Uit de pers
Guldemond
Zo luidt de eretitel waarmee Johannes Chrysostomus (354-407 na Chr.) de kerkgeschiedenis is ingegaan. Die naam dankt hij aan de manier waarop hij in zijn dagen het Evangelie wist te vertolken. Tijdens de colleges homiletiek noemde prof. dr. H. Jonker menig keer zijn naam. In het vooral om zijn titel bekend geraakte boek waarin prof. Jonker zijn colleges bundelde ('En toch preken', 1973) geeft hij aan wat hij in Chrysostomus zo bewonderde: hij had bij zijn homiletische arbeid de concreet levende mens op het oog. Dat was zijn geheim, aldus prof. Jonker, hij zag zijn mensen aan. De mens in zijn concrete situatie, die ik als prediker in zijn gezicht zie en in de ogen kijk. Jonker wilde ons leren: preken is geen ideeën over God of over de mens over de gemeente uitgieten. Maar je bewust richten op mensen die daar voor je zitten, zoals ze nü leven. Dr. Van Brummelen heb ik weieens horen vertellen dat hij tijdens de voorbereiding van zijn preken soms een foto van een groep catechisanten op zijn bureau neerzette. Aan hén moest hij het Woord Gods doorgeven.
In het blad Opbouw (14-daagse uitgave van de Nederlandse Gereformeerden) 45e jaargang nr. 12 - 8 juni 2001, reageert ds. W. Smouter (Ede) op het onlangs verschenen boek van de bekende vrijgemaakt-gereformeerde hoogleraar prof. dr. J. Douma 'Hoe gaan wij verder? ' Douma uit daarin kritiek op de pogingen van de vakgroep Praktische Theologie in Kampen om de prediking te vernieuwen. Er wordt al enkele jaren veel aandacht gegeven aan 'de hermeneutische vraag in de prediking'. Het maken en houden van een preek is een proces. Niet alleen de tekst, maar ook de hoorders moeten in het preekproces een constitutieve rol spelen.
'Douma vindt dit maar niks. Calvijn (die meestal lange seriepreken hield) begon ook niet met de vraag "hoe is de situatie van mijn hoorders? ", om daarbij dan een teks te zoeken. "Nee, hij ging van de zekerheid uit dat het woord van God uit heel de Schrift tot zegen voor de hoorder is" (pag. 73). Nu is daar wel wat op af te dingen. Wie de preken en verklaringen van Cavijn leest, merkt algauw dat de vragen en moeiten van zijn hoorders een grote rol speelden in zijn woorden. En ook dat hij (mogelijk zonder het zelf toe te willen geven, maar dat weet ik niet zeker) tot op het bot bepaald werd door het denken van zijn tijd. Als we dat ongewijzigd overnemen, dan hebben we niet de zuivere bediening van het Woord, maar de bediening ervan uit de 16e eeuw.'
Gewoon wat er staat 'Nu erkent Douma dat wel, maar hij vindt dat we er toch naar moeten blijven streven om "objectieve" uitleg te geven. Tegenover heel die benadering in Kampen van tegenwoordig stelt hij, dat de predikant ernaar moet streven "gewoon te lezen wat er staat (pag. 75). Hier kan ik weinig mee. Ik probeer al twintig jaar om het werkelijke Woord van God door te geven in de kerk. Maar allereerst is daar niets gewoons aan ten tweede heb ik wel geleerd dat ik naar mijn hoorders moet luisteren, wil er iets overkomen. Als ik "gewoon" vertel wat er staat, dan denken mijn hoorders dat ik een speciale hobby voor geschiedenis heb. Aardig misschien voor mij, maar zij zitten met de vraag "is Hij er wel? En waar vindt ik Hem dan? '"
Ds. Smouter is het absoluut niet met prof. Douma eens dat de boodschap eronder zou lijden als je meer rekening houdt met de vragen van je hoorder. Hij laat de gevolgen zien van de nieuwe preekmethode via een vrijgemaakte preek die Smouter onder ogen kreeg.
'Een van de auteurs waartegen Douma opponeert is zijn neef dr. Jos Douma, die onder de titel "Veni Creator Spiritus" een dissertatie over het preekproces schreef. De prof. heeft er forse kritiek op, maar laat niet na in een voetnoot te zeggen dat de preken van Jos wel goed zijn, onder verwijzing naar de pagina op het internet waar ze te vinden zijn. Dat laatste moet in een nieuwe druk gewijzigd worden, want de preken staan nu op, jawel: www.josdouma.nl. Ik trof er een preek over Galaten 2 : 20: "Met Christus ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij". zijn inleiding op de preek verwoordt Jos Douma, hoe moeilijk dit na te voelen is. "Mijn woorden zijn vaak niet diep genoeg, niet vurig genoeg, de Geest spat er niet van af. Mijn woorden hebben vaak geen wortels in mijn hart. En dan deze woorden van Paulus, die zijn zo echt, zo persoonlijk, zo intiem en intens, daar kan ik niet aan tippen, dat is voor mij niet weggelegd. Dat maken Paulus' woorden in mij los: teleurstelling over mijn eigen tekortschieten." Met een herinnering aan een pianolerares die het zo oneindig veel beter kon dan hijzelf, voegt hij er dan aan toe: "Maar aan de andere kant roepen die woorden in mij ook een verlangen wakker, een verlangen naar meer, een verlangen naar iets beters. Paulus is in deze tekst voor mij als een pianoleraar die zelf geweldig spelen kan en die juist daardoor in mij de wens wakker roept dat ook te leren. Ik verlang ernaar om met hem te kunnen zeggen: "Ik leef, want Christus leeft in mij". En van dat verlangen hoop ik dat het ook in uw harten leeft. Een verlangen naar meer, naar iets beters en mooiers in ons Ieven met Christus."
Kijk, dat vind ik nu een geweldige start. Dat is nu, dat de hoorder met zijn twijfels een werkelijke plek heeft in het preekproces. En mag er de preek op nalezen: het doet absoluut niet af aan de boodschap, integendeel.'
Overigens is dit accent in de prediking ook weer niet zo nieuw. In het genoemde boek van prof. Jonker heeft hij het over 'interpolaire relaties' in de prediking. De dienaar staat tussen God en de mensen in. Hij spreekt namens God maar wel met het gezicht naar de mensen. Jonker zei altijd dat de prediking een dialogisch karakter heeft. 'De Bijbel zit vol dialogen en menselijke interrupties.' Die dienen daarom ook in de prediking voluit aan de orde te komen.
Infantiliserende preken
Ik hoop niet dat u geschrokken bent van het voor u wellicht onbekende woord dat ik hierboven heb gezet. Infantiel gebruiken wij vaak om aan te geven dat iemand 'overdreven kinderachtig' doet. U zult zo merken waarom ik dat woord gebruik. Ook in het blad Opbouw, maar dan van 25 mei 2001, heeft mevr. Jeannette Westerkamp-Stegeman (Houten) geschreven over de klacht die mensen soms uiten over een bepaalde trant van preken: 'Het is wel mooi dat de dominee toegankelijk wil preken voor jongeren en buitenstaanders, maar ik begin ondervoed te raken. Ik leer niks meer'. 'Er zijn preken waarbij je je aangesproken voelt als een klein kind, infantiliserende preken. Maar dat zijn preken die voor niemand goed zijn, ook niet voor jongeren en nieuwgelovigen. Veel kinderboeken, zoals Winnie de Poeh, Alice in Wonderland en de Narniaverhalen zijn geschreven voor kinderen, maar ze zijn beslist niet kinderachtig en volwassenen kunnen er ook van genieten. Terwijl ik theologie studeerde gaf ik godsdienstles aan openbare lagere scholen. Daar leerde ik of dat wat ik in moeilijke woorden wist, ook echt zelf begreep. Verlossing, verzoening, genade, ik moest het allemaal uitleggen en omschrijven. De weetjes uit de bijbeltijd ook. Toen ik terugvroeg naar het verhaal van vorige les en zei: "Wat had Zacheüs voor beroep? " kreeg ik als antwoord "Hij had een restaurant". Natuurlijk, Jezus wilde bij hem komen eten! Ik had de cultuur van Zacheüs niet goed beschreven. Toen ik het verhaal van de verloren zoon vertelde riep de hele klas dat die vader niet eerlijk is. Toen ik het verhaal van de gevangenname van Jezus vertelde, van Petrus die zijn zwaard weg moest doen, sprong een jochie op en zei "Ik zou niet meer meedoen! Ik zou weglopen, dan moet hij het zelf maar weten!" Ik vraag me af of ik uit commentaren meer had kunnen halen dan uit die ontmoetingen met mensen die de verhalen voor het eerst hoorden en voor wie ik ze ook weer als nieuw moest horen en vertellen.'
Troost en uitdaging, hoorders en daders 'Wat ik met dit verhaal wil zeggen is dat toegankelijkheid in de prediking en diepgang elkaar niet hoeven uit te sluiten. Integendeel. Woorden kunnen verhullen, bekende woorden kunnen geruststellend bekend klinken. Als moeder elke dag zegt "Kijk je goed uit? " gaan die woorden niet meer over het gevaar op de weg, maar over moeders liefde en bezorgdheid.
Wie mensen zo wil aanspreken dat ze veranderen, zal duidelijke en telkens andere taal moeten spreken. Of zitten we niet in de kerk om te veranderen? Zitten we er om getroost te worden. Dat ook! En dan hebben de bekende woorden en liederen zeker een belangrijke junctie. Maar de verkondiging heeft twee doelen: troost en uitdaging: "Kom tot Mij" en "Gaat en verkondig". We zitten niet in de kerk om te consumeren, maar om te drinken van levend water zodat dat uit ons binnenste stroomt, of, om het in andere taal te zeggen: om bij te tanken bij God en er daarna weer tegenaan te gaan in zijn Koninkrijk. Ik eindig met een verhaal van Kierkegaard zoals ik me dat uit mijn hoofd herinner: Een koning vaardigde een bevel uit en liet het in zijn hele land aanplakken. Overal in zijn rijk bewonderden de onderdanen de woorden van hun koning. Sommigen leerden de woorden uit hun hoofd, anderen gingen in studiegroepen samen zitten om ze te bestuderen en uit te zoeken wat de aanleiding, die diepe bedoeling, en de achterliggende gedachte kon zijn. Weer anderen plozen het taalgebruik uit. Maar wie deed wat de koning had bevolen? Misschien een vreemdeling die de woorden serieus nam en niet uit bewondering voor de koning bleef staan bij de woorden.'
Dat doet denken aan wat de 'trouwe wachter' Ezechiël in zijn dagen ook al overkwam: "Er zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk en horen uw woorden maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na' (33 : 31). Vorige week confereerden preekdeskundigen uit 16 landen van alle werelddelen op Hydepark rond het thema Preaching creating perspective, onder leiding van prof. dr. F. G. Immink. In het Centraal Weekblad van 15 juni 2001 staat een kort gesprek van Theo Klein met prof. Immink en daarmee sluiten we voor dit keer weer af.
Ik dacht dat de preek in onze mondige en beéldgerichte cultuur achterhaald was?
'De preek zal altijd blijven bestaan. Misschien in een andere vorm dan een prediker die het woord voert voor een groep gelovigen. Maar het christelijk geloof is een historische godsdienst. Wat openbaar is geworden in de geschiedenis, wil doorvertaald en verteld worden. Jezus Christus bestaat niet zonder gemeente waarin het Evangelie klinkt.'
Vroeger was wat de dominee zei waar, omdat de dominee het zei. Nu is de mens mondiger. Die neemt toch niet voetstoots aan wat een ander vertelt? 'Het ligt eraan hoe je visie is op de preek. De preek wordt vaak alleen gezien als de uitleg van een stuk tekst of een boodschap voor de hoorders. Maar de preek zet ook iets in beweging. Er gebeurt iets, er is interactie en er vindt communicatie plaats. Op dit moment zijn in Nederland de papieren van de preek niet zo sterk. Maar je moet er ook niet te tobberig over doen. Velen ontvangen moed uit en doorzicht door de preek.' In de plurale kerk die we nu kennen lijkt de predikant van angst bevangen om iemand op de tenen te trappen. Daar krijg je toch geen spannende of boeiende preken van? En zelfs de predikant die in zijn preken alle meningen uit gemeente weergeeft, is niet voorwaarden vrij. Hij of zij preekt toch altijd vanuit een bepaald perspectief. Gezaghebbend spreken moet je gegeven worden en moet je verdienen. Natuurlijk kan de preek vaak spannender en hoort er iets nieuws en iets onverwachts uit de Schrift tot je te komen. Het mooie van een internationale conferentie is dat het de Nederlandse situatie wat relativeert. De kerk in Nederland heeft veel last van een laat modern levensgevoel. Door dat levensgevoel vinden we dat de christelijke boodschap in algemene categorieën als "liefde" moet worden gebracht. De minderheidskerken in Aziatische landen hebben geen last van dat levensgevoel en durven het specifieke van de christelijke boodschap te benadrukken. Of kijk naar de Verenigde Staten. Daar zit veel meer entertainment in de preek. Niet als goedkoop effectbejag, maar er wordt veel aandacht besteed aan retoriek. Ook daar heeft de preek veel geleden onder de mondige cultuur, maar daar is beter op ingesprongen. Niemand kan meer gezaghebbend spreken maar tegelijkertijd wordt er wel verwacht dat de preek wat teweegbrengt. Dan is gebruikmaken van technieken als retoriek niet zo gek. Misschien zouden de kerken in Nederland daar wat van kunnen leren.'
We blijven ermee aan de gang omdat Christus het ons heeft opgedragen: predik het Evangelie. Ik kreeg, toen ik belijdenis van het geloof deed in de Brugkerk van Waddinxveen van ds. J. R. Cuperus de tekst mee: Predik het Woord, houd aan tijdig en ontijdig, weerleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer (2 Tim 4 : 2). Ik hoor nog zijn karakteristieke stem. Er klonk veel liefde en warmte in door. Na veertig jaar is het nog altijd een anker in de dienst aan het Evangelie.
J. MAASLAND
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's