grondslag van de kerk te maken. Daar zou ik ook vandaag bepaald geen pleidooi voor willen voeren. Maar een heel andere kwestie is, of de grondslag van de kerk wordt aangetast, wanneer de Augustana wordt toegevoegd aan de inmiddels tot een drietal uitgegroeide gereformeerde confessies. En dat is naar mijn oordeel niet het geval.
Hier komt nog iets bij. Dat de Nederlandse gereformeerden in de 16de eeuw, ondanks het aandringen van Oranje, pertinent weigerden om de Augustana te aanvaarden, is gezien de politieke constellatie van hun tijd begrijpelijk. In hun verzet tegen de Spaanse overheid wisten zij zich geruggensteund door hun gereformeerde confessie. Aanvaarding van de Augustana zou een toenadering hebben betekend tot de lutherse visie op de verhouding van kerk en staat, een visie die het recht van opstand minder ruimte bood dan de calvinisten lief was. Zo'n toenadering zou aan hun vrijheidsstreven afbreuk hebben gedaan. Hun eigen belijdenis en kerkorde stonden model voor de ontwikkelingen in de Nederlandse situatie. Het lijkt mij toe dat niet theologische, maar vooral politieke motieven uiteindelijk de doorslag hebben gegeven.
Ten vierde. Mijn benadering is duidelijk een andere dan die van collega Van der Bas. Terwijl deze op zoek is naar passages waarin Melanchthon het gesprek met Rome niet wilde blokkeren, wil ik juist de momenten op het spoor komen die de centrale heilswaarheden van het reformatorische belijden vertolken en die harmoniëren met geest en hoofdzaak van de gereformeerde confessies. Mijn leesbril is dus een andere. Hier komt nog bij dat de brochure uitgebreide aandacht geeft aan de receptie (ontvangst, verwerking en beoordeling) van de Augustana. Vandaar dat de evaluatie in de secundaire literatuur zo'n ruime plaats krijgt toebedeeld. Hoewel op deze manier veel belangwekkende informatie wordt aangereikt, blijft naar mijn besef toch onderbelicht wat Melanchthon zelf nu precies heeft geschreven, en vooral hoe hij uitdrukkingen die op het eerste gezicht voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, in andere passages verheldert.
Zoals ik in de inzet van mijn artikelenreeks destijds al opmerkte, is mijn leesmethode zo, dat ik de tekst van de Augustana zelf wil aftasten, tekst met tekst vergelijkend. Natuurlijk kan dat niet buiten heel de historische context om. Juist in het licht van de politiekkerkelijke situatie krijgt de tekst te meer reliëf. Maar om die tekst was en is het me te doen. Wat door Melanchthon, midden in die netelige en cruciale tijdspanne, aan kostbaar geloofsgoed is beleden, dat intrigeert me en raakt mijn hart.
Ik ga nu over tot een evaluatie van de brochure, waarbij ik me concentreer op de hoofdpunten die in het geding zijn.
Sola scriptura
Formeel wordt in de Augustana dit grondprincipe niet op formule gebracht. Maar materieel is het op vele plaatsen aan de orde. Telkens en telkens wordt de Schrift als exclusieve bron en norm tegenover menselijke gewoonten en insluipsels gesteld. Het slot van deel I spreekt duidelijke taal. In de Duitse versie schrijft Melanchthon dat 'onze leer is gegrond in de Heilige Schrift', en daaraan voegt hij toe dat deze leer bovendien in overeenstemming is met de Katholieke Kerk, 'voor zover uit de geschriften van de kerkvaders valt te noteren'. Dat de grond van de leer in de Heilige Schrift is gelegen, betekent niets minder dan dat de Schrift normatief is. Dit normkarakter geldt niet de kerkvaders. Met hen wordt overeenstemming beleden. Ook de slotwoorden van deel II laten een geluid horen dat niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is: 'Wie nadere informatie verlangt, kan die iuxta scripturas (naar de Schriften) krijgen'! Maar waar komt dan bij Melanchthon die herhaaldelijke nevenschikking van Schrift en Traditie vandaan? Die is verankerd in de gemeenschappelijke overtuiging van de hele Reformatie - met uitzondering van de 'linkervleugel', de Dopers - , dat de Schrift weliswaar volstrekt normatief is, maar dat bij haar verstaan en vertolken dankbaar gebruik is te maken van de uitleg die in de klassiek-katholieke traditie (vooral de kerkvaders) was geboden, voor zover die althans met de doctrina van de Schrift accordeerde. Dat deze nevenschikking voor Melanchthon gelijkwaardigheid zou behelzen, is allerminst het geval.
Trouwens, ook in de Romana zeifis er vanouds een belangrijke stroming geweest die Schrift en traditie beschouwden als respectievelijk bron en bedding, en die het beslissende gezag van de Schrift onderkende en onderschreef. Bij déze beweging sloten de reformatoren zich aan, wanneer zij Schrift en traditie na en naast elkaar schikten. Mijns inziens wordt ons hier de sleutel aangereikt om de Augustana op dit punt te verstaan. Men kan het betreuren dat de rangschikking van Schrift en traditie niet uitdrukkelijk en afzonderlijk wordt geformuleerd, maar hieruit te concluderen dat Melanchthon de gedachte van hun gelijkwaardigheid niet onder kritiek stelt, is strijdig met de tekst en de geest van zijn confessie.
Vrije wil
De Latijnse tekst van de Augustana formuleert, dat de menselijke wil zonder de Heilige Geest geen kracht heeft (non habet vim) tot geestelijke gerechtigheid. Collega Van der Bas interpreteert dit als volgt: 'De indruk wordt gewekt alsof er in de mens wel een neiging tot die geestelijke rechtvaardigheid is overgebleven. Maar die is te zwak om zonder de hulp van de Heilige Geest die rechtvaardigheid tot stand te brengen. Het woordje 'hulp' heeft een zwakkere betekenis dan wedergeboorte'. Tot zover de brochure. Nu komt dit woordje 'hulp' in de (Latijnse) tekst echter niet voor. Er staat: 'zonder de Heilige Geest'. En dan niet: 'Zonder de Heilige Geest heeft de wil niet genoeg kracht, maar: 'géén kracht (ten goede)'. In de Duitse versie is het woord 'hulp' wél opgenomen, maar dan zó dat alle misverstand wordt uitgesloten: 'Ohne Gnad, Hilfe und Wirkung des Heiligen Geistes vermag der Mensch nicht Gott gefallig zu werden'. Dus als er van 'hulp' sprake is, dan slaat dat niet op een (semipelagiaanse) 'helpende genade', maar is het woord 'hulp' een synoniem van genade en Geesteswerking. Naar mijn overtuiging wordt hier niets minder beleden dan de wedergeboorte door de Heilige Geest. Want als het nu zonder de Heilige Geest niet tot godsvrucht komt, dan is daarmee toch meteen beleden, dat het door de Heilige Geest is, dat het er wél toekomt. Let wel: Melanchthon schrijft niet: door ons met behulp van de Heilige Geest, maar door de genade, hulp en werking van de Geest. Dat 'onze confessies' hier inhoudelijk radicaler zouden zijn, kan ik niet inzien.
Het is dienstig om hier het Augustaanse art. 20 bij te betrekken, waarin gesteld wordt dat de gevallen mens zonder de Heilige Geest 'te zwak is om goede werken te doen'. Dat woordje 'zwak' klinkt, in onze oren althans, nogal mild. Maar wat Melanchthon met die zwakte bedoelt, blijft niet in het vage. Hij legt namelijk uit, dat het hart van de natuurlijke mens in de macht van de duivel is en dat zijn pogingen tot deugdzaamheid uitlopen op grote en openlijke ongerechtigheden - geheel in overeenstemming met art. 2 over de erfzonde. Melanchthon voegt eraan toe: 'Zo staat het erop met de (krachteloze) mens, zolang hij het geloof en de Heilige Geest mist en alleen door eigen menselijke kracht wordt geregeerd'! In Melanchthons toelichting (art. 2) op de Augustana formuleert hij, dat de inwendige boosheid niet ophoudt te regeren, zolang men niet door Geest en geloof is wedergeboren.
Rond de kwestie van de burgerlijke gerechtigheid leert de Augustana dat de menselijke wil na de zondeval een zekere vrijheid (aliquam libertatem) heeft om burgerlijke gerechtigheid te beoefenen en om keuzes te maken die aan het verstand onderworpen zijn. Het is een zienswijze die door geen der reformatoren ooit is afgezwakt. Ik kan collega Van der Bas niet volgen als hij daar als voorbeeldig model tegenover stelt wat Dordt belijdt, namelijk dat de mens enig licht rest, waardoor hij nog enige kennis van God en enige betrachting tot deugd en tucht heeft. Ik denk dat op deze manier de reikwijdte van de algemene genade in Dordt juist aanzienlijk ruimer wordt ingeschat dan in de Augustana. De uitdrukking 'enige Godskennis en deugdbetrachting' gaat verder dan 'de beoefening van burgerlijke, alledaagse gerechtigheid'. Ook wanneer Dordt aantekent dat het licht der natuur zelfs in burgerlijke zaken niet recht gebruikt wordt, heeft dit zijn onmiskenbare (maar radicaler geformuleerde) parallel in het zojuist geciteerde, namelijk dat de pogingen van de natuurlijke mens tot deugdzaamheid neerkomen op ongerechtigheid.
A. DE REUVER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's