De Heilige Geest: voorschot
Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. [2 Korinthe 5 : 5]
De uitstorting van de Heilige Geest wordt in het Nieuwe Testament omkranst door een reeks kernbegrippen. Over drie hebben we al gemediteerd: getuigen, vuur en kerk. Nu volgt het laatste: de Heilige Geest ais voorscho Een 'voorschot' is een uitdrukking uit het zakenleven. Het is de eerste termijn die voldaan moet worden bij de uitvoering van een grote order. Daarvoor heb je een contract gesloten. Verbreek je dat, omdat je nietwaar kunt maken watje met elkaar hebt afgesproken, dan ben je je geld kwijt. Je verspeeltje goede naam. Met zulke mensen wil niemand zaken doen. Ze kunnen niet op je aan. Dat is klare taal die ze in een havenstad als Korinthe goed begrijpen. Paulus gebruikt deze term maar driemaal, waarvan twee keer in deze brief (i: 22). Kun je op Gód aan?
Die vraag roept meteen de tegenvraag op: mag zo'n gedachte wel in je opkomen. Jeremia heeft ooit zoiets gezegd: Gij zijt mij een leugenachtige beek (15 : 18). De reactie van God: als je zo praat, ben je niet langer mijn profeet (15 : 19). Wanneer de kerk in haar spreken de wereld volgt, valt de profetie stil. Het is goed om dat voor onszelf nog.eens nadrukkelijk te overwegen, voordat wij anderen op dit punt de maat nemen.
Maar zo gaat Paulus niet te werk. Het is precies andersom. Er zijn nogal wat christenen in Korinthe die Paulus de maat hebben genomen. Hun conclusie: deze kleine man is zoals hij eruit ziet: een tweederangs apostel. Hij moest maar eens in de leer gaan bij de sofisten die verstaan pas echt de kunst t. om een goed verhaal neer te zetten!
De apostel verdedigt zich door even een tipje op te lichten van wat hij zo in zijn werk meemaakt. Constant verkeert hij in levensgevaar. Toch gaat hij er niet onderdoor. Zijn devies luidt: niet versagen (4 : 16) maar altijd goede moed hebben (5:8). Want hij leeft uit het heilsfeit van Pinksteren. Dat mogen jullie Korinthiërs nu ook. Want - schrijft hij - God heeft ons als onderpand Zijn Geest gegeven. De Heilige Geest is een voorschot op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Om dat duidelijk te maken heeft hij zojuist het beeld gebruikt van een tent en een huis. Met die tent bedoelt hij heel ons aardse bestaan en dan vooral ook ons sterfelijk lichaam, en met dat huis het eeuwig zalig leven straks in de hemel bij God en dan vooral ook de wederopstanding van ons lichaam. Zo zal het gaan. Dat mogen we zeker weten, want dat is het geloof (5 : 1). Hoe vaak wordt dit bijbelgedeelte gelezen als er geen hoop meer is op beterschap. Dit zijn woorden waarmee we in het geloof van elkaar afscheid kunnen nemen. Dit is troost voor wie heengaat: maar na de dood is 't leven mij bereid, God neemt mij op in Zijne heerlijkheid. Het is ook troost voor wie achterblijft: de dood heeft niet het laatste woord. Je mag best verdrietig zijn. Ook Jezus weende toen Hij hoorde dat Lazarus was gestorven. De Heere zegt: stort voor Mij uit uw ganse hart. Zo word je in het verdriet toch vastgehouden en bewaard voor wanhoop en wangedrag.
Toch is deze tekst niet in de eerste plaats bedoeld als een handreiking voor stervensbegeleiding. Paulus is hier niet bezig afscheid te nemen van het leven. Hij is volop in actie. De Korinthiërs zijn nog niet met hem klaar. Ze mogen van geluk spreken dat hij nu in Macedonië zit. Anders had hij hen streng aangepakt. Daar hebben ze het naar gemaakt. Want als gemeente zijn ze echt verkeerd bezig. Dat kan zo niet langer. Vandaar deze brief.
Paulus laat hier zien hoe je leven mag vanuit Pinksteren. Daarbij neemt hij zichzelf als voorbeeld. Menselijkerwijs gesproken is zijn apostelschap een lijdensweg. Hij is vervolgd, gemarteld en afgeranseld. Niet elke christen maakt dat zo mee. Maar wel geldt voor iedereen: dit leven is niet anders dan een gestadige dood. In het rijke Westen schroeven wij de standaard van de kwaliteit van het bestaan (zoals dat heet) steeds verder op. We doen daar zelfbewust of onbewust aan mee. Maar de onderliggende werkelijkheid verandert niet. Dat blijft die gestadige dood. Want we zijn vergankelijke mensen. Ons aardse leven is een tent. Weer en wind tasten het zeildoek aan. Bij een orkaan gaat hij tegen de vlakte. Paulus als vakman kan het weten. Hij is tentenmaker van beroep. Maar boven over die tent heen heeft God een huis gebouwd, al zie je dat nog niet met het aardse oog.
Paulus zegt: eigenlijk woon ik al bij God. Dat is mijn adres. Maar ik zit nog wel hier in dit tentje. Natuurlijk verlang ik ernaar om voor altijd thuis te zijn. Dat kan nog niet. Eerst moet ik mijn werk afmaken. Ik doe dat ook zo goed mogelijk. Christus zal straks rekenschap vragen van ons werk in Zijn Koninkrijk (5 : 10). Of wij - zoals hij in zijn vorige brief schreef - op het door Christus gelegde fundament met duurzaam materiaal hebben gewerkt, goud, kostbaar gesteente, of alleen maar met hout, hooi en stoppelen hebben gebruikt (3 : 12-15). Duurzaam is alleen het Woord van God. Dat houdt eeuwig stand. De sofisten komen met hout, hooi en stoppelen aan. Voor hen tellen bij wijze van spreken alleen de kijkcijfers.
Het voorschot dat God geeft door de uitstorting van Zijn Geest is, dat je tot God mag zeggen: Abba, Vader. Dan héb je al in essentie het eeuwig zalig hemelleven. Dat vloeit voort uit onze enige troost in leven en sterven.
'Troost' hangt samen met het Engelse trust, 'vertrouwen' (en niet met truth, 'waarheid' zoals in de meditatie van 14 juni ten onrechte stond vermeld). Dit vertrouwen werkt de Heilige Geest in ons hart door het geloof. Is Christus onze trouwe Zaligmaker, dan is God onze hemelse Vader. Paulus vervolgt zijn brief dan ook met een stuk over de prediking als de bediening van de verzoening in Christus (5 : 11-21). Daar gaat het om: laat u met God verzoenen!
Zijn wij werkelijk in Christus, dat wil zeggen door het geloof met Hem verbonden, dan is het oude voorbijgegaan en is alles nieuw geworden. Van dat nieuwe ontvangen we hier en nu al een voorschot.
Die ons hiertoe bereid heeft is God. Dan zeg ik in heilige verwondering: Abba, Vader!
Ik draag nu al de hemel in mijn hart. En als het dan sterven wordt? Van Lodenstein zei: ik lig als in de rozen... Daarom vertragen wij niet en hebben wij altijd goede moed.
H. J. DE BIE, HUIZEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2001
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's