De waardering van de Augsburgse Confessie [2]
De Heilige Geest verliesbaar
Wat kan Melanchthon ermee voorhebben om de gedachte te veroordelen, dat de Heilige Geest niet verliesbaar is? Indertijd heb ik daarover geschreven, dat ik het niet aannemelijk acht dat de Augustana met 'verlies van de Geest' front zou maken tegen de gereformeerde leer van de volharding. Gezien Melanchthons voortdurende verzet tegen de Dopers, en getuige zijn uitdrukkelijke adressering aan Dopers hier (Latijnse tekst), denk ik namelijk dat hij opponeert tegen de doperse stelling dat de rechtvaardigen immuun zijn voor zonde en afval - en dus voor het verlies van de Geest - , omdat naar hun mening deze gelovigen delen in de goddelijke natuur en dus 'volmaakt' zijn. Het vervolg van de omstreden zinsnede doet sterk in deze richting denken. Daarin wordt immers het doperse perfectionisme expliciet afgewezen. Ik beweer niet dat deze interpretatie dwingend is, maar geloof stellig dat ze voor de hand ligt. Het oogmerk van deze passage een totaal andere is dan dat van Dordt. De Leerregels gaat het bij de 'volharding der heiligen' om de betrouwbaarheid van Gods zaligmakende genade: wat Hij begint, voltooit Hij. Melanchthon gaat het om de verwerpelijke aanmatiging van de Dopers die pretendeerden over de Heilige Geest te beschikken. Dordt voegt de bekommerden vertroostend toe: God laat niet varen de werken van Zijn handen! De Augustana wijst de zelfverzekerden - wellicht in het spoor van Hebr. 6 - scherp terecht: wie de Heilige Geest denkt te kunnen claimen, vergist zich deerlijk!
Sacrament en geloof
Melanchthon schrijft dat de sacramenten geloof 'wekken en versterken'. Dit 'wekken' wordt in de brochure gelezen als: 'werken', 'scheppen', en vervolgens als ongereformeerd bekritiseerd. Nu gebruikt de auteur echter het woord 'wekken', in het Latijn excitare. Dat ik dit woord versta als 'opwekken', 'aanwakkeren', is geen verlegenheidsoplossing, maar ten eerste aan het Latijnse woordenboek ontleend, en ten tweede vooral ingegeven door wat Melanchthon zelf letterlijk verklaart omtrent de schépping van het geloof (art. 5). In dit geval gebruikt hij namelijk niet het woord 'wekken' (excitare), maar het woord 'tot standbrengen' (efficere). En deze schepping van het geloof vindt plaats door de Heilige Geest middels het gehoorde Woord. Naar mijn inzicht pleit er veel voor om de tekst als volgt te interpreteren: de Geest schept het geloof door het hoorbare Woord, dat door het sacrament als zichtbaar Woord wordt onderstreept. Heel opmerkelijk is in dit verband de formulering in art. 24, dat het Avondmaal is ingesteld opdat het geloof zich voor de geest haalt (gedenkt) de weldaden die het door Christus ontvangt. Dus aan het Avondmaal wordt niet het geloof ontvangen, maar ontvangt het geloof Christus' weldaden. Dat de gereformeerde confessies expliciet spreken van geloofsverwékking door Woord en Geest, en van geloofsverstérking door het sacrament, staat mede in het teken van de vermaning dat van de sacramenten alleen in geloof met vrucht is gebruik te maken. Het opmerkelijke is dat ook Melanchthon dit woordelijk neerschrijft: alleen in het geloof worden de sacramenten recht gebruikt (art. 13).
Maar hoe staat het dan met een zinsnede uit Melanchthons Apologie (de nadere verklaring van de Augustana, 1531)? In de bedoelde passage verklaart Melanchthon namelijk dat Woord en sacrament dezelfde werking uitoefenen. De vraag is echter, in welk verband deze uitspraak wordt gedaan. Melanchthon is hier bezig om de hoge waarde van de sacramentele tekenen te onderstrepen. Hij schrijft dan dat de uiterlijke tekenen daartoe zijn ingesteld, opdat daardoor de harten worden bewogen (Latijn: dat God daardoor de harten bewege), namelijk door het Woord en de uiterlijke tekenen tegelijk, opdat wij, wanneer wij worden gedoopt en het lichaam des Heeren ontvangen, geloven dat God ons waarlijk genadig wil zijn, zoals Paulus zegt: 'Het geloof is uit het gehoor'. De tekenen van het sacrament hebben dus dezelfde bedoeling ('opdat'!) als de Woordverkondiging. Evenmin als het Woord werken zij automatisch. Maar evenals door het Woord wil God door de sacramenten de harten bewegen tot geloof in Zijn genade. Melanchthon vervolgt dan: 'Zoals het Woord in de oren ingaat, zo wordt het uiterlijke teken ons voor ogen gesteld, om het hart inwendig tot geloof te bewegen'. En dan haalt hij de befaamde 'regel' van Augustinus aan, dat het sacrament een zichtbaar Woord is (verbum visibile), waardoor hetzelfde wordt betekend als in het Woord, namelijk dat God ons waarlijk genadig wil zijn in Christus. Zó 'beweegt God onze harten door Woord en sacrament tegelijk', opdat wij geloven wat wordt gezegd en uitgebeeld. Het gaat hier volstrekt niet om de kwestie van de herkomst van het geloof, maar om de vraag wat wij geloven mogen als ons de tekenen worden uitgereikt. Kort en goed luidt dan het antwoord, dat ons daardoor 'hetzelfde wordt betekend als wat door het Woord wordt gepredikt'. In die zin hebben Woord en sacrament dezelfde inhoud en intentie en hetzelfde effect.
De doop heilsnoodzakelijk
Met de formulering dat de doop heilsnoodzakelijk is, wil Melanchthon mijns inziens het (in dit verband met name vermelde) doperse verzet tegen de kinderdoop bezweren. De pointe van zijn uitspraak is stellig niet dat een ongedoopt kind per definitie verloren gaat - van een nooddoop wordt dan ook niet gerept - , maar dat men de kinderdoop op geen manier zal devalueren. Zijn bedoeling is mijns inziens geen andere dan die van de Heidelberger, die de noodzaak van de kinderdoop onderbouwt met de verwijzing naar (de uiterst rigoureuze strekking van) Genesis 17 : 14. Elke vrijblijvendheid in dit opzicht is contrabande. In dit verband merk ik op dat de uitleg die de brochure aan art. 12 geeft, naar mijn overtuiging geen recht doet aan de tekst. Melanchthon schrijft hier dat zij die na hun doop gezondigd hebben, vergeving ontvangen wanneer zij zich bekeren. De conclusie die in de brochure wordt gemaakt, is: voor de zonde die vóór de doop ligt (erfzonde) is dus geen vergeving nodig, omdat die immers door de doop al is afgewassen. De moeite die ik met deze redenering heb, is gebaseerd op het feit dat Melanchthon met geen woord schrijft over zonden die na de doop zijn begaan, maar over boetvaardigen die na en ondanks de doop (als sacramentele afwassing der zonden) in zonde vallen en dat belijden. Zij hoeven aan Gods genade niet te vertwijfelen. Deze uitleg ligt gezien Melanchthons Loei Communes (8, 69) voor de hand. In de bedoelde passage, die eveneens de boete behandelt, schrijft hij over de doop als teken van de zondevergeving en gaat hij in op de vraag, wat dit betekent voor degenen die weer in zonden vallen. Zijn antwoord is (vrij vertaald): 'Zoals wij, wanneer wij gevallen zijn, nochtans het Evangelie niet verliezen, zo verliezen wij ook de doop niet. Nu is het ongetwijfeld zo, dat het Evangelie niet slechts eenmaal, maar telkens opnieuw de zonden vergeeft. Dat is de reden dat ook de betekenis van de doop niet alleen de eerste vergeving geldt, maar ook de vergeving die daarop volgt. Want de doop is het onderpand van het Evangelie'. Het is deze gedachte die artikel 13 verwoordt: de zondevergeving is niet beperkt tot het moment van de doop, maar ook daarna van geldingskracht. De Augustana ziet hier de deur van Gods genade wijd geopend voor ieder die als gedoopt christenmens niettemin zondaar blijft - tegelijk rechtvaardig, tegelijk zondaar! - , maar die zich in berouw tot Gods vergeving wendt.
Biecht noodzakelijk
Zoals bekend, maakt Melanchthon melding van de noodzaak van de biecht voor het Avondmaal. Niets in de tekst van de Augustana weerhoudt ons om deze noodzaak uit te leggen in Luthers geest: men belijde zijn zonden voor God en de mensen. Ik zie tegelijk grote overeenkomst met het gereformeerde accent op de zelfbeproeving: berouw, geloof en verzoening met de broeder. Dat men verplicht is om voor iedere avondmaalsgang te gaan biechten bij een predikant, schrijft Melanchthon naar de letter niet voor, maar zal - ik geef het collega Van der Bas toe - wel in diens bedoeling hebben gelegen. Déze vorm van biecht en absolutie verdient ook naar mijn overtuiging allerminst aanbeveling. Maar dat verhindert me niet om de geest en strekking van Melanchthons notie hoog te waarderen: aan het avondmaal dient het amen op Gods vonnis en vrijspraak vooraf te gaan.
A. DE REUVER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's